NLF 2026/0913 – Directeur van vakantieparken krijgt celstraf voor jarenlang ontduiken vpb (1)


SAMENVATTING

Rechtbank Oost-Brabant heeft een ondernemer tot een gevangenisstraf van achttien maanden veroordeeld, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor fiscale misdrijven.

Verdachte X (belanghebbende) is eigenaar van diverse vakantieparken. Hij wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersonen niet binnen de gestelde termijn doen van belastingaangiften vpb voor de jaren 2020 tot en met 2022.

De Rechtbank acht bewezen dat X daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. X schond hiermee de integriteit van het financiële en economische verkeer in de samenleving, alleen om er zelf beter van te worden. Hij gaf volstrekt onvoldoende prioriteit aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan de ondernemingen. Daarbij komt dat de bewust gebrekkige administratie het lastig maakt om te komen tot een juiste aangifte. Dit is volledig aan X zelf te wijten.

Er lopen momenteel nog tientallen fiscale procedures tussen de Belastingdienst en de vakantieparken van X. Deze zaak lijkt deel van een vast patroon. X heeft ervoor gekozen om geen volledige, inzichtelijke en professionele administratie te voeren. Daardoor voldeed hij jarenlang niet aan de fiscale verplichtingen.

Gelet op de ernst van de misdrijven komt de Rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf. Omdat X in april 2025 voor soortgelijke feiten is veroordeeld (belastingaangiften over 2017 en 2018), en deze zaak in beginsel gelijktijdig had kunnen worden behandeld, legt de Rechtbank een deel van de celstraf voorwaardelijk op.

De Belastingdienst is uitgekomen op een geschat bedrag van ruim € 2,8 miljoen dat nog aan vennootschapsbelasting moet worden betaald. Voor de Rechtbank is het niet duidelijk in hoeverre er inmiddels al is betaald door X en of de te betalen belasting uiteindelijk volledig betaald zal gaan worden, aangezien de bedrijven nu grotendeels stilliggen. De Rechtbank legt naast de celstraf geldboetes op aan zeven van de ondernemingen van in totaal ruim € 1,3 miljoen.

NOOT van Ludwijn Jaeger

Deze noot heeft tevens betrekking op de gelijkluidende uitspraak van dezelfde datum (ECLI:NL:RBOBR:2026:2869).

Deze uitspraak ziet op niet aangegeven omzet in de vereiste aangiften vpb. In eerste instantie zijn logischerwijs de vennootschappen verdacht omdat het een kwaliteitsdelict betreft. Daarnaast is ook de directeur van de vennootschappen verdacht als feitelijk leidinggever aan dit delict. Dat is vaak het moeilijkste element, want dat een vennootschap verantwoordelijk is, ligt in de regel voor de hand. Voor fijnslijpers wordt een aardige discussie gevoerd over de vraag wanneer een te laat ingediende aangifte kwalificeert als te laat gedaan en wanneer als niet gedaan. Omdat de verplichting om aangifte te doen alleen ontstaat als de belastingplichtige is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, is er bijna vanzelfsprekend bij de huidige beroerde postbezorging ook aandacht voor de vraag of deze allemaal wel zijn verstuurd en/of ontvangen.

Het niet (tijdig) doen van aangifte

Voor de discussie over het niet (tijdig) doen van aangifte verwijs ik naar mijn noot in NLF 2026/0674 bij het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2026.1 Anders dan in die andere zaak wordt niet pas in hoger beroep, maar wel pas ter zitting geconstateerd dat herinneringen en aanmaningen ontbreken. Wederom vraag ik me af of de hier aangelegde toets niet een lichtere is dan fiscaal wordt aangelegd. Dat blijft vreemd. Wederom toegegeven: er zijn wel duidelijke aanwijzingen dat het een beetje een gelegenheidsargument is. Uiteindelijk zijn wel aangiften ingediend. Uit de uitspraak kan ik niet opmaken of het door de Hoge Raad op 24 maart 2026 aangelegde criterium voor het niet doen of niet tijdig doen van aangifte hier is gevolgd.

Het strekkingsvereiste

Kennelijk zijn eerder aangekondigde correcties uiteindelijk ook overeenkomstig de alsnog ingediende aangiften verminderd. Er waren verliezen te compenseren. Op basis hiervan is een verweer gevoerd dat niet aan het strekkingsvereiste zou zijn voldaan. Het strekkingsvereiste is redelijk geobjectiveerd en in zijn algemeenheid kan het heffen van te weinig belasting wel een gevolg zijn van het niet (tijdig) doen van aangifte.

Door de verdediging wordt betoogd dat de objectivering niet zover gaat dat volledig kan worden geabstraheerd van de specifieke zaak. Rechtbank Oost-Brabant komt tot het wat opmerkelijke oordeel dat het strekkingsvereiste moet worden beoordeeld naar het moment van het verzuim en dat omstandigheden nadien er niet toe doen. Dat is in mijn ogen lastig te verenigen met het objectieve karakter van het vereiste, maar bovendien is het geen respons op het verweer. Dat met het volgen van de latere aangiften kan worden aangetoond dat er niet zoveel aan de hand was, kan betekenen dat de specifieke aangiften dus niet strekten tot betaling van te weinig belasting. Als de Rechtbank van mening is dat de objectivering niet zover gaat dat deze specifieke omstandigheid wel meetelt, dan was die omstandigheid ook al aanwezig op het moment van het verzuim. Het is alleen pas later duidelijk geworden.

Feitelijk leidinggeven

Namens de directeur wordt de vraag opgeroepen of hem het te laat doen van aangiften wel verweten kan worden en waaruit de vraag is afgeleid of hij wist van de ontvangst van uitnodigingen, herinneringen, aanmaningen en het niet opvolgen daarvan. Hij heeft immers medewerkers die hiervoor verantwoordelijk zijn en een belastingadviseur. Blijkens de uitspraak heeft hij (verklaard dat hij) mensen achter de broek gezeten en aangegeven dat er moest worden opgeschoten.

De Rechtbank leidt hier ‘weten’ uit af, terwijl in mijn ogen ‘het risico niet aanvaarden’ minstens zo voor de hand ligt. Verder is de Rechtbank kennelijk van oordeel dat de feitelijk leidinggever ook per definitie verantwoordelijk is voor het tijdig doen van aangifte. In het aansprakelijkheidsrecht is de fiscaliteit ook lang aangemerkt als ‘chefs sache’, maar daar is zo langzamerhand toch wel afstand van genomen. Fiscaal is door de Hoge Raad duidelijk uitgemaakt dat de belastingplichtige zich niet zelf hoeft te verdiepen in de fiscaliteit als hij daarvoor anderen heeft ingeschakeld, zelfs als het om een eenvoudig onderwerp gaat.2 De motivering waarom de directeur hiervoor toch kan worden aangesproken, is in mijn ogen te gemakkelijk.

De strafmaat

Het nagenoeg enige bedrag dat te lezen valt, is een nadeel van € 2,8 miljoen. Dan valt 18 maanden celstraf redelijk mee (de oriëntatiepunten geven bij meer dan € 1 miljoen nadeel 24 maanden tot 4 jaar celstraf aan). Opmerkelijk is dat niet duidelijk wordt met hoeveel de ambtshalve aanslagen uiteindelijk zijn verminderd en hoeveel er al op is betaald. Nog opmerkelijker is de opmerking van de Rechtbank ‘dat hij ervoor kiest om veelvuldig belastingprocedures te starten’. Ik kan me niet herinneren dat dit al eerder als verwijt in de strafmaat is betrokken en persoonlijk vind ik ook dat dat echt niet kan. De relatief lage straf bij deze bewezenverklaring heeft te maken met de constatering door de Rechtbank dat een jaar eerder ook al voor twee eerdere jaren 12 maanden celstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk is opgelegd. Beide zaken hadden evengoed tegelijkertijd kunnen worden behandeld, aldus de Rechtbank. In mijn ogen was dit geen kwestie van kunnen, maar van moeten. Nu belast je iemand twee keer met een strafzaak, terwijl één keer had kunnen volstaan. In de uitspraak is niet te lezen of de Rechtbank ook rekening houdt met de aan de vennootschappen opgelegde, aanzienlijke geldboetes. Dat zou wel in de rede liggen, want bij een dga wordt met beboeting van de vennootschappen ook de dga zelf getroffen.

B.J.G.L. Jaeger
jaeger@jaeger.nl
020 – 676 04 81


Noten:

  1. HR 24 maart 2026, 23/00761, ECLI:NL:HR:2026:425, NLF 2026/0674, met noot van ondergetekende. ↩︎
  2. Vgl. HR 3 februari 2017, 16/02451 ECLI:NL:HR:2017:127. ↩︎

Stuur een reactie naar de auteur