Wet excessief lenen blijft voorlopig overeind
Alle pagina's gelinkt aan
De rechtbank Den Haag heeft uitspraak gedaan over de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap.[1] De vraag stond centraal of de heffing over het fictief regulier voordeel op stelselniveau in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”). De rechtbank oordeelt dat de wet standhoudt.
In deze blog ga ik eerst kort in op de werking van de Wet excessief lenen, daarna bespreek ik de uitspraak van de rechtbank Den Haag en ik sluit af met wat deze uitspraak betekent voor de praktijk en de ruimte die mogelijk nog resteert voor hoger beroep.

Wat houdt de Wet excessief lenen in?
Sinds 1 januari 2023 geldt de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap.[2] Deze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat een directeur-grootaandeelhouder (“DGA”) belastingheffing in box 2 langdurig uitstelt door geld van zijn eigen BV te lenen in plaats van dividend uit te keren. Volgens de wetgever moet deze vorm van belastinguitstel en mogelijk belastingafstel worden tegengegaan.[3]
Als de gezamenlijke schulden bij de BV van de DGA en diens fiscale partner op 31 december boven de wettelijke drempel uitkomen, wordt het meerdere belast als een fictief regulier voordeel – zeg maar dividend – in box 2. Voor 2023 gold een drempel van € 700.000, vanaf 2024 is dat € 500.000. In beginsel tellen alle civielrechtelijke schulden mee met als belangrijkste uitzondering de schuld die wordt aangegaan voor de financiering van de eigen woning.[4]
De Wet excessief lenen beoogt te voorkomen dat de DGA zijn consumptieve uitgaven financiert via leningen bij ‘zijn’ B V. Die uitgaven moet hij dekken met salaris en dividend, waar de fiscus dan zijn deel van krijgt.
Waarom de regeling zoveel discussie oproept
De discussie over deze wet zit vooral in het fictieve karakter van het in aanmerking te nemen inkomen. De DGA ontvangt geen dividend, maar moet toch belasting betalen alsof hij een regulier voordeel heeft genoten. Je zou kunnen redeneren dat er geen liquiditeitsprobleem ontstaat, want ook de lening levert liquiditeiten op. Dat is zo, maar de civielrechtelijke schuld blijft bestaan, terwijl over het geleende deels belasting wordt geheven alsof het dividend betreft. De schuld wordt dus niet verminderd met het bedrag waarover fiscaal is afgerekend. Daarmee rijst de vraag of de belastingheffing niet te ver af komt te staan van de economische werkelijkheid.
In de fiscale literatuur is er bovendien op gewezen dat de wet geen onderscheid maakt tussen zakelijke en onzakelijke leningen, geen overgangsrecht kent voor reeds bestaande schulden en in bepaalde gevallen kan leiden tot dubbele belastingheffing of een buitensporige last.[5]
De zaak bij de rechtbank Den Haag
De belastingplichtige had per 31 december 2023 een schuld aan zijn BV van € 1.272.292. Na aftrek van de toen geldende drempel van € 700.000 bleef een fictief regulier voordeel van € 572.292 over. Dat voordeel werd belast in box 2.
Het ging in deze fiscale procedure om de vraag of belastingheffing over dit fictieve voordeel op stelselniveau in strijd is met het EVRM. Op stelselniveau betekent dat het probleem niet zit in de bijzonderheden van het betreffende geval, maar in de wettelijke regeling zelf.
De belastingplichtige beriep zich op artikel 1 van het Eerste Protocol (“EP”) bij het EVRM, omdat volgens hem sprake was van een ontoelaatbare inbreuk op zijn eigendomsrecht. Die verdragsbepaling gaat boven nationale wetgeving. Op grond van deze verdragsbepaling oordeelde de Hoge Raad in 2021 dat de forfaitaire box 3-heffing op stelselniveau in strijd was met het eigendomsrecht.[6] Mijn collega Sarah Verweij schreef hier al eerder een blog over.
In de zaak over de Wet excessief lenen deed de belastingplichtige bovendien een beroep op de artikelen 6 en 7 EVRM omdat de regeling volgens hem door het ontmoedigende en fictieve karakter eigenlijk een bestraffende maatregel is geworden.
Geen strijd op stelselniveau
De rechtbank Den Haag stelt de belastingplichtige in het ongelijk. De regeling voor heffing over fictief regulier voordeel is niet in strijd met artikel 1 EP EVRM en evenmin met de artikelen 6 en 7 EVRM. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
De rechtbank beoordeelt de regeling aan de hand van het vaste toetsingskader van het EVRM voor artikel 1 EP. Daarbij kijkt zij achtereenvolgens:
- of de inbreuk op het eigendomsrecht voldoende wettelijk is verankerd en voorzienbaar is;
- of de regeling een legitiem doel in het algemeen belang dient; en
- of sprake is van een redelijke proportionaliteit tussen middel en doel, de zogenoemde fair balance.
Ad 1. De regeling is volgens de rechtbank voldoende voorzienbaar
Ten aanzien van de voorzienbaarheid is de rechtbank tamelijk stellig. De heffing berust volgens haar op een voldoende duidelijke wettelijke basis in de Wet IB 2001 en de regeling is voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar. Het ontbreken van een tegenbewijsregeling voor zakelijke leningen doet daar volgens de rechtbank niet aan af.
Ad 2. De wet dient volgens de rechtbank een legitiem doel
Over het doel van de regeling laat de rechtbank weinig ruimte voor twijfel. Uit de wetsgeschiedenis volgt volgens haar dat de wetgever heeft willen voorkomen dat aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing langdurig uitstellen of zelfs definitief ontlopen door te lenen van hun eigen vennootschap. De rechtbank kwalificeert dat als een legitiem doel in het algemeen belang. Zij oordeelt bovendien dat de keuze van de wetgever voor een heffing over fictief regulier voordeel niet evident van redelijke grond ontbloot is.
Ad 3. De proportionaliteitstoets is de kern van de uitspraak
De belangrijkste overweging van de rechtbank betreft de vraag of de regeling op stelselniveau onevenredig hard uitpakt. Op dat punt komt de rechtbank tot het oordeel dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid is gebleven.
De rechtbank acht van belang dat de maatregel al in september 2018 is aangekondigd en dat aanmerkelijkbelanghouders daardoor jaren de tijd hebben gehad om hun schuldpositie af te bouwen. De inwerkingtreding is bovendien nog opgeschoven naar 1 januari 2023, waardoor belastingplichtigen extra tijd hebben gekregen om op de regeling te anticiperen.
Verder neemt de rechtbank mee dat de wet een uitzondering kent voor de eigenwoningschuld, dat bij terugbetaling van eerder belaste schulden een negatief fictief regulier voordeel kan ontstaan en dat de drempel voor 2023 uiteindelijk € 200.000 hoger is vastgesteld dan oorspronkelijk beoogd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van een redelijke en proportionele verhouding tussen het gekozen middel en het nagestreefde doel.
Geen onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke leningen
Een ander belangrijk onderdeel van de uitspraak is dat de rechtbank geen bezwaar ziet in de omstandigheid dat de wet geen onderscheid maakt tussen oude en nieuwe leningen, tussen zakelijke en onzakelijke leningen en tussen verschillende zekerheden en leningsvoorwaarden. Volgens de rechtbank is dat onderscheid niet beslissend, omdat het doel van de wet is om uitstel en mogelijk afstel van belastingheffing tegen te gaan. Doorslaggevend is volgens de rechtbank dat de aanmerkelijkbelanghouder op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Daarom is volgens de rechtbank ook geen sprake van strijd met artikel 14 EVRM. Juist op dit punt wijkt de rechtbank dus af van de kritiek dat de regeling ongelijke gevallen ten onrechte gelijk behandelt.
De vergelijking met box 3 gaat volgens de rechtbank niet op
De rechtbank verwerpt ook de vergelijking met de box 3-jurisprudentie.[7] Die vergelijking ligt op zichzelf voor de hand omdat ook hier sprake is van een fiscale fictie. Toch ziet de rechtbank een wezenlijk verschil omdat bij de Wet excessief lenen wordt geheven over gelden waarover de DGA daadwerkelijk heeft beschikt. Dat is volgens de rechtbank iets anders dan de vroegere box 3-heffing, waarbij belasting werd geheven over een forfaitair rendement dat hoger kon zijn dan het werkelijk behaalde rendement. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het beroep op het draagkrachtbeginsel niet slaagt. Er wordt immers, anders dan in de box 3-heffing, alleen geheven over gelden waarover de DGA daadwerkelijk heeft beschikt.
Geen ‘criminal charge’ onder artikel 6 en 7 EVRM
De belastingplichtige beriep zich daarnaast op artikelen 6 en 7 EVRM. Ook dat beroep faalt. De rechtbank oordeelt dat de heffing over fictief regulier voordeel geen ‘criminal charge’ is. Dat van de regeling een ontmoedigende werking uitgaat, maakt nog niet dat er sprake is van een bestraffende sanctie. Volgens de rechtbank is geen sprake van een maatregel die qua aard of zwaarte als straf moet worden aangemerkt of die is gericht op het toevoegen van leed met als gevolg dat de waarborgen van artikel 6 en 7 EVRM hier niet van toepassing zijn.
Is de discussie voorbij?
Naar mijn verwachting is de discussie voorlopig nog niet voorbij. Alleen al omdat ik verwacht dat deze belastingplichtige hoger beroep heeft aangetekend. Het ligt dus voor de hand dat deze kwestie nog een vervolg krijgt. Daarmee is niet uitgesloten dat uiteindelijk ook de Hoge Raad zich over de Wet excessief lenen zal uitlaten. Dat past bij het bredere beeld dat de discussie over deze regeling nog volop in ontwikkeling is en in de fiscale literatuur nog steeds nadrukkelijk wordt gevoerd.
Tegelijk verwacht ik niet dat de uiteindelijke conclusie zal luiden dat de Wet excessief lenen op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De rechtbank Den Haag heeft de regeling systematisch getoetst en is tot het oordeel gekomen dat sprake is van een voldoende duidelijke wettelijke basis, een legitiem doel in het algemeen belang en een redelijke proportionaliteit tussen middel en doel. Daarbij heeft de rechtbank expliciet overwogen dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid is gebleven en dat van schending van artikel 1 EP EVRM geen sprake is.
Dat neemt niet weg dat in toekomstige procedures nog wel discussie kan blijven bestaan over de concrete uitwerking van de regeling in individuele gevallen. Juist daar liggen naar mijn mening nog de meest reële aanknopingspunten, bijvoorbeeld bij samenloop van fictieve heffing en latere dividenduitkering, beperkte compensatiemogelijkheden of situaties waarin de regeling voor een belastingplichtige uitmondt in een buitensporige last.
Heeft u vragen over de Wet excessief lenen, is een belastingcontrole aangekondigd of heeft u een navorderingsaanslag ontvangen? Neem dan contact op met Jurgen Scheltema of een van onze andere specialisten.

mr. J.J. Scheltema
scheltema@jaeger.nl
020 – 676 04 81
[1] Rechtbank Den Haag 2 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18512.
[2] Artikel 4.14a e.v. Wet IB 2001.
[3] Kamerstukken II 2019/20, 35 496, nr. 3, p. 1-2.
[4] Artikel 4.14a, lid 6, Wet IB 2001.
[5] Zie o.a. Perdaems en Hintzen ‘Uitholling van het eigendomsrecht door ficties excessief lenen’, WFR 2024/263; Scholman, ‘Is de wet excessief lenen bij eigen vennootschap wel art. 1 EP EVRM-proof?’, opinie Taxlive; Heithuis, ‘De internationale aspecten van de voorgestelde Wet excessief lenen bij eigen vennootschap’, WFR 2020/175.
[6] Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (kerstarrest).
[7] Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (kerstarrest).
Stuur een reactie naar de auteur