NLF 2026/1888 – Belastingadviespraktijk moet stukken afgeven en meewerken aan boekenonderzoek

SAMENVATTING

De gedaagden in deze zaak zijn een maatschap, een bv en een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Binnen de ondernemingen wordt een administratie- en belastingadviespraktijk gevoerd. De Belastingdienst heeft boekenonderzoeken aangekondigd en daarbij om gegevens, inlichtingen en inzage in de administratie verzocht.

Medewerking is door gedaagde X afhankelijk gesteld van voorwaarden, waaronder verstrekking van bepaalde informatie door de Belastingdienst en het afgeven van een informatiebeschikking. De Belastingdienst heeft herhaaldelijk verzocht de gevraagde informatie te verstrekken en medewerking aan de boekenonderzoeken te verlenen. Hieraan is niet (volledig) voldaan.

De Belastingdienst vordert in dit kort geding afgifte van stukken en medewerking aan de boekenonderzoeken.

Rechtbank Limburg oordeelt dat de Belastingdienst een spoedeisend belang heeft, omdat zonder de gevraagde informatie geen juiste belastingheffing of navordering kan plaatsvinden. Op grond van artikel 47 en 53 AWR rust op X een wettelijke informatieplicht. De Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat nog niet alle gevraagde gegevens zijn verstrekt. Het verweer dat een civiel beslag verstrekking onmogelijk maakt, faalt omdat niet concreet is gemaakt welke relevante stukken daardoor niet beschikbaar zouden zijn.

Ook vervolgvragen vallen onder de informatieplicht. De Belastingdienst mocht kiezen voor een kort geding en hoefde niet eerst een informatiebeschikking af te geven.

De Rechtbank wijst de vorderingen grotendeels toe, met voor ieder van de gedaagden afzonderlijk een gematigde dwangsom van € 5.000 per dag tot maximaal € 500.000. Daarbij geldt dat wilsafhankelijk materiaal uitsluitend voor belastingheffing mag worden gebruikt en niet voor fiscale beboeting of strafvervolging.

NOOT – Ludwijn Jaeger

In artikel 47 tot en met 53 AWR zijn aan de Belastingdienst ruim en breed geformuleerde machtsmiddelen gegeven om die informatie en die medewerking te krijgen die behulpzaam is bij het vaststellen van de juiste heffing. Met de introductie van de informatiebeschikking was het in elk geval mijn hoop dat de procedures meer duidelijkheid zouden bieden over enige begrenzing van de informatiehonger van de Inspecteur. Die hoop is niet uitgekomen. Wel is mede na twee evaluatieonderzoeken duidelijk dat aan de procedure over een informatiebeschikking niet alleen het nodige mankeert, maar dat die bovendien veel tijd kost en ondertussen de aanslagregeling plat legt.

Het afgeven van informatiebeschikkingen is bij mijn weten, na enig initieel enthousiasme, inmiddels dan ook weer drastisch afgenomen. Soms gokt de Inspecteur erop dat hij op basis van ‘de onjuiste aangifte’ ook wel een omkering van de bewijslast weet te bemachtigen, soms is de route van het civiele kort geding de snellere optie. Zo ook hier.

De civiele route

Ondanks dat daar het nodige commentaar op is geweest, laat het vierde lid van artikel 52a AWR het onder druk van dwangsommen civielrechtelijk afdwingen van de verlangde informatie en/of medewerking onverlet. Deze uitspraak maakt maar weer eens duidelijk dat de met een informatiebeschikking beoogde rechtsbescherming geen recht is van de belastingplichtige, maar het nemen van die beschikking een keuze is van de Inspecteur. Overigens wil ik hiermee geenszins zeggen dat de rechtsbescherming van de civiele rechter minder is dan die van de fiscale. Bij beide is de kans op succesvol weigeren niet bijster groot.

Het motiveringsvereiste

Hoewel de machtsmiddelen van de Belastingdienst ruim zijn en elke keuze daarin aan de Inspecteur laat, wil dat nog niet zeggen dat die keuzes niet zijn begrensd. De Inspecteur is immers gebonden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder proportionaliteit en subsidiariteit en moet op die gronden uit kunnen leggen waarom bepaalde keuzes worden gemaakt zoals deze zijn gemaakt. Op het moment dat een andere afweging hetzelfde resultaat geeft en minder belastend is, moet die immers worden gemaakt. De vraag om bepaalde keuzes te motiveren kan dus altijd worden gesteld en moet in mijn ogen deugdelijk worden beantwoord. Zo ook de keuze tussen informatiebeschikking en het kort geding.

In deze procedure is namens het advieskantoor aangevoerd dat de informatiebeschikking de aangewezen route is. De uitspraak laat niet zien welke argumenten daarvoor zijn aangevoerd, laat staan hoe die zijn weerlegd. Dat deze route mag, is dan een weinig bevredigend oordeel. Anders gezegd: het kan voor een belastingplichtige zinvol zijn om goed gemotiveerd uiteen te zetten waarom een keuze anders zou moeten zijn. Sterker nog noodzakelijk, wil je daar later in de procedure een zinvolle beoordeling van krijgen.

Fair play

Fair play staat sinds de conclusie van A-G Koopman hopelijk bij elk belastingadvieskantoor weer helder op het netvlies. De gevraagde informatie en medewerking ziet in dit geval echter op de eigen administratie van de ondernemingen (wellicht met uitzondering van bepaalde personeelsgegevens die ook voor de IB zouden kunnen worden gebruikt), niet op de bediende cliënten. Bij de verplichtingen op grond van artikel 47 AWR spelen verschoning en fair play veel minder een rol. Als belastingadvieskantoor blijft het in dit soort gevallen natuurlijk wel zaak om te voorkomen dat de Belastingdienst in de slipstream tevens komt te beschikken over gegevens van cliënten. Strikt genomen zouden bijvoorbeeld van de debiteurenadministratie dus de namen onleesbaar moeten worden gemaakt.

Wilsafhankelijk materiaal

In de conclusie geeft de rechter nadrukkelijk aan dat eventueel verstrekt en te verstrekken wilsafhankelijk materiaal niet mag worden gebruikt voor beboeting of bestraffing. De opsomming van wat de fiscus wil ontvangen geeft weinig reden om te vermoeden dat er ergens sprake is van wilsafhankelijkheid. Bij de verlangde medewerking wordt wellicht ook om toelichtingen gevraagd, die zijn wilsafhankelijk. Wil dat soort materiaal buiten beboeting of bestraffing blijven, is een verbod op gebruik nodig. De Belastingdienst is niet erg scheutig in het uit eigen beweging doen van die toezegging, zonder procedure. Het is mij niet duidelijk geworden of ook na beboeting in een procedure daarover dezelfde belemmering nog steeds kan worden opgeworpen.

Conclusie

Wellicht is de winst van dit kort geding dus de ‘toezegging’ dat wilsafhankelijk materiaal niet voor beboeting of bestraffing mag worden gebruikt. Want verder lijkt de uitkomst de voorspelbare: informatie moet worden verstrekt, medewerking verleend en een informatiebeschikking kan niet worden afgedwongen. Bij gebreke aan de processtukken kan ik niet beoordelen of de doorlopen gemeenplaatsen in de uitspraak recht doen aan de gevoerde discussie. Duidelijk moge zijn dat bij niet (vooraf) duidelijk verwoorde redenen waarom bepaalde stukken niet kunnen of hoeven te worden verstrekt, dan wel andere keuzes zouden moeten worden gemaakt, de uitkomst medewerking onder verbeurte van een dwangsom is.

mr. B.J.G.L. Jaeger
jaeger@jaeger.nl

Stuur een reactie naar de auteur