Mag de Belastingdienst bankafschriften opvragen?
Alle pagina's gelinkt aan
De vraag of de Belastingdienst bankafschriften mag opvragen werd meestal met ‘ja’ beantwoord. De Belastingdienst heeft die bevoegdheid namelijk op grond van de wet, waarbij het recht op privacy moet wijken voor het maatschappelijk belang van fiscale controles. Maar sinds de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 januari 2026 lijkt het antwoord op die vraag een stuk genuanceerder te liggen. Het Hof oordeelt namelijk dat de wettelijke bevoegdheid van de Italiaanse Belastingdienst om informatie op te vragen te ruim geformuleerd is en dat er onvoldoende waarborgen zijn ingebouwd om het recht op privacy te garanderen. Vanwege de gelijkenissen met de Nederlandse fiscale praktijk sta ik in dit blog uitgebreid stil bij deze uitspraak van het EHRM.

De casus
De zaak gaat over twee Italianen: een particulier en een accountant. Zij kregen van hun bank een brief waarin stond dat de Italiaanse Belastingdienst hun bankafschriften had opgevraagd en dat de bank, vanwege de wettelijke verplichting daartoe, meewerkt aan dat informatieverzoek.
Het juridisch kader
Op grond van het Italiaanse recht kan de inspecteur van de Belastingdienst informatie opvragen bij banken over financiële transacties van belastingplichtigen in het kader van een fiscale controle. De inspecteur moet daarvoor wel toestemming hebben van een leidinggevende.
Net als in Nederland is het in Italië niet mogelijk bezwaar te maken tegen alle acties van de Belastingdienst. Alleen tegen bepaalde besluiten, zoals belastingaanslagen en boetes, kan bezwaar gemaakt worden. Dit wordt het gesloten stelsel van rechtsbescherming genoemd.
Alle 46 lidstaten van de Raad van Europa, waaronder alle EU-landen, zijn gebonden aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Artikel 8 van dat verdrag beschermt het recht op privacy. Het bepaalt ten eerste dat iedereen recht heeft op ‘respect voor zijn privéleven’ en ten tweede dat inmenging in het recht op privacy door de overheid (onder meer) is toegestaan als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat en de inmenging ‘noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land’.
Op grond van een Italiaanse circulaire (aanwijzing) is voor de Belastingdienst het recht om bankinformatie op te vragen beperkt tot bepaalde gevallen. Er moet bijvoorbeeld sprake zijn van belastingontduiking (fraude). Een andere circulaire schrijft voor dat de inspecteur (onder meer) een motivering moet geven waarom hij de bankinformatie opvraagt. Dergelijke beperkingen om informatie op te vragen bestaan in Nederland niet, althans die zijn niet bekend of openbaar te raadplegen.
Oordeel EHRM
In zijn uitspraak stelt het EHRM voorop dat met het raadplegen van bankafschriften een inbreuk wordt gemaakt het recht op privacy (paragrafen 55 en 56 van de uitspraak). Zo’n inbreuk is op grond van artikel 8 EVRM alleen toegestaan als die een wettelijke basis heeft en als aan andere voorwaarden is voldaan (zie hiervoor bovenstaand juridisch kader). Landen hebben daarbij een ruime beoordelingsmarge.
Het Hof vervolgt dat de wet voldoende duidelijk moet aangeven wat de reikwijdte is van een discretionaire bevoegdheid om privacygevoelige informatie op te vragen (par. 71). Hoewel het opvragen van bankinformatie door de Belastingdienst is toegestaan, moeten er voldoende en adequate waarborgen tegen willekeur bestaan, waaronder de mogelijkheid van een effectieve toetsing van het informatieverzoek aan de bank (par. 73). Aangezien de bevoegdheid van de Italiaanse inspecteur om informatie op te vragen bij een bank niet beperkt is, wordt niet voldaan aan het vereiste van een wettelijke basis. De circulaires leggen geen gewicht in de schaal omdat deze niet bindend zijn voor de belastinginspecteur. Hierbij wordt gewezen op jurisprudentie van de Italiaanse Hoge Raad waarin is geoordeeld dat een verzoek om informatie door de Belastingdienst geen motivering behoeft.
Omdat geen recht bestaat op rechterlijke toetsing voorafgaand aan de verstrekking van de gevraagde informatie, beoordeelt het Hof of er andere effectieve en adequate waarborgen zijn tegen misbruik en willekeur. Hierbij ligt de nadruk op de mogelijkheid van een latere onafhankelijke of rechterlijke toetsing. Dat is niet het geval. De mogelijkheid van een beroepsprocedure tegen een belastingaanslag biedt geen bescherming, omdat de belastingaanslag niet wordt aangetast door een onregelmatigheid (bij het opvragen van informatie). Van bescherming door de burgerlijke rechter is ook geen sprake omdat daarvan geen jurisprudentie bekend is die in het voordeel van de belastingplichtige is. Het Hof is van mening dat het nationale rechtskader de Belastingdienst onbeperkte discretionaire bevoegdheid biedt, zowel met betrekking tot de voorwaarden waaronder een informatieverzoek kan worden uitgevoerd, als de reikwijdte daarvan (par. 104). Het Hof oordeelt dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de betreffende inmengingen in het recht op privacy ‘in overeenstemming met de wet’ zijn, zoals vereist in artikel 8 van het EVRM (par. 105).
Relevantie voor de Nederlandse praktijk
Deze Italiaanse zaak is interessant vanwege de gelijkenissen met het Nederlandse recht. In Nederland kan de inspecteur de bank ook verzoeken financiële informatie te verstrekken (dit heet derdenonderzoek). De wet is ruim geformuleerd en er zijn geen (bindende) circulaires bekend waarmee de bevoegdheid van de inspecteur wordt ingeperkt.
Qua jurisprudentie zijn er ook gelijkenissen. De Hoge Raad heeft in een arrest uit 1998 geoordeeld dat het voorkomen van belastingfraude en controle in het algemeen een rechtvaardiging kan vormen voor een inbreuk op het recht op privacy. Een beroep op privacy wordt door de belastingrechter doorgaans afgewezen omdat de inmenging in de privacy bij wet is voorzien, een legitiem doel heeft en (meestal) proportioneel is. De Hoge Raad overwoog in de zogenoemde FSV-arresten dat schending van een grondrecht vanwege de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door de Belastingdienst slechts in uitzonderlijke gevallen tot vermindering van een belastingaanslag kan leiden.
Daarentegen werd het gebruik van politie-camera’s langs snelwegen om de bijtelling van personenauto’s te controleren (zonder wettelijke basis) door de Hoge Raad in de zogenoemde ANPR-arresten in strijd geacht met het recht op privacy. A-G Niessen concludeerde voorafgaand aan dat arrest dat de informatie die onbevoegd door de inspecteur is verkregen niet kan worden gebruikt ter onderbouwing van een aanslag. Ook bieden de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur bescherming tegen verzoeken van de Belastingdienst om informatie te verstrekken waarvan het bestaan slechts wordt vermoed (zogenaamde ‘fishing expeditions’) of zeer ruime, onevenredige, informatieverzoeken.
Het voorgaande geldt ook voor informatieverzoeken aan de belastingplichtige zelf. Daarbij geldt echter dat de belastingplichtige in principe kan weigeren informatie te verstrekken, waarmee de vraag of de inspecteur bevoegd is de verzochte informatie op te vragen kan worden voorgelegd aan de belastingrechter als de inspecteur een informatiebeschikking oplegt. Het opleggen van een informatiebeschikking is echter een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur, waar de belastingplichtige bovendien weinig aan heeft als de rechter het recht op privacy eenvoudig pareert door te wijzen op het algemene belang van belastingheffing en fiscale controles.
Er is ook redelijk wat jurisprudentie van de burgerlijke rechter over het opvragen van bankafschriften van zogenoemde zwartspaarders, maar daarin wordt niet of nauwelijks aandacht besteed aan het privacy-aspect van dergelijke informatieverzoeken.
Hoewel de Nederlandse jurisprudentie de belastingplichtige meer bescherming lijkt te bieden dan de Italiaanse, zijn er gelijkenissen tussen de Nederlandse en Italiaanse praktijk. Het is daarom niet uitgesloten dat ook de Nederlandse fiscale praktijk in strijd is met het EVRM.
Conclusie
De uitspraak van het EHRM van 8 januari 2026 markeert een belangrijke nuancering op de tot dusver breed aanvaarde opvatting dat de Belastingdienst zonder veel beperkingen bankafschriften mag opvragen. Het Hof maakt duidelijk dat een wettelijke bevoegdheid op zichzelf niet volstaat: de wet moet voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd en gepaard gaan met effectieve en toetsbare waarborgen tegen een willekeurige inbreuk op het recht op privacy.
De Italiaanse regelgeving schiet volgens het EHRM tekort, omdat de bevoegdheid van de belastinginspecteur te ruim is geformuleerd en omdat zowel voorafgaande als onafhankelijke en effectieve (rechterlijke) toetsing achteraf ontbreekt. Dat leidt ertoe dat het opvragen van bankafschriften in de voorgelegde zaak niet kan worden aangemerkt als een inbreuk ‘in overeenstemming met de wet’ in de zin van artikel 8 EVRM.
Voor de Nederlandse praktijk is deze uitspraak relevant. Ook in Nederland is de wettelijke grondslag voor het opvragen van bankinformatie ruim en ontbreken expliciete wettelijke beperkingen of publiek kenbare beleidsregels die de discretionaire bevoegdheid van de inspecteur inkaderen. Hoewel de Nederlandse rechtsbescherming op onderdelen verder gaat dan de Italiaanse, is niet zonder meer duidelijk dat zij voldoet aan de door het EHRM gestelde eisen van voorzienbaarheid, proportionaliteit en effectieve rechterlijke controle.
De uitspraak werpt daarmee de vraag op of het Nederlandse stelsel in alle gevallen EVRM-proof is. Het is niet uitgesloten dat ook in Nederland het ontbreken van duidelijke wettelijke grenzen en effectieve toetsingsmogelijkheden bij het opvragen van bankafschriften tot strijdigheid met artikel 8 EVRM leidt. Deze uitspraak biedt belastingplichtigen in ieder geval nieuwe aanknopingspunten om informatieverzoeken van de Belastingdienst kritisch te laten toetsen aan het recht op privacy.
Stuur een reactie naar de auteur