Art. 6 en 13 evrm en het gelijkheidsbeginsel verzetten zich niet tegen de heffing van griffierechten bij bestuurlijke boeten

Samenvatting


Belanghebbende stelt beroep in tegen een bestuurlijke boete (verzuimboete). Vanwege een omissie is het griffierecht niet voldaan. Belanghebbende is echter van mening dat sowieso geen griffierechten mogen worden geheven omdat dit in strijd is met (i) art. 6 en 13 van het EVRM en (ii) het gelijkheidsbeginsel omdat in strafzaken geen griffierechten worden geheven. De rechtbank heeft die verweren verworpen en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat ook in de verzetprocedure het gelijk niet aan de belanghebbende is. Uit de jurisprudentie volgt, aldus het oordeel van de Hoge Raad,dat strijd met art. 6 en 13 EVRM pas aan de orde is als de heffing van griffierechten leidt tot een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter. Aangezien belanghebbende hierover niets heeft gesteld bij de rechtbank of in zijn processtukken kan een dergelijke schending niet worden aangenomen. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel oordeelt de Hoge Raad dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en dat niet kan worden geoordeeld dat het onderscheid tussen bestuurszaken (bestuurlijke boeten) en strafzaken een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert.

Uitspraak


Het geschil betreft de naheffingsaanslag omzetbelasting 2013.

OP HET BEROEP IN CASSATIE VAN BELANGHEBBENDE OVERWEEGT DE HOGE RAAD:

2.1
De Rechtbank heeft verworpen het betoog van belanghebbende dat voor het instellen van haar beroep, dat uitsluitend een verzuimboete betreft, niet de betaling van griffierecht mag worden geëist omdat evenmin griffierecht is verschuldigd voor de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.

2.2
De middelen richten zich tegen de verwerping van het hiervoor in 2.1 weergegeven betoog van belanghebbende. De middelen doen daartoe een beroep op de artikelen 6 en 13 van het EVRM almede op het gelijkheidsbeginsel.

2.3.1
Anders dan middel 1 betoogt, verzetten de artikelen 6 en 13 EVRM zich niet tegen de heffing van griffierecht voor de behandeling van een beroep over een bestuurlijke boete. Strijdigheid met die bepalingen doet zich pas voor indien een zodanig bedrag aan griffierecht wordt geheven, dat dit – mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijn de belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt (vgl. HR 10 januari 2001,ECLI:NL:HR:2001:AA9393, en ook EHRM 20 december 2007, 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd/Armenië ,ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803, par. 48). Uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor de Rechtbank heeft aangevoerd dat voor haar het verschuldigde bedrag aan griffierecht– mede gelet op de voor haar in het geding zijnde belangen – een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter heeft gevormd. Het middel faalt daarom.

2.3.2
Middel 2 verzet zich in wezen tegen de wettelijke regeling die heffing van griffierecht voorschrijft (artikel 8:41 Awb), omdat griffierecht is verschuldigd voor de behandeling door de bestuursrechter van beroepen tegen opgelegde bestuurlijke boeten,maar niet bij de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II 1984/85, 18835, 3 , p. 6, en Kamerstukken II 1991/92, 22495, 3 , p. 125).Niet kan worden gezegd dat dit oordeel van de wetgever evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Gelet op de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid kan daarom niet worden gezegd dat het hiervoor bedoelde onderscheid met strafzaken, als al kan worden gesproken van gelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert. Vaneen ongelijke behandeling in strijd met enige voor Nederland bindende verdragsbepaling is geen sprake. Middel 2 faalt daarom ook.

Noot


Auteur: mr. M.H.W.N. Lammers

Op grond van art. 8:41 lid 1 Awb wordt van elke indiener van een beroepschrift een griffierecht geheven. De griffier maakt hiervan melding aan de belanghebbende (lid 4). Vervolgens bepaalt lid 5 dat het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht of ter griffie zijn gestort. Wordt het griffierecht niet tijdig voldaan dan, zo heeft belanghebbende in de onderhavige zaak ook ervaren, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard (lid 6). Hierop is echter wel een uitzondering. Indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest, dan blijft de niet-ontvankelijk verklaring achterwege. De praktijk wijst uit dat een dergelijke uitzonderingssituatie niet snel wordt aangenomen. Wellicht is dat ook de reden waarom belanghebbende het in deze zaak over een andere boeg gooit. Een boeg die, op voorhand gezegd, ook weinig kans van slagen had.
De Hoge Raad is in Nederland de cassatierechter waardoor het takenpakket beperkt is. In cassatie kan uitsluitend worden geklaagd over de verkeerde toepassing van het recht door rechtbank en gerechtshof en of deze instanties hun uitspraak voldoende hebben gemotiveerd. De Hoge Raad doet dus geen onderzoek naar de feiten en omstandigheden maar gaat uit van de feiten die de rechtbank of het gerechtshof heeft vastgesteld. Anders gezegd: de Hoge Raad oordeelt of het logisch/begrijpelijk is dat de rechtbank of het gerechtshof op basis van de feiten die zijn vastgesteld tot de uitspraak is gekomen. Is het antwoord bevestigend, dan is het cassatieberoep ongegrond.
Het eerste cassatiemiddel van belanghebbende gaat ervan uit dat de heffing van griffierechten in strijd is met art. 6 en 13 EVRM. Dit cassatiemiddel stuit enerzijds af op het takenpakket van de Hoge Raad en anderzijds op vaste rechtspraak van zowel de Hoge Raad als het EHRM. Om met dit laatste te beginnen. Het EVRM – de volledige naam van dit verdrag zegt het eigenlijk al – is een verdrag waarin mensen- en burgerrechten voor alle inwoners van de verdragsluitende staten zijn opgenomen. Art. 6 van dit verdrag garandeert, kort gezegd, het recht op een eerlijk proces en art. 13 EVRM vereist een effectief rechtsmiddel waarmee een niet-omkeerbare inbreuk op de rechten en vrijheden uit het EVRM kan worden voorkomen. Uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM volgt dat de toegang tot de rechter geen absoluut recht is en aan beperkingen mag worden onderworpen. Die beperkingen mogen echter niet dusdanig zijn dat sprake is vaneen wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter. Belanghebbende had zich derhalve bewust kunnen (of moeten)zijn van het feit dat zijn standpunt dat het heffen van griffierechten in strijd is met art. 6 en 13 EVRM, het niet zou halen. Van belang is ook dat belanghebbende moet stellen (en bewijzen) dat sprake is van belemmerende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld dat zijn financiële situatie niet toereikend is om het verzochte griffierecht te voldoen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699, FED 2014/41, m.nt. Thomas). Ook daar schort het in deze zaak aan. Uit de uitspraak van de rechtbank noch uit de processtukken volgt namelijk dat belanghebbende dit standpunt heeft ingenomen. Aangezien belanghebbende daarover niets heeft gezegd, kon de rechtbank daarover ook geen oordeel vellen en kan de Hoge Raad dat in cassatie evenmin. Het takenpakket van de Hoge Raad laat immers niet toe dat onderzoek naar de feiten wordt gedaan.
Het tweede cassatiemiddel van belanghebbende ziet op de schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende is van mening dat dit beginsel wordt geschonden omdat bij een beroepsprocedure over een bestuurlijke boete wel griffierechten worden geheven en bij een strafzaak niet. Het gelijkheidsbeginsel verplicht de overheid om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Een beroep op dit beginsel slaagt in de praktijk niet vaak. De reden daarvoor is dat niet snel sprake is van exact gelijke gevallen en omstandigheden. Maar zelfs als sprake is van gelijke gevallen dan staat niet automatisch vast dat bij een afwijkende behandeling het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In een dergelijke situatie kunnen er namelijk redenen zijn om af te wijken van de andere aanpak. Als die redenen voldoende zijn gemotiveerd kunnen gelijke gevallen dus ongelijk worden behandeld. De Hoge Raad beoordeelt in deze zaak niet eerst of sprake is van gelijke gevallen, maar pakt direct door naar de toets of redenen aanwezig zijn om verschillend te handelen bij deze twee rechtsgebieden. Het tweede cassatiemiddel ketst op deze redenen af. De Hoge Raad is van mening dat de redenen die de wetgever heeft – en die in de parlementaire geschiedenis ook naar voren zijn gekomen – om in zaken voor de bestuursrechter wel griffierechten te heffen en in zaken voor de strafrechter niet, voldoende gemotiveerd zijn. Bovendien komt de wetgever op dit punt een ruime beoordelingsvrijheid toe en is de wetgever binnen die vrijheid gebleven, aldus de Hoge Raad.De twee cassatiemiddelen van belanghebbende treffen dan ook geen doel.

Dit bericht werd geplaatst in: Fiscale procedures

Stuur een reactie naar de auteur