Aan het in rekening brengen van belastingrente bij een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag wordt strikt de hand gehouden


Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Enkele maanden later, voor de ontvangst van de voorlopige aanslag, komt belanghebbende erachter dat in die aangifte een bedrag aan voorheffing was begrepen dat in de aangifte van haar echtgenoot had moeten worden verwerkt.
Voor de ontvangst van de voorlopige aanslag stuurt belanghebbende een herziene aangifte aan de Belastingdienst. Die herziene aangifte en de voorlopige aanslag kruisen elkaar, waardoor in de voorlopige aanslag een aanzienlijke teruggave is opgenomen die ook aan belanghebbende wordt uitbetaald. Vervolgens verzoekt belanghebbende expliciet om de voorlopige aanslag te herzien. Dat verzoek wordt de inspecteur verwerkt waarna een voorlopige aanslag met een aanzienlijk te betalen bedrag volgt. Daarbij brengt de inspecteur ook een fors bedrag aan belastingrente in rekening. Belanghebbende is het daar niet mee eens en procedeert daarover tevergeefs tot in hoogste instantie. De regeling omtrent het in rekening brengen van belastingrente wordt namelijk strikt gehanteerd waardoor belanghebbende over de periode 1 juli 2013 (6 maanden voor 1 januari 2014) tot en met 16 juni 2014 (10 maart 2014 plus 14 weken) belastingrente is verschuldigd.
Het geschil betreft de beschikking inzake belastingrechte voor het jaar 2012.

Op het beroep in cassatie van belanghebbende en het incidentele beroep in cassatie van de staatssecretaris overweegt de hoge raad:


2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1. Op 17 december 2013 heeft belanghebbende voor het jaar 2012 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. In de aangifte is een bedrag aan te verrekenen dividendbelasting vermeld van € 1.100.644. Met dagtekening 21 februari 2014 heeft de Inspecteur op basis van deze aangifte een voorlopige aanslag vastgesteld met een door belanghebbende te ontvangen bedrag van € 1.051.833.
2.1.2. Op 11 februari 2014 heeft de Inspecteur van belanghebbende voor het jaar 2012 een gewijzigde
aangifte ontvangen, waarin een bedrag van € 47.167 aan te verrekenen dividendbelasting is vermeld. Belanghebbende en haar echtgenoot hebben alsnog ervoor gekozen om een bedrag van € 1.053.477 aan te verrekenen dividendbelasting bij de echtgenoot in aanmerking te nemen. 2.1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 7 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de in 2.1.1 bedoelde voorlopige aanslag. Deze brief is op 10 maart 2014 door de Inspecteur ontvangen.
2.1.4. De Inspecteur heeft een nadere voorlopige aanslag met dagtekening 16 mei 2014 vastgesteld, met een door belanghebbende te betalen bedrag aan belasting van € 1.053.477. Gelijktijdig met deze voorlopige aanslag is aan belanghebbende bij beschikking € 33.886 belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2013 tot en met 27 juni 2014.2.2. Voor het Hof was in geschil of aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht.2.3. Het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur terecht belastingrente aan belanghebbende in rekening heeft gebracht, maar dat hij er geen rekening mee heeft gehouden dat volgens artikel 30fb van de AWR bij herziening van een voorlopige aanslag overeenkomstig een op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend verzoek het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek eindigt. Het Hof heeft vervolgens beslist dat het door belanghebbende bij brief van 7 maart 2014 ingediende bezwaar als een zodanig verzoek moet worden aangemerkt en dat daarom aan haar van 1 juli 2013 tot uiterlijk 13 juni 2014 belastingrente in rekening gebracht kan worden. 3 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen. De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechts eenheid of de rechtsontwikkeling. 4 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

4 .1. Het middel richt zich tegen het in 2.3 vermelde oordeel van het Hof.
4.2.1. Het middel faalt voor zover het ertoe strekt dat het Hof de brief van belanghebbende van 7 maart 2014 ten onrechte heeft aangemerkt als een ‘op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend’ ver-zoek tot herziening van de voorlopige aanslag van 21 februari 2014.
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat de Inspecteur zich bij de behandeling in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag op andere wijze gedaan had behoren te worden en dat dit belanghebbende bekend kon zijn. Om die reden kan in cassatie niet worden geklaagd over het oordeel dat de brief van 7 maart 2014, die ertoe strekt dat de voorlopige aanslag zal worden gewijzigd, is aan te merken als een op een door de Inspecteur aangegeven wijze gedaan verzoek tot herziening van die voorlopige aanslag.
4.2.2. Het middel treft daarentegen doel voor zover het erover klaagt dat het Hof is uitgegaan van de datum van verzending van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag in plaats van de datum van ontvangst van dat verzoek, zoals bepaald in artikel 30fb, lid 4, tweede volzin, van de AWR.4.3. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur het verzoek tot herziening heeft ontvangen op 10 maart 2014.

Noot


Bij het lezen van dit arrest van de Hoge Raad komt het beeld van ‘rupsje Nooitgenoeg’ een rupsje dat altijd honger heeft direct op mijn netvlies. In dit geval is, zoals u zult begrijpen, de Belastingdienst het ‘rupsje’ en bestaat de ‘honger’ uit het incasseren van zoveel mogelijk rente: enerzijds rente over een bedrag op de eigen rekening en anderzijds het in rekening brengen van belastingrente aan de belastingplichtige over diezelfde periode wegens gemiste rente. Met de invoering van het Belastingplan 2012 is een nieuwe renteregeling ingevoerd. Daarbij zijn zowel regels opgesteld voor het heffen als voor het vergoeden van rente. Aan een belastingplichtige wordt rente in rekening gebracht als het opleggen van een aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag door toedoen van die belastingplichtige te lang duurt. Anderzijds vergoedt de inspecteur belastingrente als hij er te lang over doet om een aanslag met een uit te betalen bedrag vast te stellen, indien die aanslag overeenkomstig de ingediende aangifte of een ingediend (herzienings)verzoek is. Doel van de regeling is het voorkomen van rentederving aan de zijde van de Belastingdienst. Bij de uitwerking van de regeling blijkt in de praktijk echter dat de regeling zijn doel voorbij schiet. Niet alleen wordt namelijk voorkomen dat de Belastingdienst rente te kort komt. De Belastingdienst schroomt er niet voor om ook belastingrente in rekening te brengen over perioden waarin het geldbedrag gewoon op de rekening van de Belastingdienst stond en de Belastingdienst hierover dus rente kon ontvangen. Deze gang van zaken is ook binnen de Belastingdienst opgevallen, zo volgt uit informatie die in het kader van een Wob-verzoek boven tafel is gekomen. Uit de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 1 maart 2017, 2017-0000010761, V-N 2017/20.11 volgt dat op 23 november 2015 en op 30 september 2016 vergaderingen van de Landelijke vakgroep Formeel recht hebben plaatsgevonden. Van deze vergaderingen zijn verslagen opgesteld. Uit het verslag van 23 november 2015 volgt dat het in de praktijk kan voorkomen dat belastingrente wordt berekend over een periode dat de Belastingdienst de beschikking had over het geld. De Belastingdienst heeft dan geen rentenadeel en het zou reëel zijn de in rekening gebrachte rente op verzoek te verminderen, aldus de Landelijke vakgroep. Voorgesteld wordt om in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht hiervoor een passage op te nemen. Uit het naschrift bij het verslag blijkt dat die passage er niet komt. Wel wordt in dit naschrift opgemerkt dat de inspecteur, met een toepassing en in het licht van doel en strekking van de belastingrenteregeling, geen rente berekent over de periode dat het geld al bij de fiscus was. De enige kanttekening die daarbij wordt gemaakt is dat geen (andere) rentevergoeding heeft plaatsgevonden bij de eerdere terugbetaling. Kennelijk is de Landelijke vakgroep vervolgens teruggefloten door de staatssecretaris. Uit het verslag van 30 september 2016 volgt namelijk dat de Landelijke vakgroep de inspecteurs attendeert op de antwoorden die de staatssecretaris op Kamervragen heeft gegeven. De insteek van die antwoorden is dat een strakke interpretatie moet worden gehanteerd. Die lijn moet door de inspecteurs worden gevolgd, maar ook nu wordt een kanttekening gemaakt. In incidentele gevallen kan er aanleiding zijn om de rente te matigen gelet op de bijzonderheden van het geval. Daarbij wordt als voorbeeld de situatie aangehaald dat rente wordt berekend over een periode waarin het geld al bij de fiscus stond. In dit geval past de slogan ‘leuker kunnen we het niet maken, makkelijker wel’, dan ook meer bij de Belastingdienst dan bij de belastingplichtige. Wat ik niet goed begrijp is dat als dit ‘beleid’ door de Belastingdienst wordt uitgevoerd, dus in incidentele gevallen kan tot matiging van de belastingrente worden overgegaan, de inspecteur in deze zaak daaraan geen gehoor geeft. Met de informatie die in deze zaak beschikbaar is, is het overduidelijk dat aan de belastingplichtige rente in rekening wordt gebracht over een periode dat het geld op de rekening van de Belastingdienst stond. Opmerkelijk in dit kader is ook dat zowel het hof als de Hoge Raad voor het bepalen van de einddatum van het tijdvak waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht, uitgaan van de brief van 7 maart 2014 die op 10 maart 2014 door de inspecteur is ontvangen. Uit de feiten volgt dat belanghebbende op 11 februari 2014 een herziene aangifte aan de Belastingdienst heeft gezonden en dat die aangifte ook op 11 februari 2014 door de Belastingdienst is ontvangen. Hof ’s-Hertogenbosch gaat in de uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2769 uit van die datum waarop vervolgens de veertien weken termijn op los wordt gelaten. Als dat in deze zaak ook was gedaan, dan had belastingrente in rekening mogen worden gebracht tot 20 mei 2014. Dat scheelt toch weer drie weken. Dan als laatste nog een formeel punt. In het incidentele beroep in cassatie heeft de staats secretaris ook een middel opgenomen over het oordeel van het ge rechts hof dat het verzoek van belanghebbende niet ‘op de door de inspecteur aangegeven wijze is ingediend’. Door de gemachtigde van belanghebbende is namelijk eerst een herziene aangifte ingediend en is vervolgens bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag. De staats secretaris is echter van mening dat op grond van art. 9.5 Wet IB 2001 moet worden verzocht om herziening van de voorlopige aanslag. De beslissing van de inspecteur daarop is pas een voor bezwaar vatbare beschikking. Met dit standpunt lijkt de staats secretaris te proberen om de hele discussie in de ‘doofpot’ te willen stoppen omdat als de Hoge Raad hierin mee zou gaan, de hele zaak niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Die vlieger van de staats secretaris gaat alleen niet op, omdat hiervan in de eerdere fases geen punt is gemaakt. In cassatie mogen, zoals voor de staats secretaris toch ook bekend zou moeten zijn, geen nieuwe feitelijke stellingen naar voren worden gebracht, zodat de Hoge Raad dit terecht terzijde legt. Maar nog afgezien daarvan, lijkt mij dit standpunt van de staats secretaris ook geen hout te snijden. Een verzoek is niet een verzoek omdat er ‘verzoek’ boven staat, maar gekeken moet worden naar de inhoud van het geschrift. Uit dat geschrift volgt dat het doel was de voorlopige aanslag te herzien. In die zin voldoet het geschrift aan de eisen. Het tweede standpunt dat de staats secreta ris ten aanzien van deze kwestie inneemt, is dat het verzoek moet worden ingediend ‘op de door de inspecteur aangegeven wijze’. Daarmee doelt de staats secreta ris op het door de Belastingdienst beschikbaar gestelde formulier. De staats secretaris verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar art. 9.5 lid 1 Wet IB 2001 en art. 23 Uitvoeringsregeling AWR 1994. In beide artikelen wordt echter niet verwezen naar een formulier dat de Belastingdienst hiervoor ter beschikking heeft gesteld. Sterker
nog, in de artikelen is alleen opgenomen ‘een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige’. De
stelling dat het door de Belastingdienst ontworpen formulier hiervoor verplicht moet worden gebruikt,
acht ik dan ook onjuist.

mw. mr. M.H.W.N. Lammers

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur