NLF 2026/0011: Berekening verzuimboete; wijziging Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

SAMENVATTING

Deze zaak gaat in cassatie alleen nog over een verzuimboete van € 984 die aan X (belanghebbende) is opgelegd omdat zij had verzuimd voor het jaar 2011 aangifte te doen voor de IB/PVV. De boete is conform de voor het jaar 2011 geldende tekst van het BBBB vastgesteld op 20% van het wettelijk boetemaximum van € 4.920, omdat X voor de tweede achtereenvolgende maal in verzuim was.

Hof Den Bosch heeft deze boete verminderd met 50% tot € 492 vanwege de financiële omstandigheden van X.

Daarbij was door de Inspecteur en het Hof echter over het hoofd gezien dat het BBBB na 2011 is gewijzigd en dat als gevolg van die wijziging (ook bij een tweede verzuim) de boete in beginsel niet hoger is dan 7% van het boetemaximum, zijnde € 344.

Volgens A-G Koopman moet X profiteren van deze voor haar gunstige wijziging van het BBBB. Weliswaar bepaalt de inwerkingtredingsparagraaf van het wijzigingsbesluit dat die wijziging geldt met ingang van het belastingjaar 2014, maar die bepaling wordt opzij gezet door de algemene regel dat bij een wijziging van het recht de voor de ‘verdachte’ meest gunstige bepaling moet worden toegepast.

Volgens de A-G moet de boete van € 344 niet verder worden verminderd met 50% vanwege de financiële omstandigheden van X.

De A-G concludeert tot vermindering van de boete door de Hoge Raad tot € 344.

NOOT

Er komt weinig rechtsduiding kijken bij de slotsom dat de opgelegde boete verder moet worden verlaagd vanwege een versoepeling van het boetebeleid in 2015. Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende voor het overige voldoende heeft aangevoerd voor matiging van de boete trekt A-G Koopman een vergelijking met het (strafprocesrechtelijke) leerstuk van het ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’. Ik vind het niet passend om deze strafvorderlijke norm toe te passen in een bestuursrechtelijke boetezaak.

Boetebeleid aangepast

De rechter toetst ambtshalve, uit eigen beweging, of de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.1 In dit geval was er wel geklaagd over de boete bij het Hof, maar pas in cassatie werd gewezen op een relevante aanpassing van het boetebeleid. De verzuimboete voor het niet doen van aangifte IB 2011 was opgelegd conform de voor dat jaar geldende tekst van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB). De boete was aldus vastgesteld op 20% van het wettelijk boetemaximum van € 4.920, omdat belanghebbende voor de tweede achtereenvolgende keer in verzuim was. Het Hof heeft deze boete verminderd met 50% tot € 492 vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. Door de procespartijen en de rechter was over het hoofd gezien dat het BBBB in 2014 werd gewijzigd en dat als gevolg van die wijziging (ook bij een tweede verzuim) de boete in beginsel niet hoger is dan 7% van het boetemaximum, zijnde € 344.

De A-G licht toe dat uit artikel 7 EVRM en artikel 15 IVBPR volgt dat voor de verdachte gunstige strafbepalingen terstond moeten worden toegepast. Dit volgt ook uit artikel 1, lid 2, Sr., dat op grond van artikel 5:46 Awb ook van toepassing is in bestuursrechtelijke boetezaken. De gunstigste strafbepaling moet worden toegepast zolang de zaak nog niet onherroepelijk is afgedaan. De A-G concludeert tot matiging van de boete tot 7% van het boetemaximum dat gold toen het verzuim werd begaan (in 2014). De verhogingen van het boetemaximum in 2015 (het jaar waarin de boete werd opgelegd) en daarna acht hij niet relevant. Tot zover een helder verhaal.

Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt

Belanghebbende heeft voor het Hof een beroep gedaan op ‘verzachtende omstandigheden’: detentie, het vele dat op haar afkwam, medische klachten, haar slechte financiële situatie en de op ‘alles’ gelegde (strafvorderlijke) beslagen. Dit alles heeft het Hof besproken in het kader van de vraag of de bewijslast is omgekeerd en verzwaard (voor de heffing). Bij het beoordelen van de boete zijn deze aspecten niet opnieuw besproken door het Hof, met uitzondering van de financiële situatie; op dat punt werd belanghebbende gevolgd. Kleeft er daarom een motiveringsgebrek aan de uitspraak? Voor de beantwoording van die vraag kan volgens de A-G met een schuin oog worden gekeken naar de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken. Uit artikel 359 Sv. volgt, kort gezegd, dat de strafrechter in het vonnis moet reageren op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdachte of de officier van justitie. Dit kan ook zien op de strafmaat. Het komt mij voor dat deze bepaling enerzijds bewerkstelligt dat de rechter in het vonnis reageert op standpunten van procespartijen als onderdeel van het recht op een eerlijk proces en anderzijds de rechter in bescherming neemt door niet van hem te verlangen dat hij op elke losse flodder reageert. Artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, Awb schrijft voor dat de (bestuurs)rechter zijn uitspraak motiveert. Dit betekent dat de rechter over voor de geschilbeslechting relevante stellingen en standpunten van partijen een oordeel moet geven.2 Het moet de A-G worden toegegeven dat er licht zit tussen het strafvorderlijke criterium en het bestuursrechtelijke, waarbij het strafvorderlijke criterium strengere eisen stelt aan een standpunt alvorens de rechter erop moet reageren. Er is echter geen goede grond om dat strengere criterium toe te passen in belastingzaken. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag en daarnaast is in strafzaken bijstand door een advocaat de norm. Ik vind het niet vreemd dat aan een advocaat in strafzaken hogere eisen gesteld worden dan aan een belastingplichtige die zonder bijstand procedeert bij de bestuursrechter. Door in casu de boete gemotiveerd te verlagen en tevens in te gaan op de overige verweren, in het kader van de bewijslastverdeling, heeft het Hof naar mijn mening voldoende duidelijk gemaakt dat en waarom verdere verlaging van de boete naar zijn oordeel niet aan de orde is.

mr. N. van den Hoek
020 – 676 04 81


Voetnoten:

  1. Vgl. HR 10 juni 2011, 10/04843, ECLI:NL:HR:2011:BQ7637 en HR 18 januari 2008, 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8. ↩︎
  2. Vgl. HR 25 juni 2021, 19/05845, ECLI:NL:HR:2021:986NLF 2021/1451, met noot van Van Esdonk-Bongaarts en HR 24 mei 2019, 18/02897, ECLI:NL:HR:2019:786NLF 2019/1364, met noot van Van de Ven. ↩︎

Stuur een reactie naar de auteur