NTFR 2025/2047: Suppletieaangiften geen bezwaarschriften; bewijsbestemming in de zin van art. 225 WvSr

Rechtbank Overijssel, 13 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6794

Samenvatting

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zestien negatieve suppleties omzetbelasting, drie verzoeken om teruggaaf van accijns en omzetbelasting en een factuur ter onderbouwing van een van de suppleties valselijk heeft opgemaakt en ingediend bij de Belastingdienst. In totaal heeft verdachte een bedrag van € 10.510.930 teruggevraagd. De Belastingdienst heeft niets uitgekeerd. De rechtbank acht alle drie de feiten bewezen en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 35 maanden.

De rechtbank heeft zich – gelet op HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1847NTFR 2025/45, waarin is geoordeeld dat geen bewijsbestemming in de zin van art. 225 WvSr toekomt aan een bezwaarschrift voor zover dat ertoe strekt de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen – gebogen over de vraag of aan een suppletie omzetbelasting een bewijsbestemming in de zin van art. 225 WvSr toekomt. De rechtbank oordeelt dat in een suppletieaangifte – anders dan in het geval van een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift waarin een standpunt wordt ingenomen, te weten dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd – opgave wordt gedaan van een feit, te weten dat te veel of te weinig omzetbelasting is aangegeven en betaald. De rechtbank vervolgt dat de belastingplichtige wettelijk verplicht is om die opgave te doen, hetgeen niet geldt voor de indiening van een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift. Daarbij is volgens de rechtbank niet van belang of aan de suppletieaangifte een aangifte/aanslag vooraf is gegaan. En dus is er in deze zaak volgens de rechtbank sprake van een bewijsbestemming.

Noot

Art. 10a AWR jo. art. 15 Uitv.besl. OB 1968 verplicht belastingplichtigen om hun btw-aangifte door middel van het daarvoor bestemde suppletieformulier te corrigeren. Uit de memorie van toelichting volgt dat het formaliseren plaatsvindt via een naheffingsaanslag of een ambtshalve teruggaaf, waarbij de Belastingdienst een verzoek om teruggaaf behandelt als een (te laat) ingediend bezwaarschrift tegen de eigen aangifte.1

Het indienen van een suppletieaangifte waarin opzettelijk te veel omzetbelasting wordt teruggevraagd, wordt door het OM vervolgd op grond van art. 225 WvSr (valsheid in geschrift), en niet op grond van art. 69 AWR (opzettelijk onjuiste belastingaangifte). Lange tijd speelde de vraag of een suppletieaangifte kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen (bewijsbestemming), geen rol. Zo veroordeelde rechtbank Amsterdam in 2018 een verdachte op grond van art. 225 WvSr voor het gebruikmaken van valse suppletieaangiften.2 Dat vonnis werd twee jaar later bekrachtigd door hof Amsterdam.3 In 2022 en in 2024 was dit bij de rechtbank Overijssel ook geen punt van discussie.4

De bewijsbestemming-discussie laaide op na het in de onderhavige zaak aangehaalde arrest HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1847 (NTFR 2025/45, met noot van Beune). In die zaak legde de inspecteur eerst ambtshalve een aanslag Vpb 2009 op met dagtekening 31 maart 2011. Daartegen maakte de belastingplichtige op 10 mei 2011 ongemotiveerd bezwaar. Met dagtekening 3 maart 2012 legde de inspecteur ambtshalve een aanslag Vpb 2010 op. En op 15 juli 2012 deed de belastingplichtige alsnog aangiften Vpb voor die beide jaren 2009 en 2010. De vraag die vervolgens centraal stond, was of de aangiften Vpb voor 2009 en 2010 een bewijsbestemming hadden in de zin van art. 225 WvSr. Uitgangspunt is dat aan een bezwaarschrift dat een belastingaanslag vermindert, geen bewijsbestemming in de zin van art. 225 WvSr toekomt.5 Dat komt omdat bezwaar maken inhoudt dat een standpunt in een geschil wordt ingenomen. Een standpunt is geen feit, maar een mening omtrent de juiste rechtstoepassing ten aanzien van een geschilpunt. Zo’n mening heeft in het maatschappelijke verkeer geen bewijsbestemming. Het hof oordeelde dat allebei de aangiften Vpb bezwaarschriften waren, maar wel bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Dat oordeel achtte de Hoge Raad onjuist, omdat aan een bezwaarschrift, ook al heeft dit de vorm van een aangifte(biljet), geen bewijsbestemming toekomt. De Hoge Raad verwees de zaak terug naar hof Amsterdam.

Ik ben benieuwd hoe hof Amsterdam gaat oordelen en of het hof bij zijn beoordeling onderscheid maakt tussen de jaren 2009 en 2010. De belastingplichtige heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag over 2009, waardoor de latere aangifte Vpb 2009 als grond en/of motivering van dat bezwaarschrift dient te gelden. Met andere woorden: die aangifte is onderdeel van het bezwaarschrift en heeft dus geen bewijsbestemming. De feiten voor het jaar 2010 liggen anders: de belastingplichtige heeft geen bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb 2010 en de aangifte Vpb 2010 werd buiten de bezwaartermijn ingediend. De aangifte Vpb 2010 is dan geen bezwaarschrift, maar een verzoek om ambtshalve vermindering. De vraag is dan of zo’n verzoek qua bewijsbestemming moet worden behandeld op gelijke wijze als een standpunt in een geschilsituatie.

Na het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2024 volgden diverse uitspraken van de rechtbank Overijssel, waarin werd geoordeeld dat aan suppletieaangiften geen bewijsbestemming als bedoeld in art. 225 WvSr toekomt, omdat dit een tegen een belastingaangifte gericht bezwaarschrift is.6 De onderhavige zaak is interessant omdat de rechtbank op haar eerdere oordeel lijkt terug te komen. Zoals gezegd kent een bezwaarschrift, omdat dit een in een geschil ingenomen standpunt behelst, geen bewijsbestemming. Volgens de rechtbank bestaan er tussen een suppletieaangifte en een bezwaarschrift echter twee wezenlijke verschillen. In een suppletieaangifte doet de belastingplichtige opgave van een feit en is volgens de rechtbank geen sprake van een standpunt. Daarnaast is de belastingplichtige wettelijk verplicht om een suppletieaangifte te doen, iets wat niet geldt voor het indienen van een bezwaarschrift.

Of sprake is van een opgave van een feit of een standpunt lijkt afhankelijk te zijn van het antwoord op de vraag of sprake is van een geschil-situatie of niet. Daarom ben ik benieuwd wat hof Amsterdam gaat oordelen over de aangifte Vpb 2010, die moet worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Hoewel van een formeel geschil geen sprake meer is, omdat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan door het verstrijken van de bezwaartermijn, ben ik van mening dat het verzoek om ambtshalve vermindering qua strekking en status het best te vergelijken is met een bezwaarschrift. De belastingplichtige probeert immers, net als in een bezwaarschrift, de inspecteur over te halen de aanslag te verminderen. Een suppletieaangifte waarin de belastingplichtige omzetbelasting terugvraagt, is weer vergelijkbaar met een verzoek om ambtshalve vermindering. De uitspraak van het hof zal hier hopelijk duidelijkheid over bieden.

Sarah

mr. S.A.M. Verweij
verweij@jaeger.nl
06 – 28 51 01 33

Voetnoten

  1. Kamerstukken II 2011/12, 33004, nr. 3, p. 60. ↩︎
  2. Rechtbank Amsterdam 7 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:10117. ↩︎
  3. Hof Amsterdam 11 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:778. ↩︎
  4. Rechtbank Overijssel 26 september 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2691; rechtbank Overijssel 26 september 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:4978. ↩︎
  5. HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542NTFR 2017/3067, met noot van Steenman. ↩︎
  6. Rechtbank Overijssel 13 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:137; rechtbank Overijssel 17 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2449; rechtbank Overijssel 28 april 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:2593. ↩︎

Stuur een reactie naar de auteur