Bewijslast bij versturen van stukken: Overheid zwaar in het voordeel

  

Bewijslast bij versturen van stukken: Overheid zwaar in het voordeel

Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF





6NOVEMBER 2010
Op basis van de jurisprudentie is de conclusie welhaast onontkoombaar
dat de burger zich op grond van formele regels steeds vaker afgehou-
den ziet van inhoudelijke toetsing van zijn geschil. De doelstelling van
het bestuursrecht, en dus ook van het fiscaal procesrecht, om de regels
informeel genoeg te houden opdat zelfs de burger zonder bijstand kan
procederen, wordt daarmee nauwelijks waargemaakt. Een van de pro-
blemen is het binnen de geldende termijn maken van bezwaar en aan-
tekenen van beroep. In dit artikel volgt een analyse van de verschillen
bij het verzenden van berichten door de burger enerzijds en de overheid
anderzijds, de uitwerking die daaraan in de jurisprudentie wordt gege-
ven, alsmede de onmogelijke bewijspositie waarin de burger hierdoor
wordt gedrukt.
Bewijslast bij versturen van stukken:
overheid zwaar in het voordeel
Mr. B.J.G.L. Jaeger is als fiscaal advocaat verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen te
Amsterdam
LUDWIJN JAEGER

van een dienstverlener – is het begrijpelijk dat de overwe-ging toeschrijft naar de zorg die een dienstverlener heeft te betrachten. Er is echter weinig reden om te veronderstellen dat niet ook de gewone burger van genoemde ervaringsre-gels moet uitgaan en de reguliere postverzending niet mag vertrouwen.
Al in 1998 heeft de Hoge Raad bepaald dat in ieder geval een professioneel dienstverlener heeft zorg te dragen voor bewijs van deugdelijke verzending
Betrouwbare wijzen van verzenden
Volgens de Hoge Raad zijn er dus wijzen van verzending, anders dan per post, die meer zekerheid bieden op tijdige en deugdelijke ontvangst. Volgens de website van TNT Post wordt 99,7% op het juiste adres afgeleverd en wordt 95,1% van de post uit de brievenbussen daadwerkelijk binnen 24 uur bezorgd. Aangezien bij het versturen van bezwaar- en beroepschriften per post een vertragingstermijn van een week in acht wordt genomen, is de niet te verwaarlozen kans dat postbezorging faalt, nauwelijks groter dan 0,3%. Omdat de reguliere post geen verzendbewijs levert, komt hier ech-ter het risico van kwijtraken bij de geadresseerde bij. De conclusie lijkt me derhalve gerechtvaardigd dat het wellicht meer om dat verzendbewijs gaat, dan om het risico van fou-tieve bezorging, alhoewel de tamelijk recente berichtge-ving in de media over de betrouwbaarheid van bezorging de vraag opwerpt of het risico inmiddels niet is toegenomen en zal blijven toenemen.
Een alternatief voor de gewone postverzending is het aan-getekend versturen (al dan niet met handtekening retour). Ik vermoed dat de Hoge Raad met name op deze verzend-wijze als betrouwbaarder doelt, met tevens het voordeel dat een dienstverlener de verlangde extra zorg heeft betracht. Ik betwijfel evenwel of dit – waarschijnlijk – algemeen aan-vaard uitgangspunt ook daadwerkelijk risicolozer is. Zoals gezegd is het betrouwbaarheidspercentage van bezorging per post vrij hoog. Ik ken geen cijfers, maar vraag me af
of de betrouwbaarheid van aangetekend verzenden beter scoort. Verder is het de vraag, nog afgezien van de kos-ten van deze verzendwijze en het benodigde ritje naar het postkantoor om de envelop af te leveren, of het verkregen
Het handhaven van termijnen is tot daaraan toe, maar als de bestreden beschikking niet wordt ontvangen, is niet-ontvankelijkheid vanwege termijnoverschrijding natuur-
lijk onaanvaardbaar. Hier wreekt zich het verschil tussen de (bewijs)regels voor het verzenden en ontvangen van stuk-ken. Voor zichzelf heeft de overheid het heel goed geregeld, maar de burger zit ten onrechte opgezadeld met risico’s die niet de zijne zouden moeten zijn.
HET VERZENDEN VAN (PROCES)STUKKEN Hoewel er veel wettelijk is geregeld over termijnen, kent de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen regeling die gaat over de verzending of ontvangst van schriftelijke stuk-ken. Slechts ten aanzien van elektronische berichten is in
het tweede lid van art. 2:17 Awb bepaald dat als tijdstip voor ontvangst heeft te gelden het moment waarop het bericht het systeem van het bestuursorgaan heeft bereikt.1 Voorts bepaalt art. 6:9 Awb nog dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen.2 Aan beleid en de jurisprudentie is verder over-gelaten wat onder ontvangst moet worden verstaan. Globaal kan worden gesteld dat voor de burger heeft te gelden dat iets tijdig is als het op tijd, dat wil zeggen voor 24.00 uur van de laatste dag, door het bestuursorgaan of de bestuurs-rechter is ontvangen, overeenkomstig de ontvangsttheorie. Voor de overheid geldt daarentegen de verzendtheorie: iets is tijdig als het vóór het juiste moment is verzonden.
Voor zichzelf heeft de overheid het heel goed geregeld, maar de burger zit ten onrechte opgezadeld met risico’s die niet de zijne zouden moeten zijn
De risico’s van verzenden
Volgens de in de jurisprudentie ontwikkelde hoofdregel ligt het risico van verzending bij de verzender. Dit brengt mee dat, wanneer de geadresseerde stelt dat een stuk niet is ont-vangen, het op de weg van de verzender ligt om de verzen-ding aannemelijk te maken. Als vervolgens de verzender de verzending aannemelijk maakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst van het bericht ‘op niet-on-geloofwaardige wijze’ te ontkennen. Hoewel dit niet altijd zo is geweest, maakt inmiddels het verzendjournaal van het faxapparaat verzending voldoende aannemelijk, zodat het vervolgens aan de geadresseerde is om het desalniettemin niet-ontvangen op geloofwaardige wijze te ontkennen.3 Een aantekening in een postboek dat verzending per post heeft plaatsgevonden, volstaat hiertoe niet, althans niet bij Hof Amsterdam.4 Al in 1998 heeft de Hoge Raad bepaald dat
in ieder geval een professioneel dienstverlener heeft zorg te dragen voor bewijs van deugdelijke verzending.5 Gelet op de
achtergrond van de uitspraak – de beroepsaansprakelijkheid
NOVEMBER 20107
1 Voor de verzending waarvan ook het vereiste geldt dat het bestuursorgaan kenbaar
heeft gemaakt dat deze wijze van verzending openstaat.
2 Met voor poststukken in het tweede lid de aanvulling dat binnen de termijn ter post
bezorgen en niet later dan een week nadien ontvangen ook volstaat.
3 Bijvoorbeeld Hoge Raad 22 september 2006, LJN AY8658 en CRvB, 7 februari 2007,
LJN AZ8886.
4 Hof Amsterdam 25 maart 2010, LJN BM0992.
5 Hoge Raad 4 september 1998, LJN ZC2694, overweging 3.6.

16.00 uur, bij het verlaten van de werkplek, uit te zetten. Klachten bij de Ombudsman en Kamervragen hebben gelukkig geresulteerd in verzachting van het ten aanzien van de fax geldende beleid.8 Het versturen van een fax is een voor herstel vatbaar verzuim, waarbij de indiener erop moet worden gewezen dat dit consequenties kan hebben voor de ontvankelijkheid. Hof Leeuwarden meent voorts dat vermelding door de Belastingdienst van een onjuist fax-nummer een geldige verzuimreden voor ontijdigheid kan zijn.9 En Hof Amsterdam is de mening toegedaan dat het verzendjournaal, kennelijk zelfs wanneer daarop niet een kopie van het voorblad van het verzondene is afgedrukt, bewijs oplevert van verzending, nu dit journaal evenveel informatie geeft als bij aangetekende verzending.10 Hoe-wel (gelijktijdige) verzending per post dus wel noodzaak is bij het gebruik van de fax, is en blijft de fax mijns inziens de meest praktische en veilige aanvulling op (louter) reguliere postverzending.
Overige elektronische berichten zijn slechts toegelaten, zo bepaalt het eerste lid van art. 2:15 Awb, als dit door het bestuursorgaan of de desbetreffende bestuursrech-ter uitdrukkelijk is toegestaan. Zeer onlangs zijn voor de
bestuursrechter webformulieren beschikbaar gekomen om invulling te geven aan deze (gestructureerde) nieuwe moge-lijkheid. Het is mij nog niet bekend of er ook (direct) een ontvangstbevestiging volgt op een ingediend stuk, maar mocht dit zo zijn, dan is dit wellicht een aanvullende moge-lijkheid om aantoonbaar berichten te versturen.
Het versturen van een fax is een voor herstel vatbaar verzuim, waarbij de indiener erop moet worden gewezen dat dit consequenties kan hebben voor de ontvankelijkheid
HET BEKENDMAKEN VAN BESCHIKKINGEN Art. 3:40 Awb bepaalt dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt, en art. 3:41 Awb voegt daar-aan toe dat bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking. Even afgezien van de afwijkende bepaling in art. 22j AWR, waarin de dagtekening van de aanslag in begin-sel als leidend wordt aangemerkt, zijn genoemde bepalingen uit de Awb beslissend voor een oordeel over het daadwerke-lijk tot stand komen van een beschikking en de aanvang van termijnen om daartegen eventueel een rechtsmiddel aan te wenden. De dagtekening, dan wel de dag van de latere ver-zending, is derhalve van belang, de datum van ontvangst is dat niet.11
Zoals gezegd geldt voor de burger de ontvangsttheorie en heeft de overheid zichzelf bedeeld met de verzendtheorie. Het verschil tussen beide is, hoewel er mijns inziens wei-
nig goede gronden voor zijn, nog wel overkomelijk, nu het
verzendbewijs voldoende informatie biedt. Hiervan is immers slechts af te leiden dat er iets is verzonden en aan wie, maar zeker niet wat er verzonden is. Voorts leert de praktijk dat, wanneer het verzonden bericht desalniettemin niet wordt ontvangen, het niet te achterhalen valt waar het is misgegaan. De handtekeninglijsten bij ontvangst van aan-getekende stukken zijn volgens TNT slechts bedoeld voor intern gebruik en worden niet in afschrift verstrekt.6 Afge-zien van de algemene acceptatie van dit middel, wat bij een procedure natuurlijk een voordeel kan opleveren, is het in mijn ogen voornamelijk duur en onpraktisch en levert het feitelijk geen voordeel op.
Aangetekend verzenden is in mijn ogen voornamelijk duur en onpraktisch en levert feitelijk geen voordeel op
Verzending per fax en andere elektronische verzending
Daar waar rechters het verzenden van faxberichten zien als
volwaardig alternatief voor postbezorging, heeft de Belas-tingdienst een niet geheel geslaagde poging gedaan het fax-bericht in de ban te doen. In ieder geval sinds de behande-ling van de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer is duidelijk geworden dat een fax niet een geschrift is, maar een elek-tronisch bericht. Bij het maken van bezwaar en het instellen van beroep is het uitgangspunt dat dit schriftelijk gebeurt. Hoewel voordien geaccepteerd, geldt per 1 juli 2004 der-halve dat een faxbericht niet voldoet aan het schriftelijk-heidsvereiste dat ingevolge art. 6:4 Awb aan een bezwaar-schrift en beroepschrift wordt gesteld.
Rechters hebben in de geldende procesregelingen de moge-lijkheid van het instellen van beroep via de fax nadrukke-lijk opengesteld. De Belastingdienst daarentegen heeft de poging om met het treffen van een regeling voor elektro-nische berichten het berichtenverkeer te moderniseren, aangegrepen om te bepalen dat faxberichten – niet alleen bezwaarschriften – niet in behandeling worden genomen.7 Om deze maatregel kracht bij te zetten, zijn op het briefpa-pier van de Belastingdienst veelal de faxnummers weggela-ten en is het weer gebruik geworden om het faxapparaat om
8NOVEMBER 2010
6 Dit zal overigens vast wel anders worden als er daadwerkelijk procedurele druk op TNT
wordt uitgeoefend.
7 Besluit van 27 april 2005, nr. CPP2004/2807M, Stcrt. 2005, 87, nota bene met terug-
werkende kracht tot 1 juli 2004.
8 Brief van 29 augustus 2005, nr. DGB2005/4451U, V-N 2005/43.2.
9 Hof Leeuwarden 29 juni 2007, LJN BA8641.
10 Hof Amsterdam 12 februari 2007, nr. 06/00386, V-N 2007/24.5.
11 Hoge Raad 13 september 1989, nr. 26 272, BNB 1990/175 (m. nt. Hofstra;FED
1990/511, m. aant. Van Sikkelerus; V-N 1990, blz. 694, punt 2). Het feit dat de beschik-
king na de termijn is ontvangen, is slechts relevant als blijkt dat de verzending te laat
plaatsvindt.

dwangbevel is geregeld, kent eenzelfde strekking. Art. 62 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)
beperkt eveneens de beroepsgronden en bepaalt dat de aan-slag niet in het geschil kan worden betrokken en het niet-ontvangen van de aanslag slechts kan worden aangevoerd als de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer heeft ontvangen en dat er geen omstandig-heden zijn op grond waarvan het niet-ontvangen hem kan worden toegerekend.
De Europeesrechtelijke dimensie
Art. 1 van het Eerste Protocol EVRM garandeert een ieder het ongestoord genot van zijn eigendom. Deze bepaling brengt met zich mee dat iedere (overheids)maatregel die dit genot aantast, vergezeld moet gaan van procedurele garan-ties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maat-regel.12 Het eerste lid van art. 6 EVRM biedt een soort-gelijke waarborg: een eerlijk proces. Een van de vereisten aan een eerlijk proces is de ‘equality of arms’, die gebiedt dat elke partij een redelijke gelegenheid moet krijgen zijn zaak te bepleiten onder omstandigheden die hem niet zon-der meer in een aanzienlijke (bewijs)achterstand hebben gebracht. Bij uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2009 is de hiervoor omschreven bewijsuitsluiting in de Kostenwet
12 Zie bijvoorbeeld EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99, paragraaf 134.
slechts gaat om de tijdigheid van handelingen. Erger is het zodra de risico’s juridisch, dan wel praktisch, anders wor-den verdeeld.
Digitaal berichtenverkeer
De ontvangst en verzending van elektronische berichten, dus ook van faxberichten, is geregeld in art. 2:17 Awb. Het tweede lid bepaalt dat als tijdstip waarop een elektronisch bericht door het bestuursorgaan is ontvangen, het tijdstip geldt waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwer-king heeft bereikt. Het (op 1 juli jl. gewijzigde) eerste lid geeft aan dat een elektronisch bericht door een bestuursor-gaan is verzonden zodra het bericht een systeem voor gege-vensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt. Het risico dat er iets mis gaat in het (voor mij) schimmige gebied tussen de eigen server en die van de overheid, ligt dus in alle gevallen bij de bur-ger. De betrouwbaarheid van de elektriciteitsvoorzienin-gen wordt hoe langer hoe meer in twijfel getrokken en met reclame wordt ons duidelijk gemaakt dat we voorzorgsmaat-regelen moeten nemen voor het geval de elektriciteit uitvalt. Dat een elektronisch bericht niet kan worden verstuurd als de computer het niet doet, begrijp ik. En dat de burger de verantwoordelijkheid draagt voor zijn provider, kan ik billij-ken. Maar dat hij ook verantwoordelijk is voor het wegval-len van de stroomvoorziening of andere mogelijke defecten bij niet onder zijn verantwoordelijkheid vallende tussen-stations op het moment dat de overheid zich op de digitale snelweg begeeft, noem ik ongewenst opportunistisch schui-ven met risico’s.
Dat de burger ook verantwoordelijk is voor stroomuitval of andere mogelijke defecten, noem ik ongewenst opportunistisch schuiven met risico’s
BEWIJSUITSLUITING
In de Awb is, zoals hiervoor aan de orde is gekomen, niets geregeld over het bewijs van verzending en/of ontvangst. In de meest gebruikelijke fiscale procedures kan het niet ont-vangen van stukken deel uitmaken van het geschil. Dit is evenwel zeker niet in elke procedure het geval. Zo bepaalt, zonder limitatief te willen zijn, het derde lid van art. 17 Invorderingswet 1990 dat de aldaar geregelde verzetspro-cedure niet gegrond kan zijn op de stelling dat het aanslag-biljet, de aanmaning of het dwangbevel niet is ontvangen. Deze opsomming vervolgt verder nog met de uitsluiting dat het verzet ook niet gegrond kan zijn op de stelling dat de belastingaanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het tweede lid van art. 7 Kostenwet invor-dering rijksbelastingen (Kostenwet), waarin de mogelijk-
heid van het maken van bezwaar tegen de kosten van een
NOVEMBER 20109
HET RISICO VAN KWIJTRAKEN
Zoals gezegd is het risico van onjuiste bezorging van post 0,3%. Ik denk dat het risico bij alternatieve wijzen van ver-zending vast niet veel kleiner is. Aan het beheersverslag 2009 van de Belastingdienst ontleen ik dat er in 2009 12.532.000 aangiften inkomstenbelasting zijn verwerkt en 665.000 aangiften vennootschapsbelasting. Voorlopige aan-slagen niet meegerekend, zullen er evenzovele aanslagen zijn opgelegd. De post heeft 40.000 van deze aanslagen kwijt gemaakt. Daar komt nog het aantal aanslagen bij waar-mee in het traject van ergens in den lande aanmaken van de aanslag tot aan het daadwerkelijk in Apeldoorn bij de post aanleveren iets fout is gegaan. Er is weinig reden om al te hoopvol te zijn over dit aantal.
Ervan uitgaande dat ik de hoeveelheid bezwaarschriften min of meer kan relateren aan de genoemde hoeveelheid ver-werkte aangiften, wordt jaarlijks bezwaar gemaakt tegen een kleine 3% van de aanslagen. In alleen al 1200 gevallen per jaar zou het geschil dan onder meer kunnen gaan om aan-slagen die nimmer zijn aangekomen om redenen die aan de post zijn toe te rekenen. De andere risico’s voor het niet ont-vangen meenemende, is het haast ondenkbaar dat het wer-kelijke aantal niet zelfs een aantal malen hoger ligt. Het is dus niet verbazingwekkend dat fiscale geschillen met enige regelmaat gaan over het niet ontvangen van de bestreden beschikking.

10NOVEMBER 2010
onverbindend verklaard wegens strijd met het Protocol.13 In het op Prinsjesdag door het kabinet aangeboden fi scaal pak-ket is onder art. XXI van het wetsvoorstel Overige fi scale maatregelen 2011 een voorziene wijziging opgenomen van art. 7 Kostenwet: tegenbewijs wordt toegelaten door aan de regel dat het bezwaar niet mag zien op de niet-ontvangst van stukken, de volgende zinsnede toe te voegen: ‘tenzij degene van wie de kosten worden gevorderd aannemelijk maakt dat ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld’.
Ontvangstjurisprudentie
De Hoge Raad heeft op 20 mei 2005 geoordeeld dat de enkele ontkenning dat een stuk niet is ontvangen, op zijn aannemelijkheid moet worden getoetst.14 In het arrest van 15 december 2006 zijn de algemene bewijsregels vervat,15 waarnaar de Hoge Raad ook in zijn hiervoor genoemde arrest van 10 juli 2009 verwijst en die verwijzingshof Den Bosch ook volledig citeert.16 Met deze arresten lijkt de Hoge Raad iets soepeler dan de Afdeling Bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Uit het oordeel van deze laat-ste dat ‘aangezien het zoekraken van op normale wijze ter post bezorgde brieven op het traject tussen verzender en ontvanger tot de hoge uitzondering behoort, (...) de Afde-ling niet aannemelijk (acht) dat het besluit appellante niet heeft bereikt’ en de opvatting dat ontvangst op niet onge-loofwaardige wijze moet worden ontkend, blijkt een dui-delijke afwijking van de hiervoor gegeven bewijsregel ten faveure van de overheid.17
Een geloofwaardige ontkenning van ontvangst
In zijn conclusie bij het arrest van 10 juli 2009 vraagt A-G
Wattel zich af of het buiten toepassing laten van de bewijs-uitsluiting zonder vervolgens de hoofdregel toe te passen
– de verzender moet bewijzen – niet een schijnoplossing is voor het probleem.18 Hij concludeert dat het verwijzen op deze grond – zoals de Hoge Raad vervolgens dus toch
heeft gedaan – mogelijk de trekken van een dode mus ver-toont, maar dat het nu even om het principe gaat. Omdat de belanghebbende registeraccountant is, geen reden heeft om de aanslag niet te betalen en zelf heeft verzocht om opleg-ging van de (voorlopige) aanslag, acht het hof hem geslaagd in het ontzenuwen van het vermoeden van ontvangst.19
De dode mus blijkt dus een witte duif, maar zal dat helaas ook wel blijven, vrees ik. Want hoewel de uitspraak van Hof Den Bosch het tegendeel doet vermoeden, is hij de uitzon-dering die de hoofdregel bevestigt: de ontkenning laat zich
13 Hoge Raad 10 juli 2009, LJN BG 4156, na lezenswaardige conclusie van A-G Wattel.
14 Hoge Raad 20 mei 2005, LJN AT5917.
15 Hoge Raad 15 december 2006, LJN AZ4416.
16 Hof Den Bosch 4 juni 2010, LJN BN5564.
17 ABRvS 26 juni 2000, LJN AA6457.
18 A-G Wattel, t.a.p. onderdeel 12.3.
19 Hof Den Bosch, t.a.p. overweging 4.4.
20 Zie hiervoor laatstelijk nog Hof Amsterdam 29 juli 2010, LJN BN2984.
niet bewijzen.20 In de overgrote meerderheid van de juris-prudentie wordt aannemelijk geacht dat de computer van de Belastingdienst onfeilbaar aangeeft dat stukken zijn gepro-duceerd en het proces van postverwerking bij de Belas-tingdienst verzending garandeert. Ondanks het feit dat
een belanghebbende in de regel geen belang heeft bij het te laat inzetten van een procedure, wordt menige niet-ont-vankelijkheid uitgesproken vanwege het ontbreken van een geloofwaardige ontkenning van ontvangst. Het risico van deugdelijke aanmaking, postverwerking en postbezorging wordt derhalve effectief neergelegd bij de burger die moei-lijk kan aangeven waarom hij iets niet heeft ontvangen. We
zijn tenslotte niet allemaal registeraccountant. Een redelijke mogelijkheid tot betwisting ontbreekt.
De uitspraak van Hof Den Bosch is de uitzondering die de hoofdregel bevestigt: de ontkenning laat zich niet bewijzen
De Hoge Raad is de mening toegedaan dat er methoden van verzending zijn die meer zekerheid bieden en dat de zorgplicht van de professional gebiedt die te gebruiken. Er is geen goede grond om de maatstaf voor zorg door de
overheid op een ander niveau te leggen. Betracht ze niet de zorg die bij verzending kan worden verwacht, dan heeft ze daar de consequenties van te dragen en deze niet af te wen-telen op de burger, die de keuze van de overheid niet kan beïnvloeden. Minst genomen mag in deze tijd worden ver-langd dat de overheid moderne communicatiemiddelen als fax en e-mail inzet om daadwerkelijke ontvangst beter te verzekeren. Bij aanslagen die door Becon-adviseurs zijn ingediend, gebeurt dit al. Nu nog ten aanzien van aanma-ningen, dwangbevelen en andere relevante corresponden-tie, alsmede bij diegenen die geen gebruik maken van een (Becon-)adviseur.
CONCLUSIE
Deels op grond van vaste jurisprudentie, deels vanwege wet-telijke bewijsregels draagt de burger het risico van fouten bij door de overheid verzonden stukken. Zowel de wettelijke regelingen als de jurisprudentie staan op gespannen voet met de waarborg tot het ongestoord genot van eigendom en het recht op een eerlijk proces. Jaarlijks sneuvelen veel pro-cedures op de ontvankelijkheidsvraag, louter omdat de over-heid – ten onrechte – bezuinigt op de kosten van aange-tekende verzending. De overheid betracht hiermee niet de
zorg die wel van haar mag worden verlangd.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op