WOZ-zaak terug naar rechtbank omdat geschil ook ging over eerdere beschikkingen

Samenvatting

Belanghebbende heeft bezwaar en beroep ingesteld inzake de WOZ-beschikking van het kalenderjaar 2013 van zijn woning. In zijnberoep verwijst hij naar zijn bezwaren tegen de eerdere ten aanzien van hem genomen WOZ-beschikkingen voor dezelfde woning.
Daarop was nog geen uitspraak gedaan. Bij de mondelinge behandeling van zijn beroep zijn de eerdere bezwaren aan de ordegekomen. In hoger beroep klaagt belanghebbende erover dat de rechtbank aan die eerdere beschikkingen in haar uitspraak voorbij isgegaan. Het hof is van oordeel dat de rechtbank het beroepschrift had behoren op te vatten als niet alleen te zijn ingediend tegen deWOZ-beschikking 2013, maar ook tegen de fictieve weigering van de heffingsambtenaar om uitspraak te doen met betrekking tot deWOZ-beschikkingen van eerdere jaren.
Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank.
(Beroep gegrond.)

Commentaar

De beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar bedraagt zes weken nadat de termijn voor het indienen van het bezwaarschriftis verstreken (art. 7:10, lid 1, Awb). Tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar kan beroep bij een bestuursrechter wordeningesteld, mits twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dathet in gebreke is om tijdig uitspraak op bezwaar te doen (6:12, lid 2, Awb). Aan een dergelijke ingebrekestelling zijn geen verderevormeisen gesteld dan dat deze schriftelijk moet zijn (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 934, nr. 6). Op een besluiteloos bestuursorgaanrust dan ook de taak om ingebrekestellingen (tijdig) te herkennen, en in een aantal gevallen, zoals in het onderhavige geval, gaat datmis.
Het uitgangspunt dat een ingebrekestelling vormvrij is, is een paar jaar geleden nogmaals onderstreept bij de evaluatie van de ‘Wetdwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’ (Kamerstukken II, 2012-2013, 29 934, nr. 29). In een brief van de regering aan de TweedeKamer is hierover het volgende opgemerkt: ‘Het stellen van vormvereisten leidt wel tot extra administratieve lasten voor burger enbestuur. Doel van de Wet dwangsom is de burger een effectiever rechtsmiddel te geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur.
Door vormvereisten in te voeren wordt het voor de burger juist weer ingewikkelder gemaakt. Daar komt bij dat als een ingebrekestellingniet aan de vormvereisten voldoet het bestuur, conform de systematiek van de Awb, de burger de gelegenheid moet geven tot herstel(dus een brief terug sturen met het verzoek de ingebrekestelling binnen een bepaalde termijn alsnog aan te vullen). Dit brengt extrahandelingen van burger en bestuur met zich mee, terwijl het nog steeds zo is dat een bestuursorgaan de ingebrekestelling moetherkennen (het moet immers gelegenheid tot herstel bieden).’
De niet-fiscale bestuursrechters (ABRvS 24 december 2014, nr. 201402074/1/A3, JB 2015/27; ABRvS 4 februari 2015, nr.
201401737/1/A3; CRvB 4 augustus 2015, nr. 14/3490 WWB, JB 2015/163) stellen uniform de (materiële) eis aan een ingebrekestellingdat duidelijk moet zijn dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprakeindien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hetbestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnogwordt genomen. De Hoge Raad heeft zich over deze materiële vereisten van een ingebrekestelling nog niet expliciet uitgelaten, maar ikzie geen enkele reden waarom de Hoge Raad in fiscale geschillen hierover een andersluidende opvatting zou kunnen of moetenhebben. Een uniforme uitleg ligt dan ook in de rede.
In de onderhavige procedure gaat het over een belanghebbende en een heffingsambtenaar die al een aantal jaren in de clinch liggenover de waarde van een in 2006 gebouwde woning. Uiteindelijk heeft belanghebbende tegen de WOZ-beschikking over het jaar 2013een bezwaarschrift ingediend waarin hij zich niet alleen beklaagt over de voor het jaar 2013 vastgestelde WOZ-waarde, maar waarin hijzich tevens beklaagt over het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschriften die hij had ingediend tegen de WOZ-beschikkingenover de daaraan voorafgaande vijf jaren. Zowel heffingsambtenaar als rechtbank onderkent in het bezwaarschrift evenwel geeningebrekestelling voor eerdere jaren, en beide beslissen bijgevolg alleen over de WOZ-waarde over het jaar 2013. Gezien de materiëlevereisten die door de overige bestuursrechters worden gesteld aan een ingebrekestelling, zou de vraag gesteld kunnen worden ‘of hetvoldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft’ omdat de – op zich vormvrije – ingebrekestelling over devoorgaande jaren 2006 tot en met 2012 is vervat in een bezwaarschrift gericht tegen een beschikking over het latere jaar 2013. Geziende door het hof geciteerde inhoud van het bezwaarschrift lijkt mij dat het de heffingsambtenaar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijndat het geschrift (tevens) betrekking had op het uitblijven van uitspraken op bezwaar in eerdere jaren. In de onderhavige uitspraakoverweegt het hof dan ook dat reeds aan het vereiste van een schriftelijke ingebrekestelling is voldaan ‘doordat belanghebbende in zijnbezwaarschriften telkens op het uitblijven van een beslissing over de voorgaande jaren had gewezen’.
Het hof wijst de zaak dan ook terug naar de rechtbank met de opdracht dat de rechtbank in elk van de door belanghebbende aanhangiggemaakte zaken beslist en dat de rechtbank zelf in de zaken moet voorzien zonder terugwijzing naar de heffingsambtenaar. Ik vermoeddat het hof partijen ter zitting niet heeft kunnen bewegen tot het sluiten van een compromis, als gevolg waarvan het hof niets anders kondoen dan de zaken terug te wijzen naar de rechtbank. Het bestuursorgaan komt er mijns inziens nog goed vanaf nu belanghebbendegeen dwangsom heeft geëist en ook geen kosten heeft gemaakt voor rechtsbijstand.

[1] Igor Thijssen is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2016-406
Datum: 14-4-2016 14:34:53

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur