Strafrechtelijke vervolging van rechtspersonen vraagt om extra aandacht

Op 27 oktober 2026 deed de Hoge Raad uitspraak in een strafzaak tegen de besloten vennootschap die verpakkingen – vaten – maakte voor gevaarlijke stoffen. In de periode 2010 tot en met 2012 had deze vennootschap vaten geproduceerd die niet aan de eisen voldeden. Toch waren er kenmerken op de vaten aangebracht die er alleen op mogen staan als een vat wel aan alle veiligheidseisen voldoet.

De B.V. was in 2019 door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken, en in 2024 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een geldboete van € 750.000, terwijl de eis van het OM ‘maar’ € 55.000 was. Over die veel hogere geldboete wordt in cassatie met succes geklaagd. Over de straf moet hetzelfde Gerechtshof zich opnieuw over buigen, dan dus ruim vijftien jaar nadat de politie met het onderzoek was begonnen.

Deze uitkomst is bijzonder, omdat strafklachten in cassatie  zelden of nooit succes hebben. De uitkomst is extra bijzonder omdat dat de advocaat-generaal in zijn advies aan de Hoge Raad vond dat deze cassatieklacht moest worden afgewezen.

Straffen voor rechtspersonen

Rechtspersonen kunnen niet naar de gevangenis worden gestuurd. Aan hen kan alleen een geldboete worden opgelegd. Dat is ook de reden dat veel zaken tegen rechtspersonen niet voor de rechter worden gebracht. Als er voldoende bewijs is, dan vindt het Openbaar Ministerie het efficiënter  om de zaak af te doen met een transactie of strafbeschikking. Alleen in bijzondere gevallen, en als de rechtspersoon niet instemt met een buitengerechtelijke afdoening, worden die zaken voor de rechter gebracht.

Tot 2015, en dat is waar deze zaak over gaat, was een geldboete voor een rechtspersoon maximaal € 780.000. Dat bedrag wordt jaarlijks verhoogd en staat inmiddels per 1 januari 2026 of € 1.100.000. Maar er is sinds 2015 ook een ‘extra’ categorie voor rechtspersonen. Indien de hoogste boete geen passende bestraffing is, kan een geldboete worden opgelegd tot 10% van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaand aan de veroordeling. Die wetgeving was voor deze zaak nog niet van toepassing, dus was de maximaal mogelijke geldboete € 780.000.

Waar ging het mis met de strafoplegging?

Het Gerechtshof had aan de B.V. een straf opgelegd van € 750.000. Dat was veel hoger dan wat het OM had geëist. Als reden daarvoor gaf het Hof dat de B.V. onderdeel is van een internationaal conglomeraat dat zich richt op de productie en verkoop van industriële verpakkingen. Over 2022 was de jaaromzet van de groep ruim 6 miljard US Dollar en bedroeg het nettoresultaat ruim 375 miljoen US Dollar. Daarom vond het Hof een boete van € 780.000 passend. Het Hof had ook drie keer die boete kunnen opleggen, omdat voor drie strafbare feiten (valsheden) was veroordeeld, maar deed dat niet. Wel verminderde het Hof de boete met € 30.000 omdat de zaak lang had geduurd.

Waar het Hof volgens de Hoge Raad de mist in ging was dat het ter zitting niet had laten weten de B.V. als onderdeel van de veel grotere groep  te zien. En dus was ook de jaaromzet en het nettoresultaat van de groep niet ter zitting besproken. De B.V. had op de visie van het Hof weerwoord moeten kunnen geven, en dat was niet  het geval.

Straf voor meer feiten op de tenlastelegging is soms mogelijk

De uitspraak van de Hoge Raad doet denken aan een arrest van 19 mei 2020 over fiscale fraude waarin de Hoge Raad het goed vindt dat bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met meer belastingaangiften dan op de tenlastelegging staan vermeld. Dat wordt dan gedaan onder de noemer ‘rekening houden met het grootschalige karakter’. En dat valt dan weer onder de ruime vrijheid van de rechter bij de strafoplegging, waar de Hoge Raad niet snel op ingrijpt.

Maar aan het rekening houden met het ‘grootschalige karakter’ verbindt de Raad wel duidelijke voorwaarden. De belangrijkste is, net als in deze zaak, dat op zitting wordt besproken waar het Hof rekening mee wil houden. Als het Hof rekening wil houden met meer belastingaangiften dan op de tenlastelegging staan, dan moet dat op zitting worden benoemd, en moet de verdediging de gelegenheid krijgen om op die aangiften te reageren. En ook in deze zaak moet de verdediging dus kunnen reageren op het voornemen van het Hof om de B.V. als onderdeel van een groot concern te behandelen.

Andere cassatieklachten

Deze langlopende strafzaak is om meer redenen interessant. Zo wordt in cassatie er ook over geklaagd dat de directeur van de B.V. door de politie was verhoord zonder dat hij de cautie had gekregen. Toch gebruikte het Hof zijn verklaring voor het bewijs. Het Hof doet dat omdat het het gesprek van de politie met de directeur niet als een ‘echt’ verhoor (vraag van een verbalisant, antwoord van de verdachte) beschouwde. Het Hof vond dat er sprake was van ‘spontane mededelingen’.  De klacht hierover slaagt volgens de advocaat-generaal, maar cassatie is niet nodig omdat er voldoende ander bewijs is. Dat advies volgt de Hoge Raad.

Interessant is verder dat de B.V. vindt dat zij ten onrechte is veroordeeld voor ‘valsheid in geschrift’. Een vat voor gevaarlijke stoffen is volgens haar namelijk geen geschrift. Zowel de advocaat-generaal als de Hoge Raad vinden deze klacht niet opgaan. De term ‘geschrift’ is volgens de Hoge Raad zeer ruim bedoeld door de wetgever, en dus kan ook een vat een geschrift zijn. Dat komt wel over als het heel erg oprekken van de wettekst, terwijl zowel het Nederlandse als het Europese recht op grond van het legaliteitsbeginsel verlangen dat een verbodsbepaling voldoende duidelijk is. En dan is een vat in het spraakgebruik toch echt iets anders dan een brief of e-mail. Daar komt nog bij dat het wetboek van strafrecht een bijzondere verbodsbepaling kent voor het plaatsen van onjuiste merken op een verpakking. Dat feit wordt als veel lichter gezien dan het strafbare feit van valsheid in geschrift, waar de B.V. nu voor veroordeeld wordt. Een bijzondere gang van zaken, maar in de praktijk niet ongebruikelijk.

Wat betekent dit arrest voor de praktijk?

Het arrest laat zien dat de vrijheid van rechters in de straftoemeting niet onbegrensd is, en dat verweer hierop voeren tot bij de Hoge Raad soms loont.

Het arrest laat ook zien dat het verhoren van medewerkers, zeker de directie, van een rechtspersoon bijzondere aandacht verdient en dat de cautie daarbij niet zomaar vergeten mag worden.

Hebt u te maken met een strafrechtelijk onderzoek of vervolging van uw bedrijf of rechtspersoon, neem dan vooral contact op met een van onze specialisten.

mr. V.S.T. Leenders
leenders@jaeger.nl


Stuur een reactie naar de auteur