Als beroepschrift in cassatie aangemerkte brief is niet binnen zeswekentermijn door rechtbank ontvangen

Samenvatting


In een verzetsprocedure heeft de rechtbank uitspraak gedaan op 6 februari 2009. Deze uitspraak is op 16 februari 2009 aan partijen gezonden. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft belanghebbende een geschrift met dagtekening 10 mei 2009 ingediend bij de rechtbank. Deze brief is, via het hof, doorgezonden naar de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat het tijdstip van indiening bij de rechtbank bepalend is voor de vraag of tijdig cassatieberoep is ingesteld. Gelet daarop is de als beroepschrift in cassatie aangemerkte brief niet binnen de zeswekentermijn door de rechtbank ontvangen. Het cassatieberoep is derhalve niet-ontvankelijk.


Feiten


1.1. Aan belanghebbende zijn ter zake van aan hem verzonden aanmaningen wegens niet-betaling van over de jaren 1999 en 2000 opgelegde naheffingsaanslagen kosten in rekening gebracht. Deze kosten zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Ontvanger van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Ontvanger) gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank.
1.2. De Rechtbank (nr. AWB 08/755) heeft het beroep betreffende de aanmaningskosten voor de naheffingsaanslag over het jaar 1999 gegrond verklaard, de uitspraak van de Ontvanger vernietigd, de beschikking inzake de aanmaningskosten vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof (nr. 09/255) heeft het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank wegens overschrijding van de termijn voor het instellen van dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. De Rechtbank (nr. AWB 08/754) heeft het beroep betreffende de aanmaningskosten voor de naheffingsaanslag over het jaar 2000 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht. Het door belanghebbende tegen die uitspraak gedane verzet is bij uitspraak van de Rechtbank van 6 februari 2009 ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank een geschrift ingediend bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft dat geschrift als een hoger beroepschrift aangemerkt en ter behandeling en beslissing doorgezonden naar het Hof.
Bij uitspraak van 2 april 2010, nr. 09/256, heeft het Hof zich onbevoegd verklaard in het hoger beroep.


Geschil


In geschil is:
– of het hof terecht het hoger beroep van belanghebbende (inzake het jaar 1999; nr. 09/00255) niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, en
– of het cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank (inzake het jaar 2000; nr. 08/00754) ontvankelijk is.


Rechtsoverwegingen


3.1. Voor zover het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van het Hof, nr. 09/255, kunnen de klachten niet tot cassatie leiden.
Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Voor zover het beroep in cassatie is gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank, nr. AWB 08/754, wordt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie het volgende overwogen.
3.2.1. Blijkens een door de griffier van de Rechtbank op die uitspraak gestelde aantekening zijn afschriften daarvan aangetekend aan partijen verzonden op 16 februari 2009. Blijkens een door de griffier van de Rechtbank op belanghebbendes brief van 10 mei 2009 geplaatste aantekening is die brief op 13 mei 2009 ter griffie van de Rechtbank binnengekomen.
3.2.2. Aangezien de stukken van het geding geen aanleiding geven om te oordelen dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is het tijdstip van indiening van belanghebbendes brief bij de Rechtbank bepalend voor het antwoord op de vraag of die brief als een tijdig bij de Hoge Raad ingediend beroepschrift in cassatie kan worden beschouwd. Gelet op de hiervoor in 3.2.1 vastgestelde feiten eindigde de in artikel 6:7 Awb gestelde termijn van zes weken op 30 maart 2009. Het vorenstaande brengt mee dat de als beroepschrift in cassatie aangemerkte brief niet binnen deze termijn door de Rechtbank is ontvangen. Het geschrift is evenmin tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
3.2.3. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 oktober 2010, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, erop gewezen dat de Minister in zijn verweerschrift in cassatie het standpunt heeft ingenomen dat het beroep in cassatie niet-ontvankelijk is. In dezelfde brief heeft de griffier belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zaak toe te laten lichten of een conclusie van repliek in te dienen. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Feiten en omstandigheden die maken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, zijn gesteld noch gebleken.
3.2.4. Gelet op het hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 overwogene moet het beroep in cassatie, voor zover gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank, niet-ontvankelijk worden verklaard.
(Volgt ongegrondverklaring van het cassatieberoep tegen de hofuitspraak, en niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep tegen de rechtbankuitspraak.)


Commentaar

  1. De belanghebbende heeft in deze procedure het griffierecht niet tijdig betaald. De rechtbank verklaart met toepassing van art. 8:54 Awb het beroep niet-ontvankelijk. De belanghebbende tekent hiertegen verzet aan (art. 8:55 Awb). Dit verzet wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Ook met deze beslissing kan de belanghebbende zich niet verenigen en hij stuurt dan ook een brief aan de rechtbank.
  2. Via het gerechtshof is de brief van de belanghebbende bij de Hoge Raad gekomen. Op grond van art. 6:15 Awb hebben de rechtbank en het gerechtshof een doorzendverplichting als een geschrift bij het verkeerde gerecht is ingediend. Op de betreffende brief diende in dit geval door de rechtbank de datum van eerste, zij het onjuiste, binnenkomst te worden vermeld. Deze datum is van belang om vast te stellen of door de belanghebbende tijdig een rechtsmiddel is aangewend.
  3. Deze fictie van datum binnenkomst geldt niet ingeval sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht (art. 6:15, lid 3, Awb).
    Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als het indienen bij het onjuiste bestuursorgaan wordt gebruikt als vertragingstechniek. In deze situatie geldt als datum binnenkomst van het bezwaar-, (hoger) beroep of beroep in cassatie de datum waarop het geschrift door het bevoegde orgaan is ontvangen.
  4. De Hoge Raad stelt echter vast dat van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht geen sprake is. De datum van binnenkomst bij de rechtbank geldt dus als datum van het instellen van het rechtsmiddel. Deze datum is echter niet binnen de cassatietermijn gelegen.

    [1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Hertoghs advocaten – belastingkundigen.

    Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2011-790
    Datum: 25-4-2016 13:41:34
Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur