Belanghebbende geeft geen afdoende verklaring voor financiering hoog uitgavenpatroon

Samenvatting


De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB/PVV opgelegd. Reden daarvoor is onder meer dat belanghebbende sinds 2005 zichtbare uitgaven heeft gedaan van meer dan € 1,6 miljoen zonder dat er noemenswaardige inkomsten tegenover staan. Belanghebbende komt in bezwaar en overlegt diverse leningovereenkomsten. In bezwaar stelt de inspecteur diverse vragen en omdat er voor de inspecteur geen afdoende antwoord komt, geeft de inspecteur een informatiebeschikking af. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht een informatiebeschikking heeft afgegeven. De enkele verwijzing naar leningovereenkomsten is onvoldoende om te voldoen aan de informatieverplichting.

Commentaar


Een aanslag moet zorgvuldig worden vastgesteld. Om invulling aan die zorgvuldigheid te geven, kan een inspecteur vragen om een toelichting op de ontvangen aangifte, dan wel verzoeken om de onderbouwing van bepaalde posten (art. 47 AWR). In deze procedure heeft de inspecteur de volgende vraag gesteld: ‘Hoe hebben belanghebbenden, afgezien van de bekende bijstandsuitkeringen en dergelijke die zij hebben ontvangen, de financiële middelen vergaard waarmee zij sinds 2005 auto’s, huizen en het gezamenlijk onderhoud hebben betaald?’Belanghebbende verstrekt vervolgens kopieën van leningovereenkomsten. De inspecteur is echter van mening dat deze informatie geen afdoende antwoord geeft op de door hem gestelde vraag. De inspecteur vaardigt een informatiebeschikking uit (art. 52a AWR). Daartegen gaat belanghebbende in bezwaar en beroep.

In beroep overweegt de rechtbank vervolgens dat met de enkele verwijzing van belanghebbende naar de leningovereenkomsten de vragen van de inspecteur onvoldoende zijn beantwoord. Zelfs als de rechtbank ervan zou uitgaan dat aan belanghebbende geld ter beschikking is gesteld voor de aanschaf en verbouwing van de panden, is uit het bestaan van de leningovereenkomsten niet op te maken hoe belanghebbende in de onderhavige jaren in zijn levensonderhoud heeft voorzien en uit welke middelen hij de diverse auto’s heeft betaald. De rechtbank laat de informatiebeschikking in stand.

Op dit oordeel valt mijns inziens het nodige af te dingen. Naar mijn mening heeft de belanghebbende in ieder geval de vraag ten aanzien van de huizen door het verstrekken van de leningovereenkomsten afdoende beantwoord. Uit de overeenkomsten volgt immers dat belanghebbende daaruit geld ter beschikking heeft gekregen voor de aanschaf van de huizen. Daarmee is dit deel van de ‘hoe-vraag’ van de inspecteur beantwoord. Als de verstrekte informatie vragen oproept bij de inspecteur, ligt het mijns inziens op zijn weg om zijn vraag concreter te stellen of om aanvullende vragen te stellen. Dat is niet gebeurd. Dat brengt mij tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van belanghebbende in ieder geval op dit punt gegrond had moeten verklaren. Belanghebbende heeft immers de vraag van de inspecteur beantwoord en de informatiebeschikking is op dit punt dus ten onrechte afgegeven.

Ten aanzien van de vraag over de auto’s heeft belanghebbende kennelijk aangegeven dat de gelden daarvoor beschikbaar zijn gekomen uit inzamelingsacties door andere (familieleden). Ook hiermee lijkt het erop dat de belanghebbende de ‘hoe-vraag’ van de inspecteur heeft beantwoord. Dat dit antwoord mogelijkerwijs vervolgvragen oproept, doet niet af aan de eerste constatering. In de uitspraak vind ik geen informatie terug over het antwoord op de kosten van het levensonderhoud. Mogelijkerwijs is dat deel van de ‘hoe-vraag’ door de belanghebbende niet beantwoord en is dit deel van de uitspraak van de rechtbank dus wel begrijpelijk.

In een procedure over de informatiebeschikking moet mijns inziens niet te snel worden aangenomen dat een belanghebbende vragen van de inspecteur niet heeft beantwoord. Cruciaal is hoe (ook ik maak me schuldig aan het gebruik van dit woord) de inspecteur de vraag heeft gesteld, of die vraag concreet genoeg is en dat deze niet voor meerdere uitleg vatbaar is.

[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.
[2] De auteur is advocaat bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur