Beroep in cassatie bij de Hoge Raad der Nederlanden

Inleiding

In belastingzaken kunt u uw zaak in drie rechterlijke instanties laten beoordelen. Na de uitspraak op bezwaar gaat u in beroep bij de rechtbank, dan naar het gerechtshof (hoger beroep) en tenslotte naar de Hoge Raad (cassatie). Voor zaken die het algemene bestuursrecht betreffen, bijvoorbeeld bouwvergunningszaken, hebt u twee instanties en komt u na de rechtbank onmiddellijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als het hoogste rechtsprekende orgaan in dat soort zaken.

De functie van cassatie

Net als in civiele- en strafzaken, worden in belastingzaken de rechters in de eerste twee instanties feitenrechters genoemd. De reden daarvoor is dat zowel de rechtbank als het gerechtshof zelfstandig de feiten die in de zaak spelen, vaststelt. De Hoge Raad beoordeelt alleen of de feitenrechter, meestal het gerechtshof, het recht juist heeft toegepast en of die zijn uitspraak goed heeft gemotiveerd. In cassatie kunnen dus geen nieuwe feiten worden aangevoerd, maar gaat de Hoge Raad uit van de feiten zoals die door het gerechtshof zijn vastgesteld. Dat heeft te maken met de belangrijkste functies van de cassatierechtspraak: het bewaken van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.

Het instellen van beroep in cassatie

Beroep in cassatie kan op grond van artikel 28 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) worden ingesteld door de belanghebbende die bevoegd was om hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof (hierna: het Hof) en door de Minister van Financiën voor de Belastingdienst. Laatstgenoemde wordt in de praktijk vervangen door de Staatssecretaris van Financiën. Naast de genoemde procespartijen heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad (P-G) de bevoegdheid om cassatie in het belang der wet instellen. Cassatie in het belang der wet is een zogenoemd bijzonder rechtsmiddel dat kan worden ingesteld om een beslissing van de Hoge Raad te verkrijgen over een rechtsvraag die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling moet worden beantwoord en die niet via een gewoon cassatieberoep aan de Hoge Raad werd voorgelegd. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer lagere rechters verschillend oordelen over een bepaald juridisch onderwerp en van hun uitspraken geen cassatieberoep is ingesteld, zodat rechtsongelijkheid blijft bestaan. Cassatie in het belang der wet komt zeer zelden voor.

Wanneer kan beroep in cassatie worden ingesteld

Het beroep in cassatie wordt in veruit de meeste gevallen ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof. In artikel 28 lid 1 en lid 2 AWR wordt verwezen naar de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en worden de meer specifieke gevallen waarin cassatie kan worden ingesteld genoemd. In het vierde lid van artikel 28 AWR staan de uitspraken vermeld waartegen geen beroep in cassatie kan worden ingesteld, zoals een uitspraak bij vereenvoudigde behandeling van een beroep (artikel 8:54 Awb) of een uitspraak over een voorlopige voorziening (artikel 8:84 Awb).

De reikwijdte van de cassatieprocedure

Als een partij beroep in cassatie wil instellen dan dient zij haar bezwaren (grieven, gronden of middelen) tegen de Hofuitspraak neer te leggen in het beroepschrift in cassatie. Deze grieven zetten uiteen waar het Hof een fout maakte in zijn uitspraak en waarom het betreffende oordeel van het Hof fout is. Niet alle oordelen van het Hof waarover wordt geklaagd, worden volledig beoordeeld door de Hoge Raad. De reikwijdte van de toetsing van de oordelen van het Hof is in cassatie als volgt:

  1. Feitelijke oordelen: worden alleen getoetst op begrijpelijkheid van de motivering. Een klacht op dat punt wordt een motiveringsklacht genoemd.
  2. Rechtsoordelen: worden volledig getoetst op een juiste rechtstoepassing. Een klacht over de juistheid van een rechtsoordeel wordt rechtsklacht genoemd.
  3. Gemengde oordelen: dat zijn oordelen die een rechtscomponent bevatten maar ook een feitelijke component.  Tegen dit soort oordelen kan zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht worden gericht en de toetsing verloopt dan overeenkomstig hetgeen bij de categorieën feitelijke – en rechtsoordelen is opgemerkt.

Een klacht over de begrijpelijkheid van een feitelijk oordeel kan zijn gericht tegen:

  • een vaststelling van het Hof ten aanzien van hetgeen in de procedure heeft plaatsgevonden,
  • een oordeel of een feit al dan niet bewezen is,
  • een gemaakte gevolgtrekking uit een of meer vaststaande feiten.

Neem het voorbeeld van een kraan aan een kanaal, bestemd om goederen te lossen uit schepen. De kraan heeft als hoogste punt (giek) 45 meter, weegt 200 ton en kan zich over een afstand van honderdvijftig meter op rails voortbewegen langs het kanaal. Mocht een Hof overwegen dat ‘deze feiten in onderling verband en samenhang beschouwd, het oordeel wettigen dat de kraan een onroerende zaak is’, dan kan tegen dat oordeel een motiveringsklacht worden gericht. Onbegrijpelijk is immers dat de omstandigheid dat de kraan zich over een afstand van 150 meter kan voortbewegen langs het kanaal, kan bijdragen aan het oordeel dat de kraan een onroerende zaak is. Als het kan bewegen is het immers meestal roerend. Het gaat dan om een motiveringsklacht uit de laatstgenoemde categorie.

Bij een klacht over een rechtsoordeel gaat het om de (onjuiste) toepassing van het recht door het Hof. In de tegen een oordeel gerichte rechtsklacht moet duidelijk worden aangegeven welke overweging van de bestreden uitspraak een onjuiste beslissing bevat. Het verdient aanbeveling om te onderbouwen wat precies fout is aan het bestreden oordeel en waarom. Bijvoorbeeld omdat het oordeel in strijd is met de duidelijke tekst van een wetsbepaling. Maar strikt noodzakelijk is zo’n onderbouwing niet. De Hoge Raad zal de bestreden overweging bekijken en als die in strijd is met het recht zal de Raad daarop casseren, dat wil zeggen de uitspraak van het Hof vernietigen.[1]

Als sprake is van een gemengd oordeel dan kan dat worden bestreden met een rechtsklacht én een motiveringsklacht. Een voorbeeld van een gemengd oordeel is dat een belastingplichtige ondernemer is. Ondernemer is een rechtskundig begrip want het komt voor in een wetsbepaling: “Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen” (art. 3.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001). Maar of de belastingplichtige ondernemer is, hangt volledig af van een aantal feitelijke factoren zoals gelopen risico, bestede tijd, kapitaal en hoeveelheid opdrachtgevers. Op grond van een samenstel van feitelijke factoren oordeelt de rechter dus dat de belastingplichtige al dan niet ondernemer is. Mocht het Hof feiten ten onrechte feiten hebben vastgesteld, bijvoorbeeld als onweersproken terwijl uit de stukken blijkt dat werd ontkend dat die feiten zo lagen, dan wordt dat met een motiveringsklacht bestreden. Mochten de door het Hof vastgestelde feiten het oordeel dat de belastingplichtige ondernemer is niet kunnen dragen, dan heeft het Hof het rechtsbegrip ondernemer niet juist toegepast en treft een rechtsklacht doel.

Uit het voorgaande blijkt wel dat het procederen voor de Hoge Raad een specialisme is. Niet zozeer de zaak van de belastingplichtige met al zijn feitelijke aspecten staat op de voorgrond maar de uitspraak van het Hof (wat heeft het Hof fout gedaan). De klachten in cassatie (ook wel middelen van cassatie genoemd) zijn pijlen gericht op de Hofuitspraak. De meest voorkomende fout in de cassatieprocedure is dat de belastingplichtige denkt dat de Hoge Raad een derde feitelijke instantie is, die zijn zaak helemaal opnieuw bekijkt. Waarom de Staatssecretaris van Financiën hierbij niet wordt genoemd? Omdat die op zijn Ministerie beschikt over een aparte afdeling voor de cassatieprocedure. De aldaar werkzame specialisten weten die valkuil bijna altijd te vermijden.

Conclusie Advocaat-Generaal

Na het indienen van het cassatieberoep door de belastingplichtige of door de Staatssecretaris van Financiën namens de Belastingdienst, heeft de andere partij de mogelijkheid om daarop te reageren met een verweerschrift. Ook is het voor die andere partij mogelijk om (gelijktijdig met het verweerschrift) zelf beroep in cassatie in te stellen: incidenteel cassatieberoep. Dat gebeurt als die andere partij het zelf ook niet eens is met een oordeel van het gerechtshof.[2] Beide partijen kunnen vervolgens op elkaars standpunten reageren met een conclusie van re- en dupliek. Na deze schriftelijke reacties van partijen kan een advocaat-generaal (A-G), formeel namens de P-G, een ‘conclusie’ nemen als hij de zaak daarvoor geschikt vindt.  

De A-G maakt deel uit van het parket bij de Hoge Raad onder leiding van de P-G. Voornaamste taak van het parket is het geven van onafhankelijke rechtsgeleerde adviezen, zogeheten conclusies, aan de Hoge Raad.  Als de conclusie is genomen (verschenen) mogen beide partijen daar binnen veertien dagen op reageren. Na het indienen van die reacties wordt de zaak door de Hoge Raad behandeld en beslist.

Het oordeel van de Hoge Raad

Als een cassatieklacht terecht wordt voorgesteld dan wordt het cassatieberoep gegrond verklaard en de Hofuitspraak vernietigd. Als het een pure rechtsklacht betreft dan kan de Hoge Raad de zaak zelf afhandelen. De Raad geeft dan het juiste rechtsoordeel in plaats van het verkeerde. Bij een geslaagde motiveringsklacht is het echter vaak nodig dat nog feitelijk onderzoek plaatsvindt. Dat kan de Hoge Raad niet doen, want die bemoeit zich niet met de feiten, dus moet de zaak weer naar de feitenrechter (‘verwijzen’). Meestal verwijst de Raad naar een ander Hof dan dat waarvan de uitspraak werd vernietigd.

Als de klachten niet opgaan dan wordt het cassatieberoep ongegrond verklaard. Ook kan een cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat doet zich, op gelijke wijze als bij rechtbank en gerechtshof, voor als het beroep te laat wordt ingesteld of het griffierecht niet (tijdig) is betaald. Maar de Hoge Raad kent nog een bijzondere niet-ontvankelijkheid.

De Raad kan het beroep in cassatie ook niet-ontvankelijk verklaren op grond van artikel 80a Wet op de rechtelijke organisatie (RO) als de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het beroep instelde onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Het gaat bij toepassing van artikel 80a RO om klachten die louter feitelijk van aard zijn (Hoge Raad is geen derde feitelijke instantie) en om klachten tegen overduidelijk juiste beslissingen van het Hof. De Hoge Raad kent nog een bijzondere beslismogelijkheid. Die mogelijkheid is de Raad gegeven om een efficiënte afhandeling van zaken mogelijk te maken. Als de Raad oordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en behandeling van de klacht niet noodzakelijk is voor de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling, kan de zaak op grond van artikel 81 RO worden afgedaan met een vermelding van dit oordeel.


[1] M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Fiscale Hand- en Studieboeken’, Kluwer Deventer 1999.

[2] Artikel 29b AWR.

Dit bericht werd geplaatst in: Blogs

Stuur een reactie naar de auteur