Bezwaar tegen naheffing aanslag overdrachtsbelasting

ECLI:NL:RBNHO:2021:7483

Inhoudsindicatie

De waarde van die panden is dan waarvan bij de overdracht van de aandelen is uitgegaan, over die hogere waarde is overdrachtsbelasting verschuldigd, voor zover de overgedragen aandelen die panden vertegenwoordigen.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 16/3172

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.G.L. Jaeger (Jaeger)),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 24 december 2015 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd, alsmede bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verschillende keren nadere stukken ingediend. De stukken zijn deels schriftelijk en deels digitaal ingediend. Een kopie van die stukken is telkens aan de wederpartij verstrekt.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021 te Haarlem. Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde en de toenmalige mede-gemachtigde

mr. [A] , prof. dr. [B] ( [B] ), [C] en [D] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [E] ( [E] ), [F] , [G] ( [G] , taxateur), mr. [H] , [I] MSc LLM en [J] . De zaak is behandeld tegelijkertijd met de zaak met kenmerknummer HAA 16/3173 over hetzelfde geschilpunt betreffende de overdrachtsbelasting en de zaken met kenmerknummers HAA 16/1680 en HAA 16/1681 betreffende de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is toegezonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat.

Verweerder heeft bij een nader stuk van 16 september 2019 deels geanonimiseerde informatie ingebracht betreffende verhuur- en verkoopreferenties gebruikt door [G] . In dit kader is een beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op dit verzoek heeft de rechtbank beslist op

28 november 2019.

Het onderzoek ter zitting is met instemming van partijen voortgezet op 16 oktober 2019 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde en de toenmalige mede-gemachtigde mr. [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [E] , [F] , [G] , mr. [H] , [I] MSc LLM en mr. [K] . De zaak is behandeld tegelijkertijd met de zaak met kenmerknummer HAA 16/3173 over hetzelfde geschilpunt betreffende de overdrachtsbelasting en de zaken met kenmerknummers HAA 16/1680 en HAA 16/1681 betreffende de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is toegezonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:47 van de Awb de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de Stab) als deskundige benoemd voor het instellen van onderzoek. Hierover zijn partijen geïnformeerd.

Aan partijen is met dagtekening 28 april 2020 een taxatierapport in concept van [L] ( [L] ) toegezonden. Hierop hebben partijen schriftelijk gereageerd. Van de reacties zijn kopieën aan de wederpartij toegezonden.

Met dagtekening 1 oktober 2020 heeft de Stab een deskundigenrapport uitgebracht. Bijgevoegd is een definitief taxatierapport van [L] met dagtekening 1 oktober 2020. Partijen hebben schriftelijk gereageerd hierop. Een kopie daarvan is telkens aan de wederpartij verstrekt.

Verweerder heeft in het kader van een nader stuk van 9 april 2021 deels geanonimiseerde informatie ingebracht betreffende verhuurreferenties gebruikt door [G] . In dit kader is een impliciet beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 21 april 2021 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde Jaeger, [M] (één van de erven), mr. dr. drs. [N] , [B] en mr. [O] , beiden werkzaam bij [P] , [Q] BBA RM MRICS ( [Q] ), werkzaam bij [R] , [S] en [T]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [E] , [F] , [G] , mr. [H] en [I] MSc LLM. De zaak is behandeld tegelijkertijd met de zaak met kenmerknummer HAA 16/3173 over hetzelfde geschilpunt betreffende de overdrachtsbelasting en de zaken met kenmerknummers HAA 16/1680 en HAA 16/1681 betreffende de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.

Overwegingen

Feiten

1. [/] [U] ( [U] ) en [V] (de echtgenote) hielden tot 30 december 2010 respectievelijk 50% en 45% van de aandelen in [W] B.V. (de vennootschap). De resterende 5% van de aandelen zijn eigendom van de drie kinderen.

2. Tot de bezittingen van de vennootschap behoren op genoemde datum ongeveer 20 in [Y] en [AA] gelegen onroerende zaken. Ook houdt de vennootschap alle aandelen in [AB] B.V., waartoe één pand in [Y] aan de [AC] behoort. De vennootschap drijft geen materiële onderneming. De direct of indirect gehouden panden (de panden) zijn in het BAG-register bekend onder de volgende adressen:

Te [Y] :

[AD]

[AE]

[AF]

[AG]

[AH]

[AI]

[AJ]

[AK]

[AL]

[AC]

[AM]

[AN]

[AP]

[AQ]

[AR]

[AS]

[AT]

[AU]

[AV]

[AW]

Te [AA] :

[AX]

[AY]

[AZ]

3. De panden zijn op 30 december 2010 geheel of hoofdzakelijk dienstbaar aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.

4. Bij akte van aandelenoverdracht van 30 december 2010 koopt [BA] B.V. 98,33% van het geplaatste aandelenkapitaal in de vennootschap voor een koopsom van € 11.210.000. De certificaten van aandelen zijn indirect in handen van de echtgenote en de twee zoons van [U] , [BB] en [BC] . De aandelen worden gehouden door [BD] B.V. ( [BD] ). [BA] B.V. is na de aandelenoverdracht gesplitst in eiseres en [X] B.V. Alle aandelen in eiseres zijn in handen van [BC] , één van de zoons van [U] en de echtgenote.

5. De waarde van de aandelen in de vennootschap is door [BE] AA (de accountant) van [P] vastgesteld in een rapport van 17 december 2010 per medio december 2010 op € 11.408.301. In het rapport staat dat het uitsluitend zal worden gebruikt voor een onderlinge overdracht van aandelen binnen de familie van de aandeelhouders en dat het uitsluitend voor dat doel is bestemd. Er is volgens het rapport voor zover relevant gebruik gemaakt van de “door [BF] O.G. in het najaar 2008 opgestelde overzichtlijst onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat” en “mondeling verstrekte aanvullende toelichtingen”. De overzichtlijst vermeldt als een totale waarde van de getaxeerde panden van € 12.737.500. Verder staat in het rapport bij de uitgangspunten onder meer vermeld:

“Het (..) in de deelneming opgenomen pand is niet getaxeerd. Gebaseerd op informatie verstrekt door [ [U] ] (…) is de huidige waarde van het in deze deelneming opgenomen pand gelijk aan de boekwaarde per ultimo 2009.

(…)

Het pand aan de [AL] is op een relatief lage waarde getaxeerd als gevolg van een lage huuropbrengst. Een van de twee zonen van de aandeelhouders, de heer [BC] , huurt het pand aan de [AL] . Deze zoon huurde het pand overigens al voordat het pand werd aangekocht door [de vennootschap].”

6. In verband met de overdracht van de aandelen in de vennootschap is geen aangifte voor de overdrachtsbelasting gedaan. In artikel 4 van de akte van aandelenoverdracht is opgenomen dat verkopers garanderen dat de vennootschap geen lichaam is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer (WBR; onroerend goed-lichaam), hetgeen koper bevestigt.

7. De onroerende zaken van de vennootschap en de deelneming zijn door de afdeling Waardeonderzoek van verweerder gewaardeerd per 30 december 2010 op € 24.901.000 in totaal. Dit is vastgelegd in een taxatierapport van [BG] RT/RMT ( [BG] ), werkzaam bij de Belastingdienst kantoor Amsterdam.

8. Naar aanleiding van het taxatierapport van [BG] is met dagtekening 24 december 2015 aan eiseres de in geschil zijnde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd en de beschikking heffingsrente vastgesteld. De overdrachtsbelasting beliep € 734.554. De verschuldigde overdrachtsbelasting is berekend uitgaande van een waarde van de aandelen overeenkomstig de taxatie door [BG] . De verschuldigde belasting is berekend als 50% van 98,33% van 6% van de waarde van de panden. Bij beschikking is daarbij € 116.396 aan heffingsrente in rekening gebracht.

9. Met dagtekening 19 mei 2016 heeft verweerder de tegen de naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente ingestelde bezwaren afgewezen.

10. Voorafgaand aan de zitting van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank de mogelijkheid onderzocht of gewenst was een deskundige in te schakelen. In dat kader is contact opgenomen met de Stab. De rechtbank heeft partijen hierover geïnformeerd per brief van 12 september 2019, alsmede over de mogelijkheid dat dit op de zitting aan de orde zou komen. Bij brief van 8 oktober 2019 aan partijen heeft de rechtbank hen nogmaals geïnformeerd over de communicatie met de Stab en ook over de inhoud daarvan. Tijdens de zitting van 16 oktober 2019 is onder meer besproken de mogelijkheid om een deskundige te benoemen.

11. Verweerder heeft brief van 19 november 2019 aangegeven akkoord te zijn met door eiseres ingebrachte meetrapporten van [BH] ( [BH] ).

12. Partijen zijn bij brief van 27 november 2019 geïnformeerd over het benoemen van een deskundige. Daarin staat dat de rechtbank heeft besloten de Stab als deskundige te benoemen en dat de Stab [L] van [BI] zal inschakelen. Bijgesloten is de brief van de rechtbank van 27 november 2019 aan de Stab, waarin staat dat de rechtbank de Stab als deskundige benoemt. Bijgevoegd zijn ook een brief van de rechtbank aan de Stab van 25september 2019 en een brief van de Stab aan de rechtbank van 1 oktober 2019.

13. In het kader van de deskundigenopdracht zijn de panden in januari en februari 2020 van buiten en, voor zover mogelijk, van binnen, opgenomen door [L] in aanwezigheid van vertegenwoordigers van partijen. Namens eisers is daarbij nadere informatie verstrekt aan [L] en verweerder.

14. In het door [L] opgestelde concept-taxatierapport is geconcludeerd tot een waarde van de panden in verhuurde staat van in totaal € 22.000.000. In de reactie daarop van eisers is bijgevoegd een overzicht van diverse gebruikte NAR-, BAR-, discontovoet- en exit yield-percentages, alsmede recente informatie over de panden in [AA] .

15. In de (definitieve) rapporten van de Stab en [L] is geconcludeerd tot een waarde van de panden in verhuurde staat van in totaal € 22.123.000 respectievelijk € 22.125.000. Daarbij is het pand in de deelneming opgenomen voor een waarde van € 585.000. Het pand aan de [AL] is ook gewaardeerd in leegstand, namelijk op € 3.340.000.

16. Bij de reactie van eisers op het rapport van de Stab is een reactie van [B] en mr. [O] van [P] gevoegd. Bij een nader stuk van eisers van 18 maart 2021 zijn calculaties van [..] ( [..] ) gevoegd.

17. Bij brieven van 9 april 2021 zijn namens eisers klachten ingediend tegen [G] en [L] bij de Stichting Tuchtrechtspraak NRVT. Dit is het tuchtrechtcollege van de Stichting Nederlandse Register Vastgoed Taxateurs (NRVT).

Geschil

18. In geschil is of terecht en zo ja, naar het juiste bedrag, overdrachtsbelasting is nageheven. In het bijzonder is daarbij in geschil of sprake is van een onroerend-goedlichaam. Niet in geschil is dat voldaan wordt aan de doeleis van artikel 4, eerste lid, letter a, van de WBR. In geschil is of wordt voldaan aan de bezitseis in dat artikel. Daarbij verschillen partijen over de vraag wat de waarde in het economische verkeer van de panden is.

19. Eiseres stelt dat kan worden toegegeven dat de taxaties na die van [BF] uit 2008 tot een hogere waarde leiden. Niet aannemelijk is echter dat de waarde objectief gezien dusdanig hoog is dat voldaan is aan de bezitseis. Daarvoor zou de totale waarde van de panden op de overdrachtsdatum minimaal (afgerond) € 18,55 miljoen moeten bedragen. Dit is niet het geval. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de belastingaanslag.

20. Verweerder stelt dat de bezittingen van de vennootschap op 30 december 2010 hoofdzakelijk bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, zodat sprake is van een onroerend-goedlichaam. In dit verband voert hij aan dat de waarde van de onroerende zaken minimaal € 24.901.000 bedraagt. Het totaal van de bezittingen van de vennootschap is € 32.851.042 waard, zodat onroerende zaken daarvan 75,8% uitmaken. Het beroep van verweerder op fraus legis is op de zitting van 5 december 2018 ingetrokken. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

21. De rechtbank heeft op de zitting van 21 april 2021 beslist en aan partijen meegedeeld dat een deel van de – deels geanonimiseerde – stukken die verweerder bij het nader stuk van 9 april 2021 had gesloten, te laat zijn ingediend en daarom buiten beschouwing moeten blijven. Het gaat hierbij om de bijlagen die gevoegd zijn bij de brief van [G] van 7 april 2021. Ter toelichting dient het volgende.

22. Er zijn veelvuldig stukken gewisseld door partijen. De informatie die bij de brief van 9 april 2021 in de hiervoor aangeduide stukken is ingebracht, dient ter onderbouwing van de huurwaarden die [G] in zijn brief van 18 augustus 2018 heeft genoemd en toen heeft gebruikt voor de onderbouwing van zijn standpunten. De informatie was al langer voorhanden bij [G] . Toch heeft verweerder deze informatie voor het eerst iets meer dan tien dagen voorafgaand aan de zitting van 21 april 2021 naar de rechtbank gestuurd. De stukken zijn op 12 april 2021 bij de rechtbank als ingekomen geregistreerd. Het zou naar het oordeel van de rechtbank in strijd zijn met een goede procesorde om de zaken opnieuw aan te houden opdat eisers van die stukken kennis kunnen nemen. Daarbij is relevant dat de ingebrachte informatie deels gezwart is. Een nieuwe beslissing van de geheimhoudingskamer op het impliciete verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb zou dus ook moeten worden afgewacht. Voorts is de informatie van ondergeschikt belang voor de beslissing in deze zaken. Verwezen wordt naar hetgeen hierna is overwogen ten aanzien van het gebruik van de informatie opgenomen in de brief van [G] van 18 augustus 2018 door de door de rechtbank ingeschakelde deskundige en het feit dat eisers die informatie op zich niet hebben bestreden.

23. De voornoemde bij de brief van 9 april 2021 gevoegde stukken, meer in het bijzonder de bijlagen bij de daarbij gevoegde brief van [G] van 7 april 2021, worden buiten beschouwing gelaten. Ze worden apart opgenomen in het dossier.

Algemeen

24. [U] en de echtgenote hebben op 30 december 2010 hun aandelen in de vennootschap overgedragen aan een vennootschap waarvan eiseres voor 50% rechtsopvolger is. Volgens verweerder is daarbij ten onrechte geen overdrachtsbelasting voldaan, hetgeen eiseres bestrijdt. In het bijzonder is in geschil of sprake is van een onroerend-goedlichaam.

25. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de WBR, wordt – voor zover relevant – onder de naam ‘overdrachtsbelasting’ een belasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de WBR wordt de belasting berekend over de waarde van de onroerende zaak. De waarde is ten minste gelijk aan die van de tegenprestatie. Onder waarde wordt gelet op artikel 52 van de WBR verstaan: waarde in het economische verkeer. Dit is de verkoopwaarde, dan wel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

26. Als zaken als bedoeld in artikel 2 van de WBR worden op grond van artikel 4, eerste lid, letter a, van de WBR, mede aangemerkt aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen (de activa van de rechtspersoon) op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken (bezitseis). Hoofdzakelijk wil zeggen 70% of meer. Daarbij geldt als voorwaarde dat de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken (doeleis). Op grond van artikel 10 van de WBR is de waarde van aandelen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de WBR gelijk aan de waarde van de goederen als bedoeld in artikel 2 van de WBR, welke door die aandelen middellijk of onmiddellijk worden vertegenwoordigd.

27. Voor de overdrachtsbelasting is gelet op het voorgaande doorslaggevend de tegenprestatie of de hogere waarde van de panden. Bij een onroerend goed-lichaam is dat de waarde van de panden die door de aandelen worden vertegenwoordigd. Daarbij kan in beginsel worden aangesloten bij de voor de aandelen overeengekomen prijs. Er is dan overdrachtsbelasting verschuldigd voor zover die prijs toerekenbaar is aan de panden. Als de waarde van die panden echter hoger is, is over die hogere waarde overdrachtsbelasting verschuldigd, voor zover de overgedragen aandelen die panden vertegenwoordigen.

28. Niet in geschil in deze zaak is dat ter zake van de panden in de vennootschap (daaronder begrepen het pand in de deelneming) is voldaan aan de bezitseis. De panden zijn verder alle gelegen in Nederland. De vraag moet worden beantwoord of ten tijde van de verkrijging de bezittingen van de vennootschap voor 70% of meer bestonden uit die panden. Daarvoor is doorslaggevend wat de waarde van de panden is. Hierna wordt daarom ingegaan wat de waarde van de panden was op 30 december 2010.

29. Vervolgens worden de overige klachten behandeld en de immateriële- schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Waarde in het economische verkeer van de panden

30. De rechtbank verwijst naar hetgeen in de zaken met kenmerknummers

HAA 16/1680 en HAA 16/1681 is overwogen ten aanzien van de waarde in het economische verkeer van de panden.

31. Eiseres heeft in het kader van de overdrachtsbelasting aanvullend gesteld dat ten gevolge van de bezitseis een ‘alles of niets’ resultaat bestaat. Als de waarde boven de (afgerond) € 18,55 miljoen komt, is het gevolg daarvan dat een aanzienlijk bedrag aan belasting verschuldigd is. Daarom moet bekeken worden of de taxatie van [BF] ook een reële waardering heeft opgeleverd, aldus eiseres. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Doorslaggevend is immers de waarde van de panden indien deze hoger blijkt dan hetgeen volgt uit de overeengekomen prijs voor de aandelen. Dat er een zekere ‘taxatiemarge’ is, moge zo zijn. Voor de overdrachtsbelasting dient echter de waarde in het economische verkeer te worden bepaald. Overigens acht de rechtbank gelet op het aanzienlijke verschil de uit de taxatie door [BF] in 2008 vloeiende waarde niet reëel voor de overdracht op 30 december 2010.

32. De conclusie luidt dat de panden op 30 december 2010 een waarde in het economische verkeer hebben van € 22.123.000.

Overige klachten

33. Eiseres heeft gesteld dat de gang van zaken met betrekking tot de taxaties door [G] en de wijze waarop hij is behandeld door de Belastingdienst, onjuist zijn geweest. In dit verband wijst eiseres erop dat invallen hebben plaatsgevonden, bezoeken onder valse voorwendselen hebben plaatsgevonden en [U] is geïntimideerd. Ook is de taxatie door [BG] onzorgvuldig en onjuist gemotiveerd. [G] heeft onjuist en niet onafhankelijk gehandeld. Namens verweerder is niet integer of betamelijk gehandeld.

34. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Dat eiseres zich onheus bejegend voelt, moge zo zijn, doch dat op zich kan niet tot vermindering van de naheffingsaanslag leiden. Wel zou het kunnen leiden tot toekenning van proceskosten en/of toekenning van schadevergoeding. Dat onbetamelijk is gehandeld, is echter naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Dat verweerder fouten heeft gemaakt, leidt namelijk niet tot die conclusie. De zaken zijn van een dusdanige omvang dat onvermijdelijk is dat partijen enige fouten maken. Ook blijkt uit hetgeen [G] heeft gesteld dat het nodige is af te dingen op de taxatie door [BG] . [G] komt echter ook zelf steeds tot nieuwe inzichten, afhankelijk van nader bekend geworden informatie. Eiseres heeft niet voldoende onderbouwd dat de fouten die zijn gemaakt namens verweerder, groter zijn dan ondergeschikt en/of opzettelijk zijn begaan.

Conclusie ten aanzien van de naheffingsaanslag

35. De verschuldigde belasting voor de naheffingsaanslag had verweerder berekend als 50% van 98,33% van 6% van de waarde van de panden. De juistheid hiervan heeft eiseres op zich niet bestreden. Van deze berekeningswijze uitgaand, bedraagt de overdrachtsbelasting verschuldigd door eiseres: 50% * 98,33% * 6% * € 22.123.000 = € 652.606.

36. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot dit bedrag. Het beroep is dan ook gegrond.

Overschrijding redelijke termijn

37. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

38. De redelijke termijn is overschreden. Verwezen wordt naar hetgeen is overwogen in de zaken met kenmerknummers HAA 16/1680 en HAA 16/1681, waarin uitspraak wordt gedaan op dezelfde datum als in de onderhavige zaken. Gelet op het aldaar overwogene zal de Minister van Justitie en Veiligheid worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 625.

Proceskosten

39. De rechtbank ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase. Verwezen wordt naar hetgeen is overwogen in de zaken met kenmerknummers HAA 16/1680 en HAA 16/1681, waarin uitspraak wordt gedaan op dezelfde datum als in de onderhavige zaken.

40. Aangezien sprake is van samenhang met de voornoemde twee zaken, in die zaken een vergoeding in dit verband wordt toegekend en daarbij rekening is gehouden met de samenhang (ook met de zaak met kenmerknummer HAA 16/3173), wordt in deze zaak niet ook een vergoeding toegekend.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot op een bedrag van € 652.606;
  • vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 625;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Dit bericht werd geplaatst in: Belastingcontrole Fiscale procedures

Stuur een reactie naar de auteur