De zitting

Voorbereiding op de inhoudelijke (mondelinge) behandeling van het beroep bij de rechter

Inleiding

Nu het beroepschrift is ingediend en daarin een met feiten onderbouwdepositie is ingenomen, komt de zitting in zicht. Op de zitting vindt de mondelinge behandeling van het beroep door de rechter plaats. Daarbij zullen zowel de standpunten van de belanghebbende als die van de inspecteur van de Belastingdienst aan bod komen.

Het indienen van processtukken

In het beroepschrift worden door de adviseur/advocaat de feiten gesteld, de punten waarover onenigheid bestaat beschreven en de gronden (de argumenten) uitgewerkt die het gelijk van de cliënt onderbouwen. De rechtbank deelt de ingestuurde processtukken met de inspecteur en vice versa. De inspecteur heeft de mogelijkheid om op het beroepschrift te reageren met een verweerschrift. Daarin stelt de inspecteur de feiten die zijns inziens vaststaan, geeft de geschilpunten weer en onderbouwt met feiten en rechtspraak de standpunten die hij daaromtrent inneemt. Het verweerschrift is qua opbouw dus het spiegelbeeld van het beroepschrift.

In bepaalde situaties is het wenselijk om de argumenten uit het beroepschrift nader te motiveren vóór de mondelinge behandeling van de zaak. Dat is zeker het geval als ‘pro forma’ beroep wordt ingesteld. Bij zo’n beroep wordt aan alle formele vereisten voor het instellen van beroep voldaan, behalve de motivering (argumentatie) die volledig ontbreekt.  Ook kan een nadere motivering van de argumenten of een toevoeging van feiten gewenst zijn, bijvoorbeeld als in het verweerschrift punten worden aangehaald die in het beroepschrift niet of onvoldoende zijn behandeld.

Het stuk met een aanvullende motivering van de gronden of toelichting op de feiten dient op grond van artikel 8:58 Awb uiterlijk tien dagen voor de zitting te worden ingediend, vandaar dat dit nadere stuk ook wel een ’10-dagenstuk’ wordt genoemd.

Het 10-dagenstuk 

In het 10-dagenstuk kunnen in aanvulling op het beroepschrift nadere stukken worden ingediend. De uiterste termijn daarvoor is de elfde dag voor de zitting, deze termijn wordt niet verlengd bij een nationale feest- of weekenddag zoals gebruikelijk is bij de termijn voor het instellen van bezwaar en beroep. Een termijn van tien dagen wordt gehanteerd zodat alle procespartijen, te weten: de rechters, de adviseur/advocaat van de belastingplichtige en de inspecteur van de Belastingdienst, voldoende tijd hebben om de ingestuurde stukken te bestuderen en zich voor te bereiden op de mondelinge behandeling van de zaak. Op deze wijze wordt beoogd een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen.

Het voorgaande roept direct de vraag op of stukken die worden ingestuurd ná de elfde dag voor de zitting niet tot de processtukken worden gerekend en als gevolg daarvan buiten beschouwing worden gelaten bij de behandeling van het beroep. Dat is niet per definitie het geval.  De Hoge Raad heeft in een arrest van 1 oktober 2004[1] geoordeeld dat de belastingrechter de mogelijkheid heeft om stukken die binnen tien dagen voor de zitting of pas op de zitting worden overgelegd buiten de procedure te laten. Dat kan bijvoorbeeld als de rechter meent dat het toelaten van de stukken in strijd komt met de beginselen van een goede procesorde. Daarbij moet met name worden gedacht aan de mogelijkheid van de wederpartij om tegenargumenten in te brengen. Maar ook andere procesbelangen, zoals het doelmatige, efficiënte verloop van de procedure kunnen een rol spelen. Daarbij kan de omvang van de ingediende stukken en de hoeveelheid van daarin aanwezige (nieuwe) informatie van belang zijn. De rechter zal dus een afweging moeten maken waarbij wordt beoordeeld of het belang van de partij bij het alsnog overleggen van de stukken zwaarder weegt dan het algemene belang van een doelmatige procesgang.

Nieuwe gronden?

De behandeling van het beroep is in beginsel gericht op de gronden die in het beroepschrift zijn aangevoerd. De vraag is dan of in het 10-dagenstuk nog nieuwe gronden mogen worden aangevoerd. Als in het 10-dagenstuk (of op de zitting) een nieuwe stelling wordt aangevoerd of feitelijke gegevens worden gesteld die in wezen een nieuwe stelling inhouden, kan de rechter die stelling en feiten als ‘tardief’ (te laat) beschouwen. Daartoe kan worden beslist als het belang van een goede procesorde zwaarder weegt dan het toelaten daarvan.[2] Uit de praktijk blijkt echter dat de belastingrechter niet snel geneigd is om nieuwe stukken of stellingen buiten beschouwing te laten. In de praktijk komt het erop neer dat een partij in een 10-dagenstuk of ter zitting nieuwe stellingen kan inbrengen en nieuwe feiten kan stellen, ook ter onderbouwing van nieuwe stellingen. Dat alles tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet. Als de rechter van mening is dat de wederpartij met de toelating daarvan in haar belangen wordt geraakt, kan het onderzoek ter zitting geschorst op grond van artikel 8:64 Awb en wordt de behandeling van de zaak verdaagd.

De pleitnota

Het beroepschrift is ingestuurd, eventueel aangevuld met een 10-dagenstuk en de zitting is over een paar dagen. Wat nu? De pleitnota! De pleitnota is het stuk dat door de advocaat tijdens de mondelinge behandeling van de zaak wordt voorgedragen. Hierin kan een bepaald standpunt nader worden toegelicht of worden gereageerd op de standpunten uit het verweerschrift van de inspecteur. De pleitnota dient dus niet als een algehele herhaling van hetgeen in het beroepschrift al dan niet tezamen met het nadere stuk is aangevoerd.

In de praktijk is het gebruikelijk om de pleitnota voorafgaand aan het pleidooi uit te delen aan de verschillende procespartijen. Ook komt het voor dat de pleitnota voorafgaande aan de zitting wordt toegezonden aan de wederpartij zodat die daarop ter zitting kan reageren. Bij het uitdelen van de pleitnota ter zitting geldt (bij een meervoudige kamer) als volgorde: eerst de voorzitter (in het midden), de oudste rechter (links van de voorzitter), de jongste rechter (rechts van de voorzitter), de griffier (rechts van de jongste rechter) en de wederpartij.

Het horen van getuigen

In het fiscale bestuursrecht bestaat op grond van artikel 8:60 Awb de mogelijkheid voor de rechter om ambtshalve en voor partijen op verzoek getuigen op te roepen. Een partij kan een getuige op grond van artikel 8:60 lid 4 Awb meebrengen naar de zitting of laten oproepen middels aangetekende brief of deurwaardersexploot, mits daarvan uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting aan de bestuursrechter en andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaats. De getuigen die met inachtneming van artikel 8:60 lid 4 Awb zijn meegebracht worden in beginsel gehoord, tenzij de rechter daarvan afziet. De rechter kan van het horen afzien als hij van oordeel is dat het horen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.[3] De rechter dient in de uitspraak melding te maken van de beslissing ter zake en van de gronden waarop die beslissing berust, waarbij de mate waarin de beslissing motivering behoeft afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.[4]

Een partij die een niet verschenen getuige conform de vereisten van artikel 8:60 lid 4 Awb heeft opgeroepen, kan de rechter ter zitting verzoeken de getuige nogmaals op te roepen. Een dergelijk verzoek wordt over het algemeen slechts afgewezen als de rechter van oordeel is dat het horen redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Een ambtshalve of op verzoek van een partij door de rechter opgeroepen getuige is krachtens artikel 8:60 lid 2 Awb verplicht te verschijnen.

Vragen van de rechter

Het sluitstuk van de voorbereiding voor de zitting is het moeilijkst, namelijk proberen te anticiperen op de vragen die door de rechtbank zullen worden gesteld. Ook moet worden geanticipeerd op vragen die worden gesteld naar aanleiding van hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht. Dit vergt van een advocaat om buiten het eigen denkkader te treden en denkbeeldig op de stoel van de rechter en die van de tegenpartij te gaan zitten. Welke vragen en/of standpunten zullen zij hebben? Want bedenk wel: elke rechter heeft bij aanvang van de zitting een beeld van de uitkomst die de zaak zal hebben. Het is de taak van de adviseur/advocaat om dat beeld te onderkennen, inzicht te krijgen in het denken van de rechter, en dat beeld en denken zoveel mogelijk te beïnvloeden ten gunste van de cliënt. Dat is per slot van rekening de meerwaarde van de “rechtskundige bijstand” door adviseur/advocaat.


[1] Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3099.

[2] Zie o.a. Hoge Raad 15 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8651 en Hoge Raad 22 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3223.

[3] HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.

[4] HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2798.

Dit bericht werd geplaatst in: Blogs

Stuur een reactie naar de auteur