Door vernietiging en terugwijzing gaat geen nieuwe redelijke termijn lopen

Samenvatting


Op 13 maart 2014 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd. Belanghebbende heeft hiertegen op 14 maart 2014 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en belanghebbende is in beroep gegaan. Op 25 juni 2015 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Op 29 mei 2017 heeft de inspecteur opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. De naheffingsaanslag is vernietigd en de inspecteur heeft een kostenvergoeding van € 246 toegekend. Belanghebbende komt in beroep. In geschil zijn diverse formele punten, waaronder de immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de hoogte hiervan ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag hoe in het onderhavige geval de lengte van de redelijke termijn bepaald dient te worden. Meer in het bijzonder speelt de vraag of door de terugwijzing naar de inspecteur een nieuwe termijn is gaan lopen. De rechtbank komt na afweging van de standpunten voor en tegen tot de conclusie dat geen nieuwe termijn is gaan lopen en dat de redelijke termijn derhalve een lengte heeft van twee jaren. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met drie jaar en één maand. Belanghebbende heeft recht op een immateriëleschadevergoeding van € 3.500. De periode van overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van een hernieuwde bezwaarbehandeling en een tweede beroepsprocedure wordt in beginsel aan de inspecteur toegekend. Omdat de tweede beroepsprocedure 23 maanden heeft geduurd, wordt van de overschrijding van de redelijke termijn vijf maanden toegerekend aan de minister van Rechtsbescherming.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar


Wat is een redelijke termijn voor een procedure, wanneer deze is teruggewezen naar een eerdere instantie die (opnieuw) heeft moeten oordelen? In het bijzonder: wat als de inspecteur zich opnieuw in bezwaar over een beschikking moet buigen? In dit commentaar ga ik in op die formele kwestie voor zowel Hof Den Bosch 15 februari 2019 (NTFR 2019/1570) als voor Rechtbank Zeeland-West- Brabant 12 april 2019 (NTFR 2019/1571).


Interessant is dat de rechtbank afwijkt van de lijn die een paar maanden eerder door ‘haar’ hof is ingezet. Rechtbanken gaan niet ‘zomaar’ contrair en dus is de uitspraak van de rechtbank goed gemotiveerd. Ook het hof geeft in zijn uitspraak eveneens blijk van een afweging van diverse opties, maar komt tot een tegengesteld oordeel.


De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, NTFR 2016/752 nog geen antwoord gegeven voor deze specifieke situatie. Weliswaar heeft de Hoge Raad (in r.o. 3.4.5) overwogen dat voor verwijzing door de Hoge Raad naar hof of rechtbank de redelijke termijn wordt verlengd met één jaar, maar voor een hernieuwde beslissing op bezwaar geeft dit geen uitsluitsel. Andere hoogste rechters (in niet-fiscale zaken) oordeelden eerder dat terugwijzing naar de bezwaarfase de redelijke termijn niet verlengt, ook een oordeel daterend van na voormeld overzichtsarrest van de Hoge Raad (CRvB 25 mei 2016, nr. 14/5479, ECLI:NL:CRVB:2016:2019).


Het hof aarzelt tussen de éénjaarstermijn voor verwijzing door de Hoge Raad en (een extra) twee jaar als uitgangspunt voor bezwaar en beroep, aangezien de procedure in volle omvang zal moeten worden behandeld en dus ook die termijn nogmaals nodig zal zijn. Dat laatste argument acht het hof doorslaggevend en daarom kiest het hof voor een aanvullende termijn van twee jaar.


De rechtbank kijkt eveneens naar de oordelen van de niet-fiscale hoogste bestuursrechter, maar legt een ander perspectief aan. Relevant is dat de rechtbank ook zelf beslist in (niet-fiscale) bestuursrechtelijke zaken die in hoger beroep worden behandeld door de Centrale Raad van Beroep en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Interne rechtseenheid binnen de rechtbank zal een belangrijke reden geweest zijn om contrair te gaan.


De rechtbank kiest voor de lijn die aansluit bij het perspectief van de rechtzoekende. De vergoeding van immateriële schade is gebaseerd op de veronderstelde spanning en frustratie vanwege de lange duur van een procedure, die niet eindigen door terugwijzing. Bovendien zal bij terugwijzing naar de inspecteur sprake zijn van een misslag door het bestuursorgaan. Gelet daarop zie ik geen reden de extra tijd door verwijzing voor rekening van de rechtzoekende te laten en kan ik mij dus meer vinden in de lijn van de rechtbank.

[1]Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur