Eenmaal recht op dwangsom voor echtpaar dat gezamenlijk en gelijktijdig bezwaar maakt tegen paspoortleges

NTFR 2020/3342
Rechtbank Noord-Holland, 30 september 2020, AWB – 20_172, ECLI:NL:RBNNE:2020:3387

Samenvatting

Belanghebbende en zijn echtgenote vragen een paspoort aan. In een en dezelfde factuur worden aan hen beiden leges in rekening gebracht. Wegens niet-tijdig beslissen op het bezwaar daartegen verbeurt de heffingsambtenaar een dwangsom. De rechtbank is van oordeel dat voor echtgenoten die gezamenlijk bezwaar maken tegen paspoortleges slechts eenmaal recht op een dwangsom bestaat. De aanslagen zijn vervat in één aanslagbiljet. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben ook in één bezwaarschrift bezwaar gemaakt. Nu de zaken inhoudelijk samenhingen, kon de heffingsambtenaar in één brief met dezelfde motivering het bezwaar afdoen. De heffingsambtenaar is daarom slechts eenmaal een dwangsom van € 1.442 verschuldigd. De rechtbank oordeelt evenwel dat beide echtgenoten een zelfstandig recht hebben op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het feit dat zij samen de procedure hebben gevoerd, de rechtsbijstand is verleend door hun zoon en de zaken samenhangen, heeft een matigende invloed op de spanning, het ongemak en de onzekerheid die zij hebben ondervonden van de lange procedure. De rechtbank kent beide echtgenoten een schadevergoeding toe, maar matigt die tot voor ieder € 250. Inhoudelijk verwerpt de rechtbank het beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

De onderhavige procedure gaat primair om het geschil of de legesverordening 2018 verbindende kracht mist vanwege overschrijding van de opbrengstlimiet van art. 229b, lid 1, Gem.w. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat vanwege deze overschrijding ten onrechte een aanslag leges van € 34,61 per persoon is opgelegd. Belanghebbenden hebben op 18 april 2018 bezwaar gemaakt tegen de leges.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar van het Noordelijke Belastingkantoor voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opbrengstlimiet niet is overschreden, waardoor de aanslagen in stand kunnen blijven. Aan dit oordeel ging echter een lange bezwaar-/beroepsprocedure vooraf waarbij de heffingsambtenaar een dwangsom van € 1.442 verbeurde wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op 8 november 2019 uitspraak op bezwaar gedaan, waartegen belanghebbenden beroep hebben ingesteld.

Tegen de hoogte van de dwangsom hebben belanghebbenden op 7 januari 2020 (apart) bezwaar gemaakt en zij zijn tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op dat bezwaar in beroep gegaan. Uiteindelijk heeft de heffingsambtenaar op 15 juli 2020 alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. De verschillende beroepen zijn gezamenlijk behandeld.

Het instellen van het beroep tegen de vaststelling van de hoogte van de dwangsommen is in dit geval overbodig. Art. 4:19, lid 1, Awb bepaalt dat er geen aparte beroepsprocedure hoeft te worden gestart tegen de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom indien tegen de beschikking op de aanvraag reeds beroep is ingesteld. In de beroepsprocedure tegen de beschikking op de aanvraag kunnen de bezwaren tegen de vaststelling van de hoogte van de dwangsom worden ingebracht. De rechtbank neemt het de heffingsambtenaar daarom kwalijk dat hij belanghebbenden niet op art. 4:19 Awb heeft gewezen, en draagt de heffingsambtenaar op het griffierecht te vergoeden. Hoewel het beroep tegen de legesbeschikkingen ongegrond werd verklaard, konden de klachten over de vaststelling van de hoogte van de dwangsommen wel worden behandeld in dezelfde beroepsprocedure.

Tot slot is nog in geschil of de belanghebbenden recht hebben op immateriëleschadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn begint te lopen vanaf het moment dat het bezwaarschrift is ingediend. In het bovenstaande geval betrof de termijnoverschrijding vijf en een halve maand. Belanghebbenden hadden dus zelfstandig recht op immateriëleschadevergoeding van in beginsel € 500 (vgl. HR 30 januari 2015, nr. 14/01954, NTFR 2015/1234). Deze schadevergoeding is echter niet in de volle omvang aan hen toegekend. Uit jurisprudentie (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, NTFR 2016/752) volgt dat zich omstandigheden kunnen voordoen die een matigend effect hebben op de spanning en frustratie. Een van deze factoren betreft het gezamenlijk behandelen van zaken van verschillende belanghebbenden, hetgeen in de onderhavige zaak van toepassing was. Daarnaast nam de rechtbank in overweging dat de zoon van belanghebbenden optrad als gemachtigde en de zaken samenhingen. De rechtbank kende belanghebbenden € 250 per persoon toe aan immateriëleschadevergoeding.

Noot
[1] Mr. T.J. Droog is advocaat bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Stuur een reactie naar de auteur