Eindelijk positief nieuws voor autobedrijven met BPM-problemen!

“Export van auto’s via Duitsland naar buiten de EU/EER: verdwijnen naheffingsaanslagen BPM als sneeuw voor de zon?
De rechtbank Gelderland geeft de Belastingdienst ongelijk en vindt de teruggaaf BPM terecht.”

De autohandel ligt al sinds jaar en dag onder het vergrootglas van de Belastingdienst. Wij zien veel procedures die gaan over de juiste toepassing van het btw-nultarief, toepassing van de margeregeling en BPM-perikelen bij autobedrijven. Als eindejaarsgeschenk 2022 ontvingen meerdere autohandelaren van de Belastingdienst een naheffingsaanslag BPM 2017 voor – volgens de Belastingdienst – onterechte teruggaven van (rest)-BPM bij export.

Rechtbank Gelderland biedt hoop voor de bedrijven die zo’n naheffingsaanslag BPM hebben ontvangen en het daar niet mee eens zijn. Waarom is de rechtbank het oneens met de Belastingdienst? Ik leg het u uit in dit blog.

Voorwaarden voor BPM teruggaaf

Iemand die een auto exporteert vanuit Nederland naar een EU-lidstaat of EER-staat kan (rest)-BPM terugvragen. Per 1 januari 2016 golden daarvoor (kortgezegd) de volgende voorwaarden:

  • De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister komt te vervallen omdat de auto buiten Nederland wordt gebracht;
  • De auto wordt (duurzaam) ingeschreven in een andere EU-lidstaat/EER-staat, en
  • Die andere staat geeft een kentekenbewijs af.

Praktijk, door-exporteren naar buiten de EU/EER

In de praktijk was het gebruikelijk om de auto eerst duurzaam te registreren in een EU-lidstaat en vervolgens door te exporteren naar buiten de EU of EER .

Op basis van de wettekst bestond in die situatie ook een recht op teruggaaf van BPM. De wettekst eiste niet dat de auto ook daadwerkelijk naar de andere EU-lidstaat/EER-staat, waar deze duurzaam werd geregistreerd, moest zijn overgebracht.

Deze “route” was bij de wetgever wel bekend. Toch is er bewust voor gekozen om niet als voorwaarde te stellen dat het voertuig buiten Nederland moet worden gebracht met de EU-lidstaat/EER-staat als duurzame bestemming. Om onterechte teruggaaf van BPM bij export in deze situatie te voorkomen, is alleen de eis gesteld dat het gaat om een duurzame (niet tijdelijke) inschrijving in de EU-lidstaat/EER-staat.

Desalniettemin zag de Belastingdienst dit anders. Autohandelaren krijgen vaak door de inspecteur tegengeworpen dat de auto in het kader van registratie in de andere EU-lidstaat/EER-staat wordt vervoerd naar die staat. De inspecteur vond dat dit bleek uit de bedoeling van de teruggaafregeling.

Bij enkele rechters kreeg de Belastingdienst gelijk

Hoewel het feitelijke vervoer naar de andere EU-lidstaat/EER-staat niet uit de wettekst volgde als voorwaarde voor de teruggaaf van BPM, slaagde dit argument van de Belastingdienst in 2018 wel. Zo gaven Rechtbank Den Haag en Gerechtshof Den Haag de inspecteur toen gelijk. Deze rechters vonden ook dat uit de tekst en kennelijke bedoeling van de teruggaafbepaling volgde dat de auto, in het kader van de registratie, moest worden vervoerd naar de andere EU-lidstaat/EER-staat.

Let op!

De wet (artikel 4a Uitvoeringsbesluit BPM 1992) die de voorwaarde van de teruggaaf BPM omschrijft is sindsdien meerdere keren gewijzigd op dit punt.

Zo is per 1 januari 2021 vereist dat op verzoek van de inspecteur bescheiden moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig naar de lidstaat/ EER-staat is gebracht van inschrijving.

Per 1 januari 2022 geldt er een (tekstuele) aanpassing waarbij “buiten Nederland wordt gebracht” is vervangen door “is gebracht naar de andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel de staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waar het motorrijtuig is ingeschreven”.

Maar: er is hoop!

Rechtbank Gelderland komt tot een geheel andere conclusie dan de Haagse rechters in 2018. Ook bij de rechtbank Gelderland ging het om ‘door-export’ naar buiten de EU/EER, met duurzame registratie in Duitsland.

De rechtbank Gelderland was het niet eens met de inspecteur dat de auto’s, in het kader van de Duitse duurzame registratie, naar Duitsland moesten worden gebracht, en dat er anders geen recht op teruggaaf van BPM zou zijn. Volgens de rechtbank blijkt die voorwaarde niet uit de wettekst.

Wel erkende de Rechtbank dat de teruggaafregeling uitsluitend was bedoeld voor export naar een andere EU-lidstaat/EER-staat. Maar doordat de wetgever (kennelijk) welbewust ervoor heeft gekozen om in de wettekst niet op te nemen dat het voertuig buiten Nederland moet worden gebracht met de (duurzame) bestemming de andere EU-lidstaat/EER-staat, kan een beroep op de bedoeling van de wetgever van de teruggaafregeling niet slagen.

Oftewel; als de wetgever het probleem bij doorexport heeft gezien maar er kennelijk voor heeft gekozen om de mogelijkheid van teruggaaf BPM bij doorexport in stand te laten, dan kan de Belastingdienst een BPM-teruggaaf bij doorexport niet weigeren met een beroep op de kennelijke  bedoeling van de wetgever.

In deze procedure deed de inspecteur nog een extra poging om zijn gelijk te halen. Hij vond dat sprake was van misbruik van recht (fraus legis) door de voertuigen te registreren in Duitsland. Deze poging strandde omdat de inspecteur onvoldoende bewijs had aangevoerd voor dit misbruik. Uit het bewijs zou dan moeten blijken dat het wezenlijke doel van de registratie in Duitsland het verkrijgen van de teruggaaf van BPM was. Dat doel vond de rechtbank niet aannemelijk. Op de zitting was namelijk besproken dat de autohandelaar commerciële redenen had voor de registraties van de auto’s in Duitsland.

Conclusie

Er is hoop voor de autohandelaren die een naheffingsaanslag BPM hebben ontvangen of gaan ontvangen waarbij de kwestie van door-export speelt. Het is belangrijk om tijdig bezwaar te maken tegen die naheffingsaanslag met als argument dat er geen ruimte is voor naheffing met enkel een beroep op de bedoeling van de wetgever.

Heeft u vragen of heeft u een naheffingsaanslag BPM ontvangen waarbij doorexport een rol speelt? Bel of e-mail dan gerust!

Stuur een reactie naar de auteur