Geen aangifte gedaan: omkering bewijslast

Samenvatting

Belanghebbende is aanmerkelijkbelanghouder van in Nederland gevestigde vennootschappen en geniet loon ter zake van in Nederland verrichte arbeid. De stelling van belanghebbende dat hij in Bulgarije woonde en niet aangifteplichtig was, faalt. Nu belanghebbende de aan hem uitgereikte aangifte niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend, rust op hem de last te bewijzen dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Belanghebbende slaagt niet in dat bewijs en de aanslag is redelijk. De verzuimboete blijft in stand.
(Hoger beroep ongegrond.)

Commentaar

Wanneer een bestuursrechter ervoor kiest om onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter zitting mondelinge uitspraak te doen, moet hij daarbij tevens vermelden binnen welke termijn een rechtsmiddel kan worden aangewend (art. 8:67, lid 5, Awb). Van deze mondelinge uitspraak wordt vervolgens een proces-verbaal opgemaakt, dat binnen twee weken na het doen van de mondelinge uitspraak aan partijen wordt toegezonden (art. 8:79, lid 1, Awb). De vraag die daarbij kan worden gesteld, is op welk moment de hogerberoepstermijn gaat lopen: de dag na de mondelinge uitspraak of de dag na de verzending van het proces-verbaal? De Hoge Raad heeft zich nog niet expliciet over deze kwestie uitgelaten, maar in de onderhavige uitspraak oordeelt Hof Den Bosch – in navolging van zijn uitspraak van 5 december 2013 (nr. 12/00297, NTFR 2014/545, met commentaar van Steenman) – dat de hogerberoepstermijn reeds aanvangt op de dag ná de mondelinge uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel van Hof Den Bosch wijkt af de overige hoogste bestuursrechters (ABRvS en CRvB) en het is de vraag welke opvatting de Hoge Raad – die al enige tijd openlijk harmonisatie nastreeft met de beslissingen van overige bestuursrechters – uiteindelijk erop zal nahouden.
Een ander aspect in de onderhavige procedure betreft de stelling van belanghebbende dat hij niet belastingplichtig was en bijgevolg ook niet verplicht was om (tijdig) gevolg te geven aan de hem toegezonden uitnodiging tot het doen van aangifte. Een uitnodiging om aangifte te doen, is evenwel geen vrijblijvende aangelegenheid: iedereen die wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte is vervolgens verplicht daaraan gevolg te geven. Die verplichting bestaat ook als de genodigde niet belastingplichtig is. Wel kan een genodigde die op redelijke gronden meent niet-belastingplichtig te zijn ermee volstaan het aangiftebiljet oningevuld terug te sturen, mits hij daarbij uitdrukkelijk en gemotiveerd aangeeft waarom hij meent niet-belastingplichtig te zijn (HR 27 maart 1996, nr. 31.209, BNB 1996/273).
Alsdan treft hem niet het verwijt dat hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Indien de inspecteur het vervolgens niet eens is met de genodigde, kan opnieuw een aangiftebiljet worden uitgereikt (HR 26 augustus 1998, nr. 33.687, BNB 1998/350). Als de genodigde – zoals in het onderhavige geval – geen enkel (tijdig) gevolg geeft aan de uitnodiging om aangifte te doen, dan leidt dat tot omkering van de bewijslast en zal belanghebbende uiteindelijk moeten aantonen dat hij niet belastingplichtig is. En in dat bewijs zal een belanghebbende – net zoals in het onderhavige geval – veelal niet slagen.

[1] Igor Thijssen is verbonden aan KanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-939
Datum: 14-4-2016 14:44:35

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur