Geen integrale vergoeding van proceskosten bij onzorgvuldig opgelegde informatiebeschikking

Samenvatting


Aan belanghebbende is een informatiebeschikking opgelegd naar aanleiding van een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de willekeurige afschrijving op zeeschepen. In het kader van dit onderzoek zijn verklaringen afgelegd over het ontbreken van een timecharter-contract van het schip waarover willekeurig wordt afgeschreven. In de bezwaarfase is de informatiebeschikking ingetrokken. Het verzoek om integrale kostenvergoeding is afgewezen. Er is wel een forfaitaire kostenvergoeding toegekend. In beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de gemaakte integrale kosten in de bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank overweegt dat op grond van art. 52a AWR in de informatiebeschikking dient te worden opgenomen welke van de in het artikel genoemde verplichtingen niet zijn nagekomen. In de informatiebeschikking is dit onvoldoende nauwkeurig omschreven. Daarnaast staat in de informatiebeschikking ten onrechte niet een termijn om alsnog de gevraagde (juiste) informatie te verstrekken. Verder is in de informatiebeschikking gesteld dat er onjuiste informatie is verstrekt, maar niet dat dit opzettelijk is gedaan. De beschikking is om die reden ten onrechte afgegeven wegens het niet nakomen van de verplichtingen in art. 47 AWR. De rechtbank concludeert dat de informatiebeschikking inhoudelijk onjuist is geweest. Ten aanzien van de vraag of in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld bij het opleggen van de informatiebeschikking overweegt de rechtbank dat de beschikking rauwelijks is opgelegd en dat niet sprake is geweest van de normaal van de inspecteur te verwachten zorgvuldigheid. Voor het veroordelen van de inspecteur in de proceskosten in afwijking van het forfaitaire tarief dient echter in vergaande mate onzorgvuldig te zijn gehandeld en daarvoor acht de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Commentaar


Op grond van art. 2, lid 1, BPB is het uitgangspunt dat proceskosten voor rechtsbijstand op forfaitaire basis worden vergoed. Op grond van art. 2, lid 3, BPB kan daar in bijzondere omstandigheden van worden afgeweken. Volgens de Hoge Raad is van een bijzondere omstandigheid sprake indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal houden; het zogenoemde handhaven tegen beter weten in. Voorts is in vergaande mate onzorgvuldig handelen eveneens een bijzondere omstandigheid.

De rechter stelt echter niet al te hoge eisen aan inspecteurs. Niet vaak wordt de inspecteur veroordeeld tot betaling van afwijkende proceskosten omdat zijn onjuiste standpunten tegen beter weten in zouden zijn genomen. Niet snel vindt een rechter dat onzorgvuldigheden erg genoeg zijn om een hogere vergoeding toe te kennen. Zo ook in de onderhavige procedure. Zélfs na intern beraad over (het nemen van) de informatiebeschikking volgt fout na fout na fout. Afwijken van het ‘fooienbesluit’ zou naar mijn mening hier dan ook gerechtvaardigd zijn.

[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in:

Stuur een reactie naar de auteur