Geen ‘mede-belanghebbende’ door restrictieve uitleg van dat begrip, maar op bezwaar moet wel tijdig worden beslist

Samenvatting


Het huwelijk van belanghebbende en zijn ex-echtgenote is in 2003 ontbonden. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde de echtelijke woning, die in 2002 executoriaal is verkocht. De ex-echtgenote heeft deze woning in 2000 verlaten. In haar aangifte IB/PVV over 2002 heeft zij 50% van de achterstallige hypotheekrente afgetrokken. Deze aangifte is gevolgd. Belanghebbende maakt in 2014 bezwaar tegen de aan zijn ex-echtgenote opgelegde aanslag. Tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak stelt belanghebbende in 2015 beroep in. De inspecteur verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in dit beroep, omdat hij geen mede-belanghebbende is in de zin van art. 26a, lid 2, AWR. De rechtbank bevestigt deze uitspraak. De wetgever heeft met de invoering van art. 26a, lid 2, AWR rechten van bezwaar en beroep willen toekennen aan een derde van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag betrekking heeft. In het onderhavige geval zijn belanghebbende en zijn ex-echtgenote in het jaar 2002 geen fiscale partners meer omdat zij in dat jaar duurzaam gescheiden leefden. Ook indien de rechtbank belanghebbende zou volgen in zijn stelling dat hij tot de woning voor 62% economisch gerechtigd was en dat de ex-echtgenote daarom een te hoog bedrag aan hypotheekrente heeft afgetrokken, kan belanghebbende nog niet als mede-belanghebbende worden aangemerkt. Van enig wettelijk geregelde toerekening is namelijk geen sprake doordat wegens het ontbreken van een fiscaal partnerschap het aandeel van belanghebbende niet in de aanslag van de ex-echtgenote kan zijn begrepen. Hij had 62% van de hypotheekrente in aftrek kunnen brengen in zijn eigen aangifte en een rechtsingang kunnen hebben tegen een in afwijking daarmee aan hem zelf opgelegde aanslag over 2002. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkheid is ongegrond. Dit geldt niet voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat voor het begrip belanghebbende in de dwangsomregeling art. 1:2 Awb van toepassing is. Dit begrip is ruimer dan het begrip mede-belanghebbende van art. 26a, lid 2, AWR. Dat een bezwaar is ingediend door iemand die geen mede-belanghebbende is neemt niet weg dat toch tijdig op zijn bezwaar moet worden beslist. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur een dwangsom verbeurt.

(Beroep gegrond.)

Commentaar


In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland spelen twee interessante onderwerpen. In de eerste plaats de vraag of de eiser in deze zaak voldoet aan het begrip ‘belanghebbende’ om het rechtsmiddel in te kunnen stellen en in de tweede plaats of de eiser aanspraak kan maken op de dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een beslissing.

Bij de beoordeling van het eerste geschilpunt moet de rechtbank rechtsregels uitleggen. Dit omdat in een eerste oogopslag niet direct duidelijk is of de eiser in dit geval wel bezwaar en beroep kan instellen tegen de belastingaanslag van zijn ex-echtgenote. De enige mogelijkheid die eiser daartoe heeft is als hij, als derde, voldoet aan de eisen van art. 26a AWR. Bij de uitleg van rechtsregels van art. 26a AWR kan de rechtbank gebruik maken van verschillende interpretatiemethoden. Tussen deze verschillende methoden zit geen (vast) startpunt of een (strikte) volgorde. De rechter bepaalt zelf welke methode hij wil gebruiken om tot een uitleg van de rechtsregel te komen. In dit geval hanteert de rechtbank eerst de grammaticale interpretatiemethode. De rechtbank kijkt daarbij naar de letterlijke tekst van art. 26a AWR. Op basis hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser de mogelijkheid heeft om bezwaar te maken. Dat ‘voelt’ kennelijk voor de rechtbank niet goed, want de rechtbank gaat vervolgens kijken naar het doel en de strekking van art. 26a AWR (teleologische interpretatiemethode). Gelet op het doel en de strekking van art. 26a AWR is de rechtbank van oordeel dat eiser geen bezwaar en beroep kan instellen. Daarbij brengt de rechtbank naar voren dat van een toerekening van inkomen of vermogen geen sprake is. In deze zaak gaat het om de in aftrek te brengen hypotheekrente. De eiser kan in deze zaak niet voor elkaar krijgen dat de te hoge aftrek door zijn ex-echtgenote wordt teruggedraaid. De rechtbank verklaart eiser dan ook niet-ontvankelijk.

Wat had eiser in dit geval moeten doen om wel zijn ‘zin’ te krijgen? In zijn aangifte 62% van de totale hypotheekrente in aftrek brengen. Als de inspecteur het daar dan niet mee eens was geweest omdat de ex-echtgenote al 50% in aftrek had gebracht, dan had de inspecteur de aangifte van eiser moeten corrigeren en daartegen had eiser dan rechtsmiddelen in kunnen stellen om uiteindelijke de aftrek van 62% te bewerkstelligen. Kortom, eiser is opgekomen in de verkeerde procedure en voelt daarvan nu de harde consequentie.

Vervolgens moet de rechtbank nog beoordelen of eiser wel in aanmerking komt voor een dwangsom omdat de inspecteur te laat op zijn bezwaarschrift heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat eiser voor deze kwestie onder het begrip ‘belanghebbende’ van art. 1:2 Awb valt. De vervolgvraag is dan of voldaan wordt aan de eisen voor het toekennen van een dwangsom. Daarvoor is nodig dat de inspecteur niet tijdig beslist op het bezwaarschrift en de belanghebbende een ingebrekestelling heeft verzonden. Art. 4:17, lid 6, Awb geeft hierop drie uitzonderingen: (i) het bestuursorgaan is onredelijk laat in gebreke gesteld, (ii) de aanvrager is geen belanghebbende of (iii) de aanvraag is kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond. De eerste twee uitzonderingen doen zich niet voor. De rechtbank betrekt in haar overwegingen nog of het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Gelet op de uitgebreide overwegingen die de rechtbank nodig heeft gehad om tot een oordeel te komen, concludeert de rechtbank dat van een kennelijke niet-ontvankelijkheid geen sprake is. Daarmee komt eiser in aanmerking voor een dwangsom van € 1.260. Een klein doekje voor het bloeden voor de gemiste hypotheekrenteaftrek.

[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur