Grote vermogenssprong had de inspecteur tot controleren aangifte moeten aanzetten

Samenvatting


In 1999 koopt belanghebbende een perceel met daarop een restaurant en een bungalow. Belanghebbende heeft dit tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en het restaurant geëxploiteerd. In 2004 heeft belanghebbende een bouwvergunning gekregen voor de bouw van appartementen, hotelkamers, een nevenruimte en vergroting van het restaurant. Belanghebbende koopt ten behoeve van de nieuwbouw het ondererfpacht van een stuk grond. De hiermee samenhangende vermogensbestanddelen zijn tot het vermogen in box 3 gerekend. In 2006 verkoopt belanghebbende de appartementsrechten voor € 1.100.000. De winst wordt in de aangifte niet bij de winst uit onderneming gerekend. Bij het opleggen van de aanslag wordt de aangifte gevolgd. Later legt de inspecteur een navorderingsaanslag op en rekent de winst op de verkoop tot de ondernemingswinst.
De rechtbank oordeelt dat de appartementsrechten tot het ondernemingsvermogen behoorden en dat geen onttrekkingen hebben plaatsgevonden. Het is daarom terecht tot de ondernemingswinst gerekend.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat geen sprake is van een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur een navorderingsaanslag kan opleggen. De grote toename van het privévermogen had bij de inspecteur tot vragen moeten leiden. De stelling dat de vermogenssprong zijn oorzaak had kunnen vinden in bijvoorbeeld het winnen van de loterij of het ontvangen van een erfenis, zijn dermate zeldzaam dat de inspecteur daarop niet in redelijkheid had mogen vertrouwen.
(Beroep gegrond.)


Commentaar


Op grond van art. 16, lid 1, AWR is de inspecteur bevoegd om te weinig geheven belasting na te vorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan echter geen grond voor navordering opleveren.
De inspecteur mag in beginsel op de aangifte van de belastingplichtige afgaan en hoeft alleen bij gerede twijfel aan de juistheid van de aangifte een nader onderzoek in te stellen. Van de inspecteur mag wel worden verwacht dat hij de in de aangifte verstrekte gegevens summier controleert en vergelijkt met andere beschikbare gegevens uit het dossier. De Hoge Raad heeft in HR 25 juni 1958, nr. 13.596, BNB 1958/255 overwogen dat tot het dossier behoren ‘de aangiften en aanslagen over vorige jaren, renseignementen en rapporten door de Rijksaccountantsdienst uitgebracht’. Doet hij dat niet en blijkt later dat een controle aanleiding zou hebben gegeven tot een correctie of nader onderzoek, dan begaat de inspecteur een ambtelijk verzuim. Dit ambtelijk verzuim kan niet door middel van navordering worden hersteld. Het risico van de keuze om een onderzoek achterwege te laten, ligt immers bij de inspecteur.
In de onderhavige zaak doet zich een schoolvoorbeeld van ambtelijk verzuim voor. Het dossier van belanghebbende bevat alle informatie die de inspecteur nodig heeft voor het opleggen van een juiste aanslag. Belanghebbende doet een onjuiste aangifte met daarin een, zoals de inspecteur dat zelf ook erkent, ‘enorme vermogenssprong’ ten opzichte van voorgaande jaren. Toch volgt de inspecteur de aangifte van belanghebbende. Ten onrechte, volgens de rechtbank, de inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van de aangifte. Dat de vermogenssprong ook zou kunnen zijn veroorzaakt door een erfenis of een loterijwinst acht de rechtbank dermate zeldzame gebeurtenissen dat de inspecteur daar redelijkerwijs niet op had mogen vertrouwen.
Ook het beroep van de inspecteur op kwader trouw haalt de eindstreep niet bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet aan zijn bewijslast hiertoe heeft voldaan. Voorts is volgens de rechtbank sprake van een fiscaal-juridische problematiek die voor een leek als belanghebbende niet te overzien is, zodat belanghebbende derhalve niet te kwader trouw kan zijn. Deze overweging lijkt op het eerste gezicht enigszins opmerkelijk. Belanghebbende heeft zijn aangifte namelijk laten verzorgen door een adviseur. De adviseur was echter volgens de rechtbank niet te kwader trouw ten tijde van het indienen van de aangifte. De enkele stelling dat de adviseur moet hebben geweten dat de feitelijke situatie van belang was en zij over onvoldoende informatie beschikte om een juiste aangifte in te dienen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om voorwaardelijk opzet aannemelijk te achten. Naar mijn mening een terecht oordeel. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het recente arrest HR 31 mei 2013, nr. 12/01060, NTFR 2013/1219, met commentaar van Castelijn. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de omstandigheid dat een adviseur heeft nagelaten nadere informatie en bescheiden op te vragen en zich in de toepasselijke wettelijke bepalingen te verdiepen, nog niet de voor voorwaardelijk opzet vereiste bewuste aanvaarding meebrengt van de aanmerkelijke kans dat van belanghebbende te weinig belasting zou worden geheven. De inspecteur had derhalve met meer moeten komen, ‘enkele stellingen’ zijn voor de rechtbank niet voldoende.


[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Hertoghs advocaten – belastingkundigen.


Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-374
Datum: 25-4-2016 12:59:34

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur