Hof ontwart formeelrechtelijke knopen inzake ‘fictieve weigering’ en dwangsomregeling

Samenvatting

Aan belanghebbende zijn in verband met de verdenking van verzwegen buitenlandse bankrekeningen belastingaanslagen VPB 1997, 2002 en 2003 opgelegd. De dagtekeningen van de aanslagen zijn respectievelijk 30 maart 2004, 23 september 2006 en 24 maart 2007. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar aangetekend. De inspecteur heeft civielrechtelijk geprocedeerd om belanghebbende te dwingen informatie te verstrekken. In november 2011 heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld met betrekking tot het doen van uitspraken op bezwaar. Bij beschikking van 8 december 2011 heeft de inspecteur verklaard geen dwangsom uit te keren.
Hiertegen heeft belanghebbende op 16 februari 2012 bezwaar aangetekend, welk bezwaar bij uitspraak op bezwaar door de inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Op 16 april 2012 heeft belanghebbende hiertegen alsook tegen de fictieve weigering van de inspecteur uitspraken op bezwaar te doen, beroep ingesteld. De rechtbank heeft beslist dat het beroep tegen de fictieve weigering terecht is ingesteld en de inspecteur opgedragen alsnog uitspraken op bezwaar te doen onder verbeuring van een dwangsom van maximaal € 15.000. Het bezwaar tegen de dwangsom is volgens de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft geen gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep heeft de inspecteur – na een tweede rechtbankprocedure – alsnog uitspraken op bezwaar gedaan. Daartegen heeft belanghebbende vervolgens beroep bij de rechtbank aangetekend. In hoger beroep oordeelt het hof dat de inspecteur nog steeds een processueel belang heeft bij zijn hoger beroep, nu het hoger beroep in dit geval geen schorsende werking heeft waardoor de door de rechtbank uitgesproken dwangsom inmiddels is verbeurd. Voorts is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het beroep door belanghebbende, nu zij vijf maanden heeft gewacht, onredelijk laat is ingediend, zodat de rechtbank het niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Omdat tegen de inmiddels gedane uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank loopt, verwijst het hof de zaak naar de rechtbank. Met betrekking tot de dwangsom is het hof van oordeel dat hij als belastingrechter bevoegd is daarover te oordelen en dat belanghebbende, gelet op art. 4:19 Awb, niet eerst bezwaar had hoeven te maken, zodat de termijnoverschrijding haar niet kan worden tegengeworpen. Gelet op het overgangsrecht, is de regeling van de dwangsom in deze zaak echter niet van toepassing (de bezwaarschriften zijn immers ingediend vóór 1 oktober 2009), zodat de rechtbank ook in zoverre het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
(Hoger beroep gegrond.)

Commentaar

Een bezwaar of beroep tegen het uitblijven van een besluit is – tenzij het onredelijk laat is ingediend – niet aan een termijn gebonden (art. 6:12, lid 1 en 3, Awb). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de gedachte achter dit artikel is dat het niet nodig en ook niet erg redelijk is om de rechtzoekende slechts gedurende een betrekkelijk korte periode (bij voorbeeld zes weken na het verlopen van de beslistermijn) de gelegenheid te geven een rechtsmiddel aan te wenden tegen het uitblijven van een beslissing. Wanneer het bestuursorgaan nalatig blijft tijdig te besluiten, moet de rechtzoekende wel de mogelijkheid hebben een rechtsmiddel aan te wenden, maar er is geen goede reden hem te verplichten zulks binnen een bepaalde termijn te doen. Verkiest de rechtzoekende nog te wachten in de hoop of het vertrouwen dat het bestuur alsnog zal besluiten, dan dient de wet hem deze keuze mogelijk te maken. Waar (nog) geen behoefte gevoeld wordt aan het aanwenden van een rechtsmiddel, dient de wet niet tot het instellen van beroep of het indienen van een bezwaarschrift te prikkelen.
De rechtzoekende die de besluiteloosheid van een inspecteur niet langer wenst af te wachten en gaat blaffen, moet volgens het hof spoedig overgaan tot bijten. Het hof oordeelt in het onderhavige geval namelijk dat het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is vanwege het feit dat het beroepschrift onredelijk laat was ingediend, namelijk vijf maanden nadat de inspecteur in gebreke was gesteld.
De correspondentie die in de tussengelegen periode werd gevoerd acht het hof niet relevant, mede vanwege het feit dat belanghebbende werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Dit lijkt op het eerste gezicht een bijzonder strenge benadering van het hof omdat uit de wetsgeschiedenis van art. 6:12, lid 3, Awb is af te leiden dat de wetgever niet al te snel wilde spreken van ‘onredelijk laat’. Die wetsgeschiedenis dateert echter van vóór de invoering van de ‘Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen’, dus uit de tijd dat een belanghebbende nog rauwelijks (dus zonder voorafgaande ingebrekestelling) beroep kon instellen tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.
Thans dient een belastingplichtige de inspecteur in gebreke te stellen alvorens beroep in te kunnen stellen tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Wellicht dat het hof – gezien de bijzonder lange termijn die is verlopen tussen het indienen van de bezwaarschriften in 2004, 2006 en 2007 en de ingebrekestelling in 2011 – duidelijk wil maken dat een ingebrekestelling niet zo snel ‘onredelijk laat’ wordt geacht, maar dat in het geval een belanghebbende een inspecteur eenmaal in gebreke heeft gesteld, hij vervolgens wel – bij het uitblijven van een uitspraak in de daarop volgende termijn van twee weken van art. 6:12, lid 2, onderdeel b, Awb – spoedig beroep moet instellen (wellicht zelfs binnen de gebruikelijke beroepstermijn van zes weken na het verlopen van de termijn van twee weken). Mij is onduidelijk of dit oordeel van het hof in stand blijft, maar men zou zich voorafgaande aan een eventuele ingebrekestelling de vraag moeten stellen of men spoedig daarna ook een rechtsmiddel wenst aan te wenden (ofwel tegen het alsnog genomen besluit ofwel tegen het uitblijven daarvan). Als dat niet het geval is, kan men een ingebrekestelling beter achterwege laten op straffe van niet-ontvankelijkheid.

[1] Igor Thijssen is verbonden aan KanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-440
Datum: 15-4-2016 10:59:44

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur