Samenvatting


In een WOZ-procedure met betrekking tot de waardevaststelling van vier objecten is belanghebbende door de rechtbank gedeeltelijk in het gelijk gesteld. In hoger beroep heeft belanghebbende ter zitting een bewijsaanbod gedaan inzake haar stelling omtrent de waardeontwikkeling van de onroerende zaken in de periode tussen waardepeildatum en verkoopdatum. Hof Den Haag (25 januari 2017, nrs. 16/00369 t/m 16/00372, NTFR 2017/381) is daarop niet ingegaan. Ten onrechte, volgens de Hoge Raad. Dat een belanghebbende voor de rechtbank reeds de gelegenheid heeft gehad bewijsstukken aan te dragen, is namelijk – anders dan waarvan het hof is uitgegaan – onvoldoende reden om hem in hoger beroep de gelegenheid tot bewijslevering te onthouden. Het hof dient een afweging te maken tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Een dergelijke afweging blijkt niet uit de hofuitspraak.

Feiten


2.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.2. Belanghebbende was op 1 januari 2015 eigenaar van een kantoorgebouw, gelegen aan de a-straat 6 te Q, bestaande uit vier
onroerende zaken als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna de Wet WOZ).
2.1.3. Ingevolge artikel 22 van de Wet WOZ heeft de heffingsambtenaar bij beschikkingen van 28 februari 2015 de waarden op 1
januari 2014 (hierna: de waardepeildatum) van de onroerende zaken voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld op in totaal € 5.269.000.
2.1.4. Op 3 november 2015 zijn de onroerende zaken verkocht voor een totaalbedrag van € 4.887.213. Ten tijde van de verkoop
verkeerden de onroerende zaken deels in verhuurde staat.
2.1.5. Nadat belanghebbende tevergeefs bezwaar had gemaakt tegen de in overweging 2.1.3 van dit arrest genoemde beschikkingen,
heeft de Rechtbank op het beroep van belanghebbende de vastgestelde waarden verminderd tot in totaal € 4.635.000.

Geschil


2.2.1. Voor het Hof waren in geschil de waarden van de onroerende zaken op de waardepeildatum.

Rechtsoverwegingen


2.2.2. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2.3.1. Het derde middel betoogt dat het Hof belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar stelling omtrent
de waardeontwikkeling van de onroerende zaken in de periode tussen de waardepeildatum en de verkoopdatum nader met bewijs te
adstrueren, terwijl dit ter zitting uitdrukkelijk is aangeboden.
2.3.2. Het Hof is op het door belanghebbende ter zitting gedane bewijsaanbod niet ingegaan. Blijkens het proces-verbaal van het
verhandelde ter zitting van het Hof van 14 december 2016 heeft het Hof daaraan ten grondslag gelegd dat de waardeontwikkeling al
in eerste aanleg in geschil was en dat belanghebbende alle gelegenheid heeft gehad voor het onderbouwen van het eigen standpunt en
de bestrijding van het door de heffingsambtenaar ingenomen standpunt.

2.3.3. De omstandigheid dat een belanghebbende voor de rechtbank in de gelegenheid is geweest zijn standpunt met bewijsstukken
te onderbouwen, is op zichzelf onvoldoende reden om hem in de procedure voor het gerechtshof de gelegenheid tot bewijslevering te
onthouden. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken alsnog over te leggen, zal het gerechtshof een
afweging moeten maken tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een
doelmatige procesgang. Bij die afweging spelen de redenen waarom de stukken niet reeds aan de rechtbank werden overgelegd een
rol. ’s Hofs uitspraak geeft er niet van blijk dat een zodanige afweging heeft plaatsgevonden. Het middel slaagt daarom.
2.3.4. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke
organisatie, geen nadere motivering, nu deze middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.5. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Indien het verwijzingshof oordeelt dat belanghebbende in
de gelegenheid moet worden gesteld nader bewijs te leveren, zal het met inachtneming van dat bewijs de waarde van de onroerende
zaken moeten beoordelen.

Commentaar


In het derde middel betoogt belanghebbende dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van belanghebbende ter zitting heeft gepasseerd. In het beroepschrift voert belanghebbende daartoe kort gezegd aan dat de heffingsambtenaar de indruk had gewekt het verweer op dit punt te hebben laten varen. Ter zitting stelde het hof de waardeontwikkeling van het kantoorpand wel aan de orde. Daarop heeft belanghebbende expliciet het aanbod gedaan de waardeontwikkeling nader toe te lichten. Aangezien het hof in zijn uitspraak de verkoopprijs leidend heeft geacht, heeft het hof de gemachtigde ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld de waardeontwikkeling tussen peildatum en verkoopdatum nader te onderbouwen, aldus belanghebbende.

In het cassatiemiddel van belanghebbende zit een impliciet ‘Gillissen’-verweer. Dat handelt eveneens over een (voorwaardelijk) bewijsaanbod, hoewel het in Gillissen tegen Nederland over getuigenbewijs ging (EHRM 15 maart 2016, nr. 39966/09, NTFR 2016/1291). Het arrest van het EHRM bevat een aansporing voor rechters tot het innemen van een actieve opstelling. Het ERHM oordeelde, kort door de bocht, dat het enkele wijzen door de rechter op de mogelijkheid van partijen om zelf met getuigen te komen onder omstandigheden onvoldoende is in het licht van art. 6, lid 1, EVRM. In ieder geval geldt hier een serieuze motiveringsplicht waar het gaat om een bewijsaanbod ten behoeve van feiten of omstandigheden die de rechter doorslaggevend acht voor zijn oordeel.

In twee recente ‘incidenten’ oordeelden hoven eveneens onwelwillend waar het ging om (getuigen)bewijsaanbod. In een zaak voor Hof Den Haag ging het om een getuigenbewijsaanbod door belanghebbende, ter onderbouwing van de essentiële stelling dat de vaststellingsovereenkomst onder dwaling tot stand was gekomen (Hof Den Haag 27 oktober 2015, nrs. 14/00996 t/m 14/00999, NTFR 2015/3207). Het hof had het aanbod tot het horen van de (nota bene aanwezige) getuigen als onvoldoende concreet afgewezen. De Hoge Raad casseerde dit oordeel omdat i) het doel van de getuigen voldoende bleek uit de stukken van het geding en ii) het hof niet had doorgevraagd (HR 16 december 2016, nrs. 15/05839 en 15/05840, NTFR 2016/3083).

In een ander hofoordeel handelde het om een getuigenbewijsaanbod tot het horen van de curator, die door belanghebbende is opgeroepen maar conform verwachting niet vrijwillig verscheen. Het Hof Arnhem-Leeuwarden zag daarop geen aanleiding de curator zelf op te roepen als getuige (Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2015, nr. 14/00781, NTFR 2015/2384). De Hoge Raad casseerde dit oordeel, omdat het hof het niet-oproepen niet had gemotiveerd (HR 31 maart 2017, nr. 15/03682, NTFR 2017/845).

In de hier voorliggende zaak heeft de Hoge Raad nog niet (hoeven) oordelen over de vraag of de rechter om het bewijsaanbod heen had gekund. Het hof had aan zijn afwijzing namelijk ten grondslag gelegd dat belanghebbende met betrekking tot het relevante discussiepunt (de waardeontwikkeling) voor de rechtbank al in de gelegenheid is geweest haar standpunt met bewijsstukken te onderbouwen. Het ontbreekt in het hofoordeel aan een afweging tussen enerzijds het belang bij het overleggen van die stukken en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. Gelet op de eerdere ‘correcties’ door de Hoge Raad waar het gaat om afwijzing van bewijsaanbod, zal het hof een eventuele herhaalde afwijzing goed moeten motiveren. Waar het gaat om een essentieel punt dat de rechter doorslaggevend (blijkt te) achten voor zijn oordeel, mag een bewijsaanbod niet lichtvaardig worden afgewezen.


[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.
[2] De auteur is als fiscaal advocaat verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur