Informatiebeschikking coffeeshophouder terecht, omdat niet aan administratieverplichting is voldaan

Samenvatting


Belanghebbende exploiteert in firmaverband een coffeeshop. In 2012 en 2013 zijn er diverse waarnemingen ter plaatse (wtp’s) bij de coffeeshop verricht en heeft de inspecteur aansluitingsverschillen in de omzet geconstateerd. Op grond van een theoretische omzetberekening heeft de inspecteur geconcludeerd tot een omzetverhoging van € 5.500.000. De inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om in te keren. Belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt, waarna in 2014 een boekenonderzoek is gestart, dat ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog niet was afgerond. De inspecteur heeft op 17 februari 2015 aan eiser de onderhavige informatiebeschikking voor de jaren 2011 t/m 2013 gegeven. De rechtbank oordeelt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Belanghebbende heeft voor de jaren 2011 en 2012 niet aan zijn bewaarplicht voldaan door niet de dagstaten, waaruit de in- en verkopen van de cannabisproducten blijken, te bewaren. Dat de dagstaten tijdens de wtp’s zijn gezien en kennelijk zijn gecontroleerd, maakt dat niet anders. Daarnaast ontbreekt in de administratie voor het jaar 2013 in ieder geval een viertal facturen, waarop onder meer materialen voor het vervaardigen van joints zijn vermeld, en blijkt uit de administratie niet hoeveel joints de coffeeshop zelf heeft gemaakt. Hoewel de rechtbank het aannemelijk acht dat belanghebbende zich door de uitlatingen van de inspecteur – de theoretische omzetcorrectie van ruim € 5,5 miljoen, het aanbod tot ‘inkering’ en de dreiging met een boekenonderzoek – onder druk gezet heeft gevoeld, vormen deze uitlatingen geen beletsel voor het afgeven van de informatiebeschikking.

Commentaar


Om de bewijslast te kunnen omkeren op basis van een gebrekkige administratie, moet de inspecteur een informatiebeschikking afgeven. De rechter dient in het beroep tegen deze informatiebeschikking te beoordelen of de administratie zodanig ernstige gebreken vertoont dat dit omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Anders dan bij schending van de inlichtingenplicht wordt ten aanzien van de administratie- en bewaarplicht op grond van art. 52 AWR veelal geen nieuwe termijn geboden om alsnog – ter voorkoming van de omkering – aan de verplichting te voldoen, simpelweg omdat dergelijke schendingen vaak naar hun aard niet achteraf kunnen worden hersteld. Als herstel niet meer mogelijk is, bestaat des te meer reden voor de rechter om al in de fase van de informatiebeschikking niet alleen de constatering te doen (schending administratieplicht) maar ook te oordelen of de sanctie (omkering) gelet op de aard van het gebrek gerechtvaardigd is (zie ook Van Suilen in ‘Detailgegevens en bewaarplicht’, NTFR-B 2016/16). Wanneer de rechter oordeelt dat de sanctie niet in verhouding staat, vernietigt hij de informatiebeschikking. Is herstel echter nog wel mogelijk, dan ligt er een schone taak voor de rechter die over de aanslag oordeelt om – ondanks onherroepelijke informatiebeschikking – geen ‘omkering’ toe te passen (meer hierover zie Lammers in ‘Biedt de informatiebeschikking de beoogde rechtsbescherming?’, TFB 2016/3). Wordt de informatiebeschikking onherroepelijk, dan mag de inspecteur geschatte aanslagen opleggen. Het is vervolgens aan de belastingplichtige in bezwaar en beroep tegen die aanslagen ‘overtuigend aan te tonen’ in hoeverre de schatting te hoog is. Zeker in geval van een ontbrekende of gebrekkige administratie is dit een onmogelijke (tegen)bewijslast. De ondergrens voor de inspecteur is echter dat hij wel een ‘redelijke schatting’ moet maken, afhankelijk van de beschikbare gegevens. In hoeverre deze schatting van € 5,5 miljoen terecht is, staat te zijner tijd ter beoordeling van de rechter die over de aanslag oordeelt.

[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur