Ingebrekestelling verandert niets aan verplichting om te horen

NTFR 2021/878
Rechtbank Noord-Nederland 28 januari 2021; ECLI:NL:RBNNE:2021:242

Samenvatting

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een beschikking loonheffingen gedifferentieerd
premiepercentage werkhervattingskas (Whk) van de inspecteur. Zij heeft verzocht te worden
gehoord. Het UWV heeft op 24 mei 2019 de inspecteur voorzien van een inhoudelijke reactie. Op
13 september 2019 is de inspecteur in gebreke gesteld. Daarna heeft de inspecteur op 25
september 2019 uitspraak gedaan zonder te horen. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling
niets verandert aan de verplichting van de inspecteur om te horen. Uit de ingebrekestelling volgt niet
dat belanghebbende niet meer gehoord wilde worden. Uit de correspondentie kort na de
ingebrekestelling volgt juist onmiskenbaar dat belanghebbende nog steeds gehoord wilde worden.
Dat zij niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beschikbaar was voor een hoorgesprek
maakt niet dat daaraan voorbijgegaan kon worden. De rechtbank acht hierbij van belang dat de
inspecteur ruim voorafgaand aan de ingebrekestelling had kunnen horen en dat belanghebbende
een redelijk tegenvoorstel heeft gedaan voor een andere datum voor een hoorgesprek. Dat de
inspecteur bij het horen op die datum een dwangsom zou verbeuren is geen reden om af te zien
van het horen.

(Beroep gegrond.)

Commentaar

In de bovenstaande uitspraak heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het
niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Vervolgens heeft de inspecteur binnen twee weken na de
ingebrekestelling alsnog uitspraak gedaan om te voorkomen dat de Belastingdienst een dwangsom
zou verbeuren. Hierbij is hij echter voorbijgegaan aan het verzoek van belanghebbende om te
worden gehoord.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gegaan. Uit de uitspraak lijkt te
volgen dat het beroep slechts is ingesteld tegen het feit dat niet is gehoord in de bezwaarfase en
dat geen materiële gronden tegen de beschikking Whk zijn aangevoerd. Hoewel door
belanghebbende geen materiële gronden zijn aangevoerd, zou het beroep een andere uitkomst
kunnen hebben gehad indien de rechtbank ook de materiële gronden zou hebben getoetst. De
rechtbank had immers in dat geval met toepassing van art. 6:22 Awb aan de schending van de
hoorplicht voorbij kunnen gaan indien belanghebbende niet in haar belang zou zijn geschaad. In dat
geval had de rechtbank het geschil finaal kunnen beslechten.

In de uitspraak oordeelt de rechtbank dat niet lichtvaardig van het horen kan worden afgezien. De
inspecteur voert in beroep onder meer aan dat belanghebbende bij de ingebrekestelling niet heeft
verzocht om te worden gehoord. In dat verband oordeelt te rechtbank terecht dat een dergelijk
verzoek bij de ingebrekestelling niet nodig is en het formulier voor de ingebrekestelling hier ook
geen mogelijkheid voor biedt. Ook heeft belanghebbende na de ingebrekestelling nog diverse malen
aangegeven te willen worden gehoord. Hoewel ik de uitkomst waartoe de rechtbank kwam volledig
onderschrijf, ben ik van mening dat meer duidelijkheid zou zijn geboden als het oordeel had geluid
dat de inspecteur niet van horen kon afzien omdat belanghebbende niet expliciet afstand heeft
gedaan van het recht om te worden gehoord.

Daarnaast stelt de inspecteur onder verwijzing naar onder meer Hof Den Haag 19 december 2017,
nr. 17/00677, NTFR 2018/612 dat aan het horen voorbij kon worden gegaan omdat
belanghebbende niet beschikbaar was op een drietal voorgestelde datums. Ook dit argument van
de inspecteur honoreert de rechtbank niet, onder meer omdat belanghebbende een redelijk
tegenvoorstel heeft gedaan waarbij het niet ter zake doet dat de voorgestelde datum ertoe leidt dat
de inspecteur een dwangsom verbeurt. Ook dit oordeel is naar mijn mening terecht. Het niet
beschikbaar zijn voor een hoorgesprek op eenzijdig voorgestelde datums kan iemand slechts
tegengeworpen worden indien hiervan stelselmatig sprake is en er geen enkel tegenvoorstel van de
kant van belastingplichtige volgt.

[1] Mr. N. Kolste is als advocaat-belastingkundige (partner) verbonden aan Jaeger Advocatenbelastingkundigen.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur