Internationaal strafrechtelijk specialiteitsbeginsel staat rechtmatigheid informatiebeschikking niet in de weg

Samenvatting

In een tijdschrift is een artikel gepubliceerd, waarin de naam van belanghebbende wordt genoemd met betrekking tot een bankrekeningin Liechtenstein. Dit vormde voor de inspecteur aanleiding tot het stellen van vragen. Belanghebbende heeft daarop ontkennendgeantwoord en heeft daarbij een vonnis van een Liechtensteinse rechter overgelegd inzake een rechtshulpverzoek van het OpenbaarMinisterie. In dat kader zijn in Liechtenstein in beslag genomen documenten overhandigd aan het Openbaar Ministerie. Dit vonnisvormde vervolgens voor de inspecteur aanleiding tot het stellen van nadere vragen. Omdat de beantwoording in de ogen van deinspecteur niet voldeed, heeft hij de onderhavige – aan de gemachtigde geadresseerde – informatiebeschikking wegens schending vande informatieplicht vastgesteld. Belanghebbende stelt dat de tenaamstelling ervan onjuist is en voorts dat hetinternationaalstrafrechtelijke specialiteitsbeginsel is geschonden. Hof Arnhem-Leeuwarden 20 mei 2014, nr. 13/01012 (NTFR2014/2029) heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof dat er redelijkerwijs geenmisverstand over kan hebben bestaan dat de informatiebeschikking ten aanzien van belanghebbende is genomen. Met betrekking tothet specialiteitsbeginsel laat de Hoge Raad in het midden of het vonnis van de Liechtensteinse rechter valt onder het aan Nederlandovergedragen materiaal dat uitsluitend mag worden gebruikt voor in het rechtshulpverzoek genoemde feiten. Geen rechtsregelverhinderde het hof namelijk kennis te nemen van en belang toe te kennen aan de beslissing van de Liechtensteinse rechter die doorbelanghebbende aan de inspecteur is toegezonden.
(Cassatieberoep ongegrond.)

Feiten

2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1. In een op (…) 2010 verschenen uitgave van het tijdschrift A is een artikel opgenomen waarin de volgende passage voorkomt:‘Maar goede klant B deed meer. Hij introduceerde ook zakenpartners bij C, vastgoedondernemers die er hun eigen Stiftung of limitedopenden. Een van hen is de (…) bouwer X, wiens E door de Liechtensteiners wordt beheerd. Ze heeft hem voor zover ze zich kanherinneren één keer gezien op kantoor, zegt F. In de aantekeningen die ze maakte van haar contacten met de Nederlandse clientèlekomt zijn naam slechts één keer voor. Op 20 oktober 1998 noteert ze: “f 1.500.000 contant aan X. ”’2.1.2. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 29 november 2010 verzocht vragen te beantwoorden, onder meer de vraag ofjuist is dat belanghebbende een door C in Liechtenstein beheerde rekening met de naam E in bezit heeft of heeft gehad.
2.1.3. Bij brief van 13 december 2010 heeft belanghebbende de Inspecteur meegedeeld – zakelijk weergegeven – dat hij persoonlijkniet over een rekening in Liechtenstein beschikte, maar E wel. Daarbij merkte belanghebbende op, met verwijzing naar een bij zijn briefgevoegd exemplaar van een beslissing van het Fürstliches Landgericht in Liechtenstein gedateerd 17 mei 2006, dat dit al jaren bij deNederlandse overheid bekend is.
2.1.4. Die beslissing van het Fürstliches Landgericht is – voor zover voor beoordeling van de zaak van belang – weergegeven inonderdeel 2.4 van de bestreden uitspraak.
2.1.5. De Inspecteur heeft op 8 november 2011 een op artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)gebaseerde beschikking vastgesteld. De inhoud van die informatiebeschikking is weergegeven in onderdeel 2.6 van de bestredenuitspraak.
2.1.6. De beschikking is geadresseerd aan de gemachtigde van belanghebbende. Bij brief van 12 december 2011 heeft degemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking.
2.1.7. Bij brief van 23 december 2011 heeft de Inspecteur met een beroep op het bepaalde in artikel 55 AWR het Openbaar Ministerieverzocht om overlegging van stukken betreffende E.
2.1.8. Bij brief van 3 februari 2012 heeft de Hoofdofficier van Justitie, hoofd van het Landelijk Parket, de Inspecteur doen weten aandiens verzoek niet te kunnen voldoen in verband met het ten aanzien van door internationale rechtshulp verkregen materiaal in acht tenemen specialiteitsbeginsel, en de omstandigheid dat Liechtenstein geen toestemming heeft gegeven het overgedragen materiaal(ook) voor de belastingheffing te gebruiken.
2.1.9. Een brief van belanghebbendes gemachtigde gedateerd 13 juni 2012 houdt in, voor zover hier van belang:‘Aan mij is een informatiebeschikking gericht en de tenaamstelling is ook als zodanig, met kenmerk (…) en dagtekening 8 november2011. In deze informatiebeschikking word ik verzocht om informatie omtrent een cliënt van mij te verstrekken. Met een verwijzing naarart. 53a AWR zal ik niet ingaan op uw verzoek zoals verwoord in eerder genoemde informatiebeschikking.
Indien en voor zover nodig – quod non – maak ik hierbij bezwaar tegen de informatiebeschikking met (…) dagtekening 8 november2011.’

Geschil

2.1.10. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het namens belanghebbende tegen de informatiebeschikking gemaakte bezwaarafgewezen. Het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep heeft de Rechtbank ongegrond verklaard. Bij de thans bestredenuitspraak is de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Rechtsoverwegingen
2.2. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de tenaamstelling van de informatiebeschikking geen reden voorvernietiging is.
2.2.1. Het Hof heeft vastgesteld dat redelijkerwijs geen misverstand erover kan bestaan dat de informatiebeschikking is genomen tenaanzien van belanghebbende en dat belanghebbende de beschikking aanvankelijk ook aldus heeft begrepen. Voorts heeft het Hofvastgesteld dat in de aanhef van de beschikking naam en kantooradres van de gemachtigde zijn vermeld met het kennelijke oogmerkde beschikking bekend te maken aan degene die zich jegens de Inspecteur als vertegenwoordiger van de belanghebbende hadgepresenteerd, welke omstandigheid ook kan verklaren dat sommige vragen in de informatiebeschikking (rechtstreeks) tot degemachtigde zijn gericht.
2.2.2. Aldus heeft het Hof voor de beoordeling van de geldigheid van de op artikel 52a AWR berustende beschikking een juiste maatstafgehanteerd. Die maatstaf is niet onverenigbaar met het op een dergelijke beschikking toepasselijke artikel 5, lid 1, AWR of met de opdie bepaling voortbouwende rechtspraak betreffende de geldigheid van een belastingaanslag in verband met de op het aanslagbiljetvermelde gegevens van de aangeslagene. Die rechtspraak, die van overeenkomstige toepassing is op beschikkingen als deonderhavige, houdt in dat een aanslagbiljet niet voldoet aan de vereisten voor het ontstaan van een betalingsverplichting indien de ophet biljet vermelde gegevens redelijkerwijs twijfel kunnen oproepen of het aanslagbiljet is bestemd voor degene ten name van wie deaanslag is gesteld (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975, BNB 2011/28, red. NTFR 2011/337). Het Hofheeft geen andere eis gesteld door vast te stellen dat redelijkerwijs geen misverstand erover kon bestaan, en na de bekendmaking ookniet heeft bestaan, dat ten aanzien van belanghebbende een informatiebeschikking is genomen.
2.2.3. Het stond het Hof voorts vrij om de aan de informatiebeschikking voorafgaande correspondentie tussen partijen bij zijn oordeel tebetrekken, en ook overigens kan van dit oordeel niet worden gezegd dat het onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. Het middelfaalt.
2.3. Het tweede en het derde middel zijn gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich jegens de Inspecteur niet metvrucht kan beroepen op schending van het specialiteitsbeginsel. De middelen lenen zich voor gezamenlijke beoordeling.
2.3.1. De Hoge Raad laat in het midden of de hiervoor in 2.1.3 en 2.1.4 bedoelde beslissing van het Fürstliches Landgericht moetworden gerekend tot het aan Nederland overgedragen materiaal dat ingevolge het in het internationale rechtshulpverkeer geldendespecialiteitsbeginsel (en de daarmee overeenstemmende voorwaarden waaronder de Liechtensteinse autoriteiten dat materiaal aanNederland hebben overgedragen) uitsluitend mag worden gebruikt voor de vervolging ter zake van in het Nederlandse rechtshulpverzoekgenoemde strafbare feiten.
2.3.2. Geen rechtsregel verhinderde het Hof kennis te nemen van en belang toe te kennen aan de beslissing van het FürstlichesLandgericht die door belanghebbende ter ondersteuning van zijn eigen stellingen aan de Inspecteur is toegezonden.
Voor zover de middelen wijzen op het vertrouwen dat nationale overheden bij het verlenen van rechtshulp in elkaar moeten kunnenstellen, kunnen zij niet tot een ander oordeel leiden, omdat dit belang voor de Inspecteur en de belastingrechter geen beletsel kanopleveren kennis te nemen van en belang toe te kennen aan hetgeen een belanghebbende ter ondersteuning van de eigen stellingenaan de Inspecteur toezendt.
2.3.3. Het door de middelen bestreden oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De middelen falen.
2.4. Aangezien de middelen niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak kunnen leiden, moet het beroep in cassatie wordenverworpen en dient met overeenkomstige toepassing van artikel 27e, lid 2, AWR een nadere termijn te worden gesteld.

Commentaar

Specialiteitsbeginsel
Belanghebbende stelt in de onderhavige cassatieprocedure dat de inspecteur het (strafrechtelijke) specialiteitsbeginsel heeftgeschonden omdat diens informatiebeschikking (mede) was gebaseerd op een beslissing van een Liechtensteinse rechter op eenrechtshulpverzoek van het (Nederlandse) Openbaar Ministerie. Het specialiteitsbeginsel houdt – kort gezegd – in dat de autoriteiten vande ene staat informatie uit de andere staat alleen mogen gebruiken voor de (straf)zaak en doeleinden waarop het rechtshulpverzoekbetrekking heeft. Zo stond het specialiteitsbeginsel eraan in de weg dat het Openbaar Ministerie de vanuit Liechtenstein ontvangeninformatie aan de inspecteur heeft verstrekt, ondanks diens verzoek op grond van art. 55 AWR. In het onderhavige geval is het echterbelanghebbende zelf geweest die de beslissing van de Liechtensteinse rechter aan de inspecteur heeft verstrekt ter ondersteuning vanzijn stelling dat niet hij persoonlijk, maar de in Liechtenstein gevestigde entiteit (Foundation, Stiftung of Anstalt) beschikt over een aldaaraangehouden bankrekening. Het specialiteitsbeginsel is in een dergelijk geval, waarbij een belanghebbende ter ondersteuning van zijneigen stelling zelf informatie aan de inspecteur verstrekt, in het geheel niet aan de orde volgens de Hoge Raad.
Tenaamstelling: what’s in a name
Een ander aspect dat belanghebbende in deze procedure aankaart, betreft de tenaamstelling van de informatiebeschikking. Deinformatiebeschikking was namelijk niet gericht aan belanghebbende zelf, maar aan diens gemachtigde. Hof Arnhem-Leeuwarden 20mei 2014, nr. 13/01012 (NTFR 2014/2029) (NTFR 2014/2029) had in dat verband vastgesteld dat er redelijkerwijs geen misverstandover kon bestaan, en na bekendmaking ook niet heeft bestaan, dat de informatiebeschikking is genomen ten aanzien vanbelanghebbende en dat belanghebbende de beschikking aanvankelijk ook aldus heeft begrepen. Bij de gemachtigde bestondaanvankelijk – dus voor het aanvoeren van het tenaamstellingsverweer – evenmin een misverstand aangezien hij namensbelanghebbende een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de informatiebeschikking. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een juistemaatstaf heeft gehanteerd omdat die maatstaf niet onverenigbaar is met art. 5, lid 1, AWR of met de daarop voortbouwenderechtspraak over de geldigheid van een belastingaanslag in verband met de op het aanslagbiljet vermelde gegevens van deaangeslagene. De Hoge Raad oordeelt voorts dat die rechtspraak over belastingaanslagen van overeenkomstige toepassing is opinformatiebeschikkingen. Anders en kort gezegd: zolang redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de vraag voor wie eeninformatiebeschikking is bedoeld, is sprake van een rechtsgeldige informatiebeschikking.

[1] Igor Thijssen is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-1232
Datum: 11-4-2016 15:10:09

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur