Kassasysteem exploitant Chinees-Indisch restaurant voldoet aan administratieplicht

Samenvatting

Belanghebbende exploiteert een Chinees-Indisch restaurant. Op grond van verkregen FIOD-informatie bestaat het vermoeden dat belanghebbende vlees ‘zwart’ inkoopt. Belanghebbende maakt gebruik van een bepaald kassasysteem. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen IB en naheffingsaanslagenOB opgelegd. Deze belastingaanslagen worden in hoger beroep echter vernietigd. Het hof stelt voorop dat het kassasysteem van belanghebbende voldoet aan de eisen van art. 52 AWR. Voorts kan het belanghebbende niet worden tegengeworpen dat de ‘detailgegevens’ niet zijn bewaard, nu de software daarin niet voorzag. In zoverre bestaat dan ook – anders dan de inspecteur bepleit – geen grond voor omkering van de bewijslast. Ook het FIOD-renseignement is daarvoor ontoereikend. Dit betekent dat de bewijslast voor de omzetcorrecties ‘gewoon’ op de inspecteur blijft rusten. In deze bewijslast is hij echter niet geslaagd.
(Hoger beroep gegrond.)

Commentaar

Thijssen [1]
In art. 52, lid 1, AWR is de verplichting opgenomen een administratie te voeren, zonder dat wordt omschreven wat precies onder het begrip ‘administratie’ moet worden verstaan. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de eisen die aan een administratie worden gesteld onder meer afhankelijk zijn van de ‘aard, omvang, complexiteit e.d. van een bedrijf’. In beginsel is een administratieplichtige dan ook vrij om naar eigen goeddunken invulling te geven aan de wijze van inrichting van zijn administratie, mits de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens maar juist, volledig en controleerbaar zijn vastgelegd. Die eis kan meebrengen ‘dat van elk gegeven dat eenmaal in verband met dat bedrijf of beroep of die werkzaamheid is ontvangen, verzonden of voor intern gebruik vastgelegd’ tot de administratie gaat behoren en ingevolge art. 52, lid 4, AWR moet worden bewaard (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 287, nr. 3, p. 23).
Datzelfde criterium brengt zelfs mee dat de fiscale administratie- en bewaarplicht zich eveneens uitstrekt tot valselijk opgemaakte stukken, hoewel het – paradoxaal genoeg – ingevolge art. 225 Sr. verboden is dergelijke valse geschriften voorhanden te hebben (HR 22 februari 2005, nr. 01417/04, NTFR 2005/351, met commentaar van Thomas).
Het onderhavige geval gaat over een klein restaurant met een (kassa)computer waar per klant (per tafel) exact wordt bijgehouden welke producten zijn besteld en afgerekend. Na 2.000 bestellingen loopt het systeem vast, tenzij er wordt ‘opgeschoond’. Alsdan worden detailgegevens ‘verdicht’ tot zogenoemde dagomzetlijsten waarbij de overige (detail)gegevens worden gewist. De vraag is of het wissen van de detailgegevens een bewaarverzuim oplevert als gevolg waarvan de bewijslast verschuift en verzwaart (ex art. 27e, aanhef en onderdeel b, AWR). In zijn commentaar bij HR 21 maart 2008, nr. 43.966, NTFR 2008/617, schrijft Boxem – naar ik aanneem gechargeerd – over de bewaarplicht van detailgegevens het navolgende: ‘Je hoeft detailgegevens niet bij te houden, maar áls je dat nu eenmaal doet, staat het je niet vrij om deze te wissen’. In dat arrest is de Hoge Raad evenwel ‘veronderstellenderwijs’ ervan uitgegaan ‘dat de (niet-gemuteerde en niet-verwijderde) detailgegevens van de bestelling van belang waren voor de belastingheffing’, omdat aan de hand daarvan door middel van een op goederenniveau te leggen verband tussen inkoop en verkoop de volledigheid van de omzetverantwoording in geld viel te verifiëren.
In het onderhavige geval gaat het hof niet expliciet in op de vraag of de door belanghebbende gewiste detailgegevens van belang zijn voor de belastingheffing. Het hof lijkt impliciet wel daarvan uit te gaan omdat het hof zich concentreert op de vervolgvraag waarom de detailgegevens door belanghebbende zijn ‘verdicht’ (en dus deels zijn gewist). Het hof oordeelt dat het voor belanghebbende onmogelijk was om detailgegevens te bewaren als gevolg waarvan ‘aan belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat de detailgegevens niet zijn bewaard’. Kennelijk acht het hof enerzijds de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te zwaar (of onevenredig), maar aan die sanctie lijkt mij niet te ontkomen indien het hof anderzijds vaststelt dat de gewiste detailgegevens van wezenlijk (fiscaal) belang zijn voor de controle van de omzetverantwoording. Een situatie van overmacht in de zin van art. 54 AWR lijkt mij eveneens niet aan de orde, zodat ik denk dat belanghebbende goed wegkomt met deze beslissing van het hof (alsmede de aan hem toegekende proceskostenvergoeding met wegingsfactor 2).

[1] Mr. I.R.J. Thijssen is verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen.
[1] Igor Thijssen is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-1754
Datum: 15-4-2016 10:49:51

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur