Ondanks aangifte gedaan met verkeerd biljet wordt verzuimboete vernietigd

NTFR 2023/126

SAMENVATTING
Belanghebbende was tussen 2018 en 2022 werkzaam als ambassadeur voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Belanghebbende is voor het jaar 2018 uitgenodigd voor het doen van aangifte IB/PVV door middel van een M-biljet. Belanghebbende heeft evenwel aangifte gedaan met een P-biljet, naar een verzamelinkomen van € 82.145. De inspecteur heeft het biljet niet in behandeling genomen en belanghebbende hierover niet geïnformeerd. De inspecteur heeft wel een herinnering en een aanmaning gestuurd. Uiteindelijk heeft belanghebbende aangifte gedaan met een M-biljet. Ook hier bedroeg het verzamelinkomen € 82.145. De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte vastgesteld, tezamen met een verzuimboete van € 369. In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd. De rechtbank vindt van niet. In de aangiftebrief is vermeld dat aangifte moet worden gedaan door middel van een M-biljet. In zoverre heeft belanghebbende niet voldaan aan haar verplichting. Echter, ze heeft wel aangifte gedaan via een P-biljet en hierin stonden alle gegevens die de inspecteur nodig had om de aanslag vast te kunnen stellen. Belanghebbende is werkzaam als ambassadeur en door de woonplaatsfictie wordt zij geacht in Nederland te wonen. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende te informeren dat de aangifte niet in behandeling zou worden genomen, zodat belanghebbende nog tijdig een juist biljet in had kunnen dienen. De rechtbank acht het niet redelijk om aan belanghebbende een boete op te leggen wegens het niet tijdig aangifte doen via een M-biljet. De boete moet worden vernietigd.

(Beroep gegrond.)

NOOT
Belanghebbende heeft Nederland in 2018 metterwoon verlaten om als ambassadeur voor Nederland in een buitenland te gaan werken. Zij had over 2018 via een P-biljet aangifte gedaan, terwijl de inspecteur haar had uitgenodigd om via een M- biljet aangifte te doen. Een M-biljet wordt gebruikt bij immigratie of emigratie en het P-biljet is het (meest voorkomende) biljet waarmee binnenlands belastingplichtigen aangifte doen. Belanghebbende stelt dat zij weliswaar is geëmigreerd in het betreffende jaar, maar dat zij als ambassadeur bij fictie geacht wordt in Nederland te wonen en dat de inspecteur haar daarom had moeten uitnodigen om via een P-biljet aangifte te doen in plaats van via een M-biljet. Of dit betoog juist is, laat de rechtbank terecht in het midden omdat de inspecteur met de aangiftebrief bepaalt op welke wijze aangifte moet worden gedaan (art. 8 AWR jo. art. 20 UR AWR 1994).

Voor wat betreft het ontbreken van verwijtbaarheid stelt de rechtbank terecht voorop dat de boete uitsluitend kan worden vernietigd als sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Curieus is dat de rechtbank vervolgens oordeelt dat het opleggen van de boete niet redelijk is. Curieus omdat ‘redelijkheid’ niet het criterium is waaraan de rechtbank moet toetsen, dat is immers avas. Bij avas ligt de lat hoog. Dat belanghebbende een verkeerd aangiftebiljet gebruikte, maakt al snel dat geen sprake is van avas. Ook heeft zij niet tijdig gereageerd op de herinnering en aanmaning om alsnog met het M- biljet aangifte te doen. De uitspraak van de rechter komt zeker als redelijk over, maar is die juridisch-technisch wel juist?

Voor de beantwoording van die vraag wijs ik op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, nr. 202107071/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:84. In die zaak oordeelde de Afdeling dat de belanghebbende niet wist en ook niet hoefde te weten dat een verschoonbaar te laat bezwaar- of beroepschrift moet zijn ingediend binnen twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen. De norm dat belanghebbende niet ‘wist of hoefde te weten’ wat hem rechtens te doen staat, is potentieel breed inzetbaar. Bijvoorbeeld in deze zaak. De ambassadeur meende het beter te weten dan de inspecteur en gebruikte voor haar aangifte het biljet dat zij daarvoor geschikt achtte. Kennelijk wist zij niet dat zij verplicht was het in de aangiftebrief genoemde aangiftebiljet te gebruiken. Had zij dat moeten weten omdat dit in een uitvoeringsregeling staat? Ik waag het te betwijfelen. Met die redenering zou de rechter meer recht doen aan de strenge avas-norm dan met het vage redelijkheidscriterium.

mr. N. van den Hoek, advocaat-belastingkundige bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen

Stuur een reactie naar de auteur