Onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift.

ECLI:NL:RBAMS:2024:1750

Inhoudsindicatie

Onderzoek Trailers, onderdeel Trailers 4. BTW-carrouselfraude, bewezenverklaring. Onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift. Feitelijke leidinggeven. Tot slot aangifte doen van een feit waarvan hij wist dat het niet gepleegd was. Gevangenisstraf 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 81/302372-22 (Promis)

Datum uitspraak: 26 maart 2024

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

wonende op het adres [adres 1] ,

hierna: [verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 12 en 18 december 2024. [verdachte] was daarbij aanwezig. Op 26 maart 2024 is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.O van Driel, en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. W. de Vries, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding en tenlastelegging

2.1.

Achtergrond van de zaak

Start onderzoek

In juli 2017 is onderzoek 26Milltown gestart. Dit betrof een onderzoek naar autobedrijf [naam bedrijf 1] , dat werd verdacht van (onder andere) intracommunautaire btw-fraude (hierna: btw-fraude). Dit bedrijf zou zaken hebben gedaan met een kleine groep vaste afnemers die gebruikmaakte van katvangersbedrijven voor de aankoop van tweedehands auto’s. De auto’s zouden na aankoop niet naar het adres van de katvangers zijn getransporteerd, maar naar adressen van de daadwerkelijke afnemers (hierna: feitelijke kopers). Bij deze aankopen zou nul procent btw (ook wel: het nultarief) in rekening zijn gebracht. Onder voorwaarden mag over dit soort intracommunautaire leveringen (hierna: ICL’s) het nultarief worden toegepast. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat de goederen worden vervoerd naar een andere lidstaat van de Europese Unie en daar als intracommunautaire verwerving zijn onderworpen aan btw. De feitelijke kopers noch de katvangersbedrijven zouden de btw echter hebben aangegeven en/of afgedragen, waardoor in het geheel geen btw zou zijn betaald over de aankoop van deze auto’s. [naam bedrijf 1] zou hier wetenschap van hebben gehad en mocht het nultarief daarom niet toepassen, maar heeft dit toch gedaan. [naam bedrijf 1] is in 2020 door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor haar rol in deze fraude. Naast dit onderzoek is onderzoek 26Farragut gestart dat zich richtte op twee van de feitelijke kopers van [naam bedrijf 1] .

Uit de twee voornoemde onderzoeken is onderzoek Trailers voortgevloeid. Dit onderzoek valt uiteen in vier deelonderzoeken die zich richten op steeds een autobedrijf en haar feitelijke leidinggever(s). Trailers 4 richt zich op Autobedrijf [naam autobedrijf BV] (hierna: [naam autobedrijf BV] ) en [verdachte] als haar veronderstelde feitelijke leidinggever. [naam autobedrijf BV] is als verdachte aangemerkt, omdat de FIOD op basis van onderzoek 26Milltown en 26Farragut vermoedt dat [naam autobedrijf BV] eenzelfde modus operandi hanteert als [naam bedrijf 1] . Een voornaam aanknopingspunt voor dit vermoeden is dat [naam autobedrijf BV] ook auto’s heeft geleverd aan bedrijven waaraan [naam bedrijf 1] heeft geleverd en waarvan de FIOD vermoedt dat dit katvangersbedrijven zijn.

Op basis van onderzoek Trailers 4 verdenkt het Openbaar Ministerie [naam autobedrijf BV] ervan dat zij opzettelijk verkochte auto’s heeft gefactureerd aan katvangersbedrijven, en CMR’s (verklaringen van grensoverschrijdend vervoer) heeft opgemaakt op naam en adres van de katvangersbedrijven, maar heeft geleverd aan de feitelijke kopers. Voornoemde CMR’s zouden daarnaast zijn afgestempeld bij [naam autobedrijf BV] , terwijl dit bij aflevering van goederen over de grens had moeten gebeuren. Doordat [naam autobedrijf BV] hiermee betrokken was bij btw-fraude, mocht zij het nultarief niet toepassen. Desondanks zou zij dit wel hebben gedaan. In de aangiften omzetbelasting, die mede gebaseerd zijn op deze verkopen, zou daarom een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting zijn opgenomen. De facturen en CMR’s, die zijn opgemaakt in verband met deze verkopen, en de bedrijfsadministratie, waarin deze documenten zijn opgenomen, zouden daarom valselijk zijn opgemaakt. [verdachte] heeft deze verdenkingen zowel als vertegenwoordiger van [naam autobedrijf BV] als in zijn eigen zaak als verdachte ontkend. Tot slot blijkt uit Trailers 4 de verdenking dat [verdachte] aangifte heeft gedaan van diefstal van een auto op het terrein van [naam autobedrijf BV] , terwijl hij wist dat deze diefstal ergens anders heeft plaatsgevonden. Dit feit heeft [verdachte] niet ontkend.

2.2.

Tenlastelegging

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:

[naam autobedrijf BV] in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 juli 2019

1. opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan terwijl deze feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

2. facturen en de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken,

3. CMR’s valselijk heeft opgemaakt, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken,

terwijl [verdachte] hiertoe telkens opdracht heeft gegeven en/of aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven, en

4. [verdachte] op of omstreeks 20 juli 2017 aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat het feit niet is gepleegd.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Voorvragen

3.1.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1.

Verweer van de verdediging

De officier van justitie moet niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van feit 4 op de tenlastelegging. Dit feit is namelijk verjaard.

3.1.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De verjaring is namelijk gestuit door een daad van vervolging.

3.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt als volgt. Het onder 4 ten laste gelegde is strafbaar gesteld in artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en is een misdrijf waarvoor ten hoogste één jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd. Blijkens artikel 70 Sr vervalt voor misdrijven, waarop gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, het recht op strafvordering door verjaring in zes jaar. Echter, een daad van vervolging stuit de verjaring, zo blijkt uit artikel 72 Sr. Uit jurisprudentie blijkt dat onder andere een vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming als daad van vervolging kan worden aangemerkt.1 Blijkens de beschikking van de rechter-commissaris van 27 juni 2019 is de doorzoeking van de woning van [verdachte] op 21 juni 2019 gevorderd. De in de tenlastelegging genoemde pleegdatum is 20 juli 2017. De rechtbank oordeelt dan ook dat de verjaringstermijn van zes jaar niet is overschreden voordat de verjaringstermijn werd gestuit. Ook hierna, totdat heden vonnis wordt gewezen met betrekking tot dit feit, is de verjaringstermijn niet verstreken. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

3.2.

Conclusie voorvragen

De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding geldig is, dat deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Er zijn daarnaast geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. [naam autobedrijf BV] heeft btw-fraude gepleegd door de feitelijke kopers van auto’s, van wie zij wist dat deze geen btw zouden gaan afdragen, af te schermen door te factureren aan katvangersbedrijven. Subsidiair geldt dat [naam autobedrijf BV] opzettelijk heeft deelgenomen aan btw-fraude, doordat zij wist of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij onderdeel was van een keten van levering waarin fraude werd gepleegd. Daarom kan worden vastgesteld dat het nultarief niet mocht worden toegepast op deze verkopen. [naam autobedrijf BV] heeft dit echter wel gedaan. De aangiften omzetbelasting, die onder andere op deze verkopen zijn gebaseerd, zijn door [naam autobedrijf BV] dan ook onjuist ingediend (feit 1). Met betrekking tot de facturen op naam van de katvangersbedrijven en de bedrijfsadministratie waarin deze zijn opgenomen (feit 2), en de CMR’s (feit 3) kan valsheid in geschrift worden bewezen. Voornoemde CMR’s zijn ook vals, omdat deze bij [naam autobedrijf BV] werden afgestempeld en niet op de plaats van levering. [verdachte] heeft aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding gegeven. [verdachte] heeft tot slot bekend dat hij aangifte heeft gedaan van een diefstal op zijn terrein, terwijl hij wist dat deze diefstal ergens anders had plaatsgevonden (feit 4). Het verweer van de verdediging, dat strekt tot bewijsuitsluiting, moet worden verworpen, omdat geen sprake is van het gestelde vormverzuim.

4.2.

Standpunt van de verdediging

[verdachte] moet van het ten laste gelegde worden vrijgesproken. Allereerst was bij aanvang van het onderzoek geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Door toch opsporingsmiddelen in te zetten, is er sprake van een vormverzuim. Het gevolg dat hieraan moet worden verbonden is dat al het bewijs, dat uit dit onderzoek voortkomt, moet worden uitgesloten. Als de rechtbank hieraan voorbijgaat, kan niet worden vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] btw-fraude heeft gepleegd of heeft deelgenomen aan een handelsketen waarin btw-fraude plaatsvond. De aangiften omzetbelasting zijn mede daarom niet onjuist of onvolledig ingediend (feit 1). Ook valsheid in geschrift kan daarom niet worden bewezen (feit 2). Datzelfde geldt voor de CMR’s (feit 3), waar nog bij komt dat, wanneer de CMR’s wel vals zouden zijn opgemaakt, niemand is misleid. Opzet en dus oogmerk op misleiding of het bezorgen van nadeel kunnen niet worden vastgesteld. Met betrekking tot feit 4 kan niet worden bewezen dat [verdachte] aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, terwijl hij wist dat dit feit niet was gepleegd, zoals in artikel 188 Sr strafbaar is gesteld. Er was namelijk wel degelijk sprake van een strafbaar feit, alleen heeft [verdachte] verklaard dat dit op een andere plaats was gepleegd. Bovendien kan niet worden bewezen dat de aangifte ten overstaan van een medewerker van de politie is afgelegd. De verdediging heeft tot slot een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het (doen) verhoren van getuigen.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Samenvatting

De rechtbank acht alle tenlastegelegde feiten bewezen. Met betrekking tot feit 2 komt de rechtbank tot een partiële vrijspraak. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.2.

Bewijsuitsluitingsverweer

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat strekt tot bewijsuitsluiting. De rechtbank oordeelt namelijk dat geen sprake is van een vormverzuim. Uit het aanvangsproces-verbaal komt het volgende naar voren. [naam autobedrijf BV] werkt in dezelfde branche als [naam bedrijf 1] en heeft aan 21 bedrijven auto’s geleverd, waar [naam bedrijf 1] ook aan heeft geleverd. [naam autobedrijf BV] heeft daarnaast geleverd aan 14 bedrijven waarvan de FIOD vermoedt dat dit katvangersbedrijven zijn. Ook zijn er aanwijzingen dat [naam autobedrijf BV] een vergelijkbare modus operandi als [naam bedrijf 1] hanteerde. Onder andere zouden veel betalingen contant plaatsvinden. Daarnaast rijst dit vermoeden uit chats die zijn aangetroffen tussen een afnemer van [naam autobedrijf BV] en een telefoonnummer dat te koppelen is aan [naam autobedrijf BV] . Volgens de FIOD blijkt hieruit het vermoeden dat [naam autobedrijf BV] bedrijfsstempels van een afnemer wil hebben, waarmee normaliter CMR’s op de locatie van levering worden afgestempeld. Ook is [naam autobedrijf BV] eerder bij opsporingsdiensten in beeld geweest met betrekking tot soortgelijke feiten, namelijk het aangeven (hierna ook: listen) van ICL’s op bedrijven waarvan de btw-nummers niet geldig waren. Aan [naam autobedrijf BV] en [verdachte] is eerder een transactie opgelegd voor het niet-naleven van verplichtingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). [naam autobedrijf BV] is door de Belastingdienst ook eerder gewaarschuwd voor btw-fraude, zo blijkt uit twee brieven uit 2014. Ook vloeit uit de reacties op SCAC-verzoeken2 voort dat van vier bedrijven waarop [naam autobedrijf BV] ICL’s heeft gelist, de vraag is gerezen of deze bedrijven aan hun btw-verplichtingen voldoen. Tot slot blijkt daarnaast dat de btw-nummers van veel bedrijven waar [naam autobedrijf BV] op heeft gelist, op enig moment zijn afgevoerd, hetgeen een aanwijzing kan opleveren dat sprake is van btw-fraude. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat uit het aanvangsproces-verbaal voldoende blijkt van een redelijk vermoeden van schuld dat [naam autobedrijf BV] btw-fraude heeft gepleegd of deelnam aan een handelsketen waarin btw-fraude plaatsvond. Aangezien uit het aanvangsproces-verbaal volgt dat [verdachte] middellijk enig aandeelhouder en bestuurder is van [naam autobedrijf BV] , was er ook een redelijk vermoeden van schuld dat [verdachte] aan deze btw-fraude feitelijke leiding heeft gegeven.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat ontlastende informatie niet in het aanvangsproces-verbaal is betrokken, namelijk dat uit eerdere boekenonderzoeken door de Belastingdienst geen onregelmatigheden naar voren zouden zijn gekomen. De rechtbank begrijpt dat de verdediging een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen. [naam autobedrijf BV] zou erop vertrouwd mogen hebben dat haar werkwijze goed was, omdat deze ten tijde van het boekenonderzoek niet door de Belastingdienst als fout zou zijn aangemerkt. De rechtbank oordeelt echter anders. Zoals hiervoor beschreven, blijkt uit het aanvangsproces-verbaal onder andere een redelijk vermoeden van schuld aan het zelf plegen van btw-fraude. Het Openbaar Ministerie verdenkt [naam autobedrijf BV] er dan ook mede van dat zij te kwader trouw is geweest. Op de uitkomst van een boekenonderzoek mag in geval van kwade trouw niet zonder meer worden vertrouwd. De rechtbank oordeelt dan ook dat bij de start van het onderzoek wel degelijk sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten.

4.3.3.

Feit 1 – doen van onjuiste aangiften

4.3.3.1. Inleidende opmerkingen

De verdenking is dat de in de tenlastelegging opgenomen aangiften omzetbelasting onjuist en/of onvolledig zijn, omdat het nultarief niet toegepast had mogen worden op in de aangiften verantwoorde omzet op leveringen van auto’s naar andere EU-landen, aangezien [naam autobedrijf BV] betrokken is bij btw-fraude. Vanwege betrokkenheid bij btw-fraude kan het nultarief inderdaad worden geweigerd. De rechtbank stelt op basis van de jurisprudentie het volgende toetsingskader vast.

4.3.3.2. Toetsingskader weigering nultarief

Of het nultarief mag worden geweigerd vanwege betrokkenheid bij btw-fraude, moet volgens de belastingkamer van de Hoge Raad als volgt worden beoordeeld:

“De bestrijding van fraude, belastingontwijking en misbruik is een doel dat door btw-richtlijn 2006 wordt erkend en wordt gestimuleerd en dat rechtvaardigt dat belastingplichtigen soms zware verplichtingen worden opgelegd. Wanneer de belastingplichtige niet zelf de btw-fraude pleegt, kan hem het recht op aftrek of – zoals in dit geval – het nultarief alleen worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat die belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn verkoop van de goederen of diensten waarvoor aanspraak op het nultarief wordt gemaakt, deelnam aan een keten van transacties waarin, in een eerder of later stadium, btw-fraude door een andere ondernemer werd gepleegd.”3

De rechtbank zal dus eerst de vraag moeten beantwoorden of [naam autobedrijf BV] zelf btw-fraude heeft gepleegd. Als dat het geval is, kan toepassing van het nultarief worden geweigerd. Pas wanneer die vraag ontkennend zou worden beantwoord, komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van fraude elders in de keten (in een eerder of later stadium door een andere ondernemer) waar [naam autobedrijf BV] van wist. Ook in dat geval kan toepassing van het nultarief worden geweigerd.

Het nultarief kan aan de belastingplichtige slechts worden ontzegd als, na een algehele beoordeling van alle gegevens en alle feitelijke omstandigheden van het geval overeenkomstig de nationale bewijsregels, vaststaat dat hij btw-fraude heeft gepleegd of dat hij wist of had moeten weten dat de handeling, waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, onderdeel was van een dergelijke fraude. Het recht op het nultarief kan slechts worden geweigerd wanneer deze feiten rechtens genoegzaam zijn aangetoond, anders dan middels veronderstellingen.4

Voor de beoordeling van de vraag, of [naam autobedrijf BV] zelf btw-fraude heeft gepleegd, is – mede gelet op het specifieke verwijt aan [naam autobedrijf BV] – in het bijzonder het arrest van het HvJ EU inzake [naam 1] . van belang. Hieruit blijkt het volgende:

“Het overleggen van valse facturen of valse verklaringen en andere manipulaties van bewijs kunnen beletten dat de belasting juist wordt geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in het gedrang komt. Dergelijke handelingen zijn des te ernstiger wanneer zij plaatsvinden in het kader van de overgangsregeling voor de belastingheffing op intracommunautaire transacties, welke, zoals in punt 42 van dit arrest in herinnering is gebracht, functioneert op basis van de door de belastingplichtigen verstrekte bewijzen.

Derhalve staat het Unierecht niet eraan in de weg dat de lidstaten het opstellen van onregelmatige facturen als belastingfraude beschouwen en in dergelijke gevallen weigeren vrijstelling te verlenen (…).”5

Als de rechtbank toekomt aan de vraag, of sprake is van fraude elders in de keten waarvan [naam autobedrijf BV] wetenschap had, is het volgende van belang. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het nultarief wordt geweigerd:

“indien de betrokken ondernemer wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. Om het nultarief op die grond te weigeren is vereist dat wordt vastgesteld i) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de betrokken ondernemer in die keten innam, ii) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten.

(…)

Om een ondernemer het recht op toepassing van het nultarief te weigeren op de grond dat hij wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen, vormt het feit dat een andere ondernemer in dezelfde keten opzettelijk niet voldoet aan de verplichting verschuldigde btw aan te geven dan wel het feit dat die andere ondernemer verschuldigde btw in een keten van leveringen wel heeft aangegeven maar met de bedoeling deze btw niet te voldoen, een essentieel gegeven.”6

4.3.3.3. Oordeel m.b.t. btw-fraude

De rechtbank acht bewezen dat [naam autobedrijf BV] zelf btw-fraude heeft gepleegd. Dit volgt uit het algemene beeld van de administratie en bedrijfsvoering van [naam autobedrijf BV] met betrekking tot ICL’s, zoals hierna in 4.3.3.3.1 is weergegeven. De bevindingen uit het dossier met betrekking tot drie van de bedrijven waarop de meeste omzet is gelist bieden daarnaast steun voor dit algemene beeld. Deze listings bestrijken daarnaast de hele tenlastegelegde periode. Dit is in 4.3.3.3.2 weergegeven. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.3.3.1. Algemeen beeld

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.7

Schaduwadministratie

Bij de doorzoeking bij [naam autobedrijf BV] op 1 juli 2019 zijn diverse administratieve bescheiden in beslag genomen. Onder andere een ringbandmap, verkoopfacturen met daarop handgeschreven namen en post-its, handgeschreven lijstjes, notities en schrijfblokken, bedrijfsstempels en CMR-vrachtbrieven.8 In het dossier zijn deze bescheiden vergeleken met de (digitale) financiële administratie van [naam autobedrijf BV] en de klantdossiers. De aangetroffen ringbandmap bevat meerdere tabbladen. Op elk tabblad is een handgeschreven naam te lezen. Achter deze tabbladen bevinden zich één of meerdere handgeschreven overzichten.9 De namen, die op de tabbladen te lezen zijn, zijn aangetroffen als contactpersoon in één van de onder [verdachte] in beslag genomen telefoons en/of worden in een chatgesprek genoemd dat op één van deze telefoons is aangetroffen. Deze namen zijn niet aangetroffen in de klantdossiers bij [naam autobedrijf BV] . In de handgeschreven overzichten is per regel onder andere te lezen een (deel van een) datum, een merk en/of type auto, een kenteken en een bedrag in euro’s.10

In het hierna volgende overzicht zijn de namen te lezen die op de tabbladen in de ringbandmap zijn geschreven. Ook zijn in dit overzicht de kentekens, die zijn opgenomen in de ringbandmap, vergeleken met de bedrijfsadministratie van [naam autobedrijf BV] .11

Zoals hiervoor beschreven, zijn ook verkoopfacturen aangetroffen met daarop handgeschreven namen. Dit zijn er zeventien. De namen, die hierop zijn geschreven, zijn voor een groot deel dezelfde namen als die in de ringbandmap zijn aangetroffen. Voor alle namen, die op de facturen staan, geldt dat deze niet zijn aangetroffen in de klantdossiers en de financiële administratie van [naam autobedrijf BV] .12 De bedragen, die in de ringbandmap achter de kentekens zijn vermeld, wijken af van de bedragen die op de facturen in de bedrijfsadministratie zijn vermeld. Daarbij is het bedrag, dat in de ringbandmap staat, hoger dan het bedrag op de factuur.13

[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat de ringbandmap als een soort kladschrift diende en daarover het volgende toegelicht. Als een auto verkocht was, schreef hij deze verkoop op in de ringbandmap. Als de verkoop toch niet doorging, streepte hij de betreffende verkoop door. Hiermee zou hij voorkomen dat hij facturen op zou moeten maken, die hij uiteindelijk weer zou moeten crediteren. Het verschil in verkoopprijs tussen de ringbandmap en de uiteindelijke factuur, kan worden verklaard doordat de auto’s bijvoorbeeld meer schade hadden dan door de koper op foto’s kon worden gezien. In dat geval werd de auto uiteindelijk voor een lager bedrag verkocht dan (telefonisch) was afgesproken. Dat de auto’s in het overzicht zijn gesorteerd op contactpersoon en niet op autobedrijf, komt omdat [verdachte] meer zaken met de contactpersonen deed dan met de eigenaren van het autobedrijf. De rechtbank heeft [verdachte] vervolgens gevraagd hoe hij administreerde welk bedrijf de auto’s kocht, als hij deze alleen op contactpersoon categoriseerde. [verdachte] heeft hierop verklaard dat hij dit kon onthouden, ook als die contactpersoon namens meerdere bedrijven handelde. [verdachte] heeft tot slot verklaard dat hij al jarenlang op deze manier werkt. De ringbandmap bestaat sinds 2018, maar in de jaren daarvoor gebruikte hij hiervoor een schrift of een kladblok.

Ook zijn, zoals hiervoor beschreven is, handgeschreven lijstjes aangetroffen. Op deze lijstjes zijn onder andere de namen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] te lezen14, namen die ook terugkomen op tabbladen in de ringbandmap. Op één van deze lijstjes is onder andere vermeld, zoals door een verbalisant uitgewerkt:15

152.400 steht [naam 2]

7.300 C4 picasso

12.600 passat limo

13.000 + [naam 5]

185.300

72.000 – bezahlt 25500 guthaben

113.300 12-03-2019

De rechtbank stelt vast dat de andere handgeschreven lijsten16 op dezelfde manier zijn opgebouwd. De eerste datum die op deze verschillende lijsten is te zien, is 20 juni 201817 en de laatste datum is 20 juni 201918.

[verdachte] heeft over deze lijsten het volgende verklaard. Door contactpersonen werd soms te veel geld betaald. Omdat hij vaker zaken deed met dezelfde contactpersonen, zei [verdachte] dan tegen hen hoeveel ze nog bij hem konden kopen. Dat hield hij bij in voornoemde lijsten.19 Op de vraag van de rechtbank, hoe in deze lijsten rekening werd gehouden met de omstandigheid dat contactpersonen soms voor meerdere bedrijven werkten, heeft [verdachte] verklaard dat hij op dat moment wist voor welk bedrijf de betreffende contactpersoon auto’s kocht. De data en kentekens werden ook bij het betreffende bedrag geschreven.

Er is onderzoek gedaan naar de 36 grootste afnemers van [naam autobedrijf BV] en naar de administratie van [naam autobedrijf BV] met betrekking tot die afnemers. Hieruit blijkt allereerst dat van één van deze bedrijven, [naam bedrijf Kft 1] ., geen klantdossier aanwezig was in de administratie van [naam autobedrijf BV] .20 Uit onderzoek naar de overige afnemers blijkt dat in slechts één van de klantdossiers, dat van [klant 1] , een document is aangetroffen dat vermoedelijk een algemene volmacht aan een contactpersoon betreft. Wel zijn meerdere bijzondere afhaalvolmachten aangetroffen.21

In zijn geschreven aanvullende verklaring op een verhoor van 17 februari 2020 deelt [verdachte] mee, dat bij contante betalingen alleen de eigenaar van het kopende bedrijf werd gemeld bij de Financial Intelligence Unit (hierna: FIU), ook als het geld door iemand anders gebracht werd, omdat het niet mogelijk was om meerdere personen per transactie te melden.22 Uit de website van de FIU blijkt echter dat er wel degelijk meerdere personen in een melding kunnen worden gemeld en in sommige situaties ook moeten worden genoemd.

[verdachte] heeft daarnaast verklaard dat het klopt dat [persoon 1] meerdere malen voor [naam autobedrijf BV] in Duitsland contant geld ophaalde.23 [verdachte] heeft verklaard dat dit gebeurde, omdat klanten bang waren dat het geld in beslag genomen zou worden als zij ermee de grens over zouden gaan. Het zou dan lang duren voordat het beslag zou zijn afgewikkeld en men het geld terug zou krijgen.

Tussenconclusie – schaduwadministratie

De rechtbank oordeelt op basis van het voorgaande dat voornoemde administratieve bescheiden een schaduwadministratie vormen. Allereerst wijken deze af van de officiële financiële administratie van [naam autobedrijf BV] . Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank onlogisch dat de overzichten van verkochte auto’s in de ringbandmap zijn geordend op contactpersoon, in plaats van op afnemer waaraan wordt gefactureerd. Voor de handgeschreven lijsten, die feitelijk als debiteuren- of rekening-courantoverzichten kunnen worden aangemerkt, geldt hetzelfde. Bovendien is een oplopend of aflopend saldo per contactpersoon niet logisch als deze contactpersoon voor verschillende afnemers zou optreden, maar wel als hij voor zichzelf optreedt en de afnemers als katvanger ertussen worden geschoven. De door [verdachte] gegeven verklaring voor de schaduwadministratie, dat enkel sprake was van een kladschrift, is dan ook niet aannemelijk. Hierbij weegt bijvoorbeeld ook nog mee dat uit de hierboven weergegeven tabel blijkt dat door meerdere contactpersonen auto’s zijn gekocht die aan [naam bedrijf Kft 2] zijn gefactureerd, maar dat dit bedrijf ook haar eigen tabblad heeft in de ringmap, zodat de verklaring van [verdachte] niet kan kloppen. De schaduwadministratie is grotendeels opgemaakt op naam van contactpersonen, die in het geheel niet terugkomen in de officiële administratie van [naam autobedrijf BV] en ook niet in de meldingen aan de FIU. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank de verklaring van [verdachte] voor het over de grens ophalen van geld evenmin aannemelijk. Dit biedt naar het oordeel van de rechtbank juist steun aan het scenario dat de contactpersonen buiten beeld wilden blijven.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, vast dat de contactpersonen de feitelijke kopers zijn van de auto’s. Zij maakten gebruik van katvangersbedrijven waaraan de auto’s uiteindelijk door [naam autobedrijf BV] werden gefactureerd. [naam autobedrijf BV] heeft op deze manier de feitelijke kopers actief afgeschermd.

Stempels CMR’s

Bij de doorzoeking bij [naam autobedrijf BV] op 1 juli 2019 zijn tien stempels in beslag genomen, te weten één handtekeningstempel en negen bedrijfsstempels.24 Op de afdrukken van deze stempels is te lezen: [naam bedrijf Kft 1] .; [naam bedrijf Kft 2] .; [persoon 2] ; [persoon 3] ; [naam bedrijf Kft 3] .; [naam bedrijf 2] ; [naam bedrijf 3] ; [naam bedrijf 4] en [persoon 4] . Deze namen zijn te herleiden tot bedrijven aan wie [naam autobedrijf BV] heeft geleverd.25 Op CMR’s moet in vak 24 een handtekening worden gezet door de ontvanger op het moment van ontvangst.26 Uit onderzoek naar CMR’s in de administratie van [naam autobedrijf BV] blijkt dat in dit vak ook vaak een bedrijfsstempel stond.27

[verdachte] heeft verklaard dat het er weleens bij inschoot om alle CMR’s te controleren. Er werd dan aan de eigenaar van het ontvangende bedrijf gevraagd om de CMR’s op locatie (de rechtbank begrijpt: in het bedrijfspand van [naam autobedrijf BV] ) af te stempelen.28 [verdachte] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij er verantwoordelijk voor is dat CMR’s bij hem werden afgestempeld.29 [verdachte] heeft verklaard dat hij op dat moment het kwade van deze werkwijze niet inzag. Hij zag dit als een efficiënte manier om de papieren op orde te krijgen.

Tussenconclusie – stempels CMR’s

[naam autobedrijf BV] liet CMR’s afstempelen op haar bedrijfslocatie, terwijl deze bij aflevering bij het ontvangende bedrijf moesten worden afgestempeld. Zelfs als in het midden wordt gelaten, of aannemelijk is dat [verdachte] inderdaad het kwade van deze werkwijze niet inzag, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] in ieder geval wist dat de CMR’s in strijd met de waarheid werden opgemaakt. De rechtbank oordeelt dat CMR’s een bewijsbestemming hebben en dat door het op een onjuiste manier invullen van deze CMR’s anderen kunnen worden misleid. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat de verdediging met betrekking tot feit 3 heeft gevoerd en verwijst voor de verdere overweging hierover naar rubriek 4.3.5.

Conclusie algemeen beeld

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat bij verkoop van auto’s sprake was van katvangersconstructies, waarbij de feitelijke kopers door [naam autobedrijf BV] actief werden afgeschermd. Daarnaast werden met wetenschap van [naam autobedrijf BV] CMR’s in strijd met de waarheid opgemaakt. Hierbij merkt de rechtbank op dat de wetenschap van [verdachte] redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] kan worden toegerekend, omdat hij telkens opzettelijk heeft gehandeld namens en ten behoeve van [naam autobedrijf BV] . De rechtbank komt op basis van dit algemene beeld dan ook tot het oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] door voornoemde gedragingen een actieve rol heeft gespeeld bij het manipuleren van bewijs, namelijk de bedrijfsadministratie. Aangezien dit bewijs ten grondslag ligt aan de vaststelling van de hoeveelheid af te dragen btw, konden deze manipulaties beletten dat de belasting juist zou worden geheven. De rechtbank oordeelt dan ook dat het algemene beeld van de administratie en bedrijfsvoering van [naam autobedrijf BV] laat zien dat zij zich in algemene zin bezighield met het zelf plegen van btw-fraude.

4.3.3.3.2. Bedrijven en contactpersonen

Hierna zal de rechtbank vaststellen dat voor drie van de grootste afnemers, die de volledige tenlastegelegde periode dekken, steun te vinden is voor het hiervoor besproken algemene beeld dat [naam autobedrijf BV] zich zelf bezighield met btw-fraude. De rechtbank merkt op dat zij de overige afnemers, die in het dossier zijn genoemd, niet zal bespreken, omdat dit niet noodzakelijk is om tot een volledige bewezenverklaring te komen.

4.3.3.3.2.1. [naam bedrijf 5] / [naam bedrijf 5]

[naam autobedrijf BV] heeft in alle maanden van mei 2017 tot en met juli 2018 ICL’s gelist op [naam bedrijf 5] , voor in totaal € 2.963.900,00.30 en [naam bedrijf 5] zijn in het dossier geïdentificeerd als één bedrijf.31 Hierna zal telkens de naam [naam bedrijf 5] worden gebruikt.

Uit de reactie op een SCAC-verzoek blijkt dat [naam bedrijf 5] in 2018 geen auto’s heeft gekocht of verkocht. Het bedrijfsadres van [naam bedrijf 5] is hetzelfde adres als het woonadres van de eigenaar en daar is geen plaats voor het stallen van auto’s. Tot slot wordt het bedrijf aangemerkt als missing trader.32

In de schrijfblokken, die bij [naam autobedrijf BV] zijn aangetroffen33, is daarnaast een handgeschreven aantekening aangetroffen waarop “€ 11500,-”, “ [naam 6] ” en “ [kenteken 1] ” te lezen is.34 De auto met voornoemd kenteken is aan [naam bedrijf 5] gefactureerd voor € 11.000,00.35

Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de auto met voornoemd kenteken voor een lager bedrag is gefactureerd dan in de schaduwadministratie is opgenomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de naam [naam 6] terugkomt in de schaduwadministratie, maar niet in de klantdossiers bij [naam autobedrijf BV] van [naam bedrijf 5] (zie rubriek 4.3.3.3.1).

Onder [verdachte] is een telefoon inbeslaggenomen met telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer staat op naam van [naam autobedrijf BV] , en uit een tapgesprek blijkt dat de gebruiker van dit telefoonnummer de telefoon opneemt en zich voorstelt als “ [verdachte] ”.36 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [verdachte] de gebruiker is van dit telefoonnummer.

Op de betreffende telefoon is een chatgesprek aangetroffen met ene “ [naam 7] ”. Hierin schrijft [naam 7] : “Voor die Cmr van [naam 8] : 4x op [naam bedrijf 5] 3x [naam 9] en 1x [naam 10] ” en “Dus 3x Cmr”, waarop [verdachte] schrijft: “Doe maar 2 5x [naam bedrijf 5] en Danke”.37 Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte] bepaalt op naam van welk bedrijf een CMR wordt opgemaakt. Het lijkt niet van belang, of in ieder geval van ondergeschikt belang, op naam van welk bedrijf de CMR’s worden opgemaakt. Onder andere zegt [verdachte] dat een aantal CMR’s op naam van [naam bedrijf 5] ( [naam bedrijf 5] ) wordt opgemaakt. Ook hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de betreffende bedrijven, waaronder [naam bedrijf 5] , instrumenteel worden gebruikt.

4.3.3.3.2.2. [naam bedrijf Kft 2]

[naam autobedrijf BV] heeft in alle maanden in de periode van augustus 2018 tot en met juni 2019 ICL’s gelist op [naam bedrijf Kft 2] (hierna: [naam bedrijf Kft 2] ), voor in totaal € 3.205.650,00.38

Uit een SCAC-verzoek blijkt dat tegen [naam bedrijf Kft 2] een onderzoek is ingesteld met betrekking tot de afdracht van btw in de periode van 6 juli 2018 tot en met 30 september 2018. Het bedrijf heeft echter geweigerd medewerking te verlenen en de documenten zijn niet beschikbaar.39 Tevens blijkt uit dit SCAC-verzoek dat [naam bedrijf Kft 2] geen verwervingen heeft aangegeven.40

In het dossier bevindt zich een tapgesprek tussen het telefoonnummer dat, zoals hiervoor vastgesteld, door [verdachte] wordt gebruikt en een telefoonnummer dat ten naam gesteld is van [persoon 1] .41 In dit gesprek van 14 maart 2019 neemt [persoon 1] de telefoon als volgt op: “met [naam 11] ”. Daarna zegt hij “ik zit bij [naam 23] ” en “ [naam 2] heb ik niet gezien maar d’r kwam een gozer, kwam geld brengen, 7 rooie”.42 De rechtbank maakt hieruit op dat [persoon 1] degene is die [naam 11] wordt genoemd, dat hij in Duitsland is en dat hij namens [naam 2] van iemand geld heeft gekregen. Hierbij weegt tevens mee dat [verdachte] heeft verklaard dat het voorkwam dat [persoon 1] geld ophaalde in het buitenland, zoals hiervoor in 4.3.3.3.1 is vastgesteld.

In een ander tapgesprek, van 13 maart 2019, zegt [verdachte] : “je moet nog effe die Golf klaar zetten als je wilt, voor [naam 11] ”.43 Op 13 maart 2019 heeft een observatie plaatsgevonden bij [naam autobedrijf BV] en is een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] doorzocht. Hierbij zijn drie insteekhoezen met documenten aangetroffen, waaronder één met een post-it met de naam [naam 2] erop.44 In die insteekhoes zijn vijf documenten aangetroffen, waaronder een document waarop chassisnummers zijn vermeld van auto’s. Eén van deze chassisnummers is te herleiden tot kenteken [kenteken 3] , te naam gesteld van [naam bedrijf Kft 2] .45 Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 351046 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .46 Op de factuur met dit nummer is vermeld: “ [naam bedrijf Kft 2] ”. Ook wordt als kenteken op deze factuur genoemd “ [kenteken 3] ”.47 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de auto met kenteken [kenteken 3] is gefactureerd aan [naam bedrijf Kft 2] . Zoals in het overzicht in rubriek 4.3.3.3.1 is te lezen, komt dit kenteken ook voor in de schaduwadministratie van [naam autobedrijf BV] .

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [persoon 1] op 14 maart 2019 geld heeft opgehaald in Duitsland. Uit het tapgesprek met [persoon 1] volgt dat hij namens [naam 2] geld heeft gekregen. [verdachte] sprak daarnaast op 13 maart 2019 aan de telefoon over het klaarzetten van “de Golf” voor [naam 11] , terwijl op diezelfde dag in een Volkswagen Golf in een insteekhoes met daarop “ [naam 2] ” documenten zijn aangetroffen, die zijn te herleiden tot de facturatie van auto’s aan [naam bedrijf Kft 2] . De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat deze documenten ook ten grondslag liggen aan de betalingen die namens [naam 2] werden verricht.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat de naam [naam 2] ook terugkomt in de schaduwadministratie, maar niet in de klantdossiers van [naam bedrijf Kft 2] bij [naam autobedrijf BV] (zie rubriek 4.3.3.3.1).

4.3.3.3.2.3. [klant 2]

[naam autobedrijf BV] heeft in alle maanden in de periode van januari 2017 tot en met april 2018 ICL’s gelist op [klant 2] , voor in totaal € 2.660.900,00.48

Uit de reactie op een SCAC-verzoek blijkt dat [klant 2] niet aan btw-verplichtingen heeft voldaan en geen btw-aangifte heeft ingediend. Er zijn daarnaast aanwijzingen dat het bedrijf [klant 2] een missing trader is. Zo is het bedrijf niet te vinden op het opgegeven bedrijfsadres en is er op dat adres evenmin een pand waar auto’s kunnen worden gestald. Er is daarnaast een procedure gestart om het btw-nummer van het bedrijf in te trekken.49 Het btw-nummer is sinds 10 september 2018 ook niet meer geldig.50

Uit het klantdossier bij [naam autobedrijf BV] van [klant 2] komt daarnaast naar voren dat dit bedrijf is gevestigd op het adres [adres 2] .51 Uit het klantdossier van het bedrijf [klant 3] bij [naam autobedrijf BV] komt hetzelfde bedrijfsadres naar voren. Ook is het nummer [btw nummer] te lezen in dit klantdossier.52 In de administratie van [naam autobedrijf BV] is een afhaalvolmacht aangetroffen namens [klant 2] , waarin [btw nummer] als btw-nummer is opgegeven.53 [klant 2] en [klant 3] hebben dus hetzelfde bedrijfsadres en hetzelfde btw-nummer.

In de schaduwadministratie is een aantekening gevonden waarin “ [naam 12] ” is te lezen. Bij de aantekening is een pijl gezet, die wijst naar een geel briefje waarop onder andere is te lezen: [kenteken 4] en [kenteken 5] .54 Auto’s met die kentekens zijn volgens de administratie van [naam autobedrijf BV] gefactureerd aan [klant 2] .55 De naam [naam 12] komt ook voor op één van de schrijfblokken, namelijk bij een kenteken van een auto die blijkens de administratie is gefactureerd aan [naam bedrijf 5] ( [naam bedrijf 5] ).56

4.3.3.3.3. Conclusie zelf plegen btw-fraude

De rechtbank oordeelt dat het beeld van de autohandel met [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf Kft 2] en [klant 2] aansluit op het algemene beeld dat is beschreven in 4.3.3.3.1. Daarom acht de rechtbank bewezen dat voornoemde bedrijven katvangersbedrijven zijn en dat [naam autobedrijf BV] zich bij de autohandel met deze bedrijven bezighield met het zelf plegen van btw-fraude. [naam autobedrijf BV] heeft door haar manier van handelen de feitelijke kopers actief afgeschermd. Dat zij dit wist, blijkt uit voorgaande vaststellingen en daarnaast uit het algemene beeld, zoals weergegeven in 4.3.3.3.1. Ook in dit kader merkt de rechtbank op dat de wetenschap van [verdachte] redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] kan worden toegerekend, omdat hij telkens opzettelijk heeft gehandeld namens en ten behoeve van [naam autobedrijf BV] . Er kan dan ook worden vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] door voornoemde gedragingen een actieve rol heeft gespeeld bij het manipuleren van bewijs. Aangezien dit bewijs ten grondslag ligt aan de vaststelling van de hoeveelheid af te dragen btw, konden deze manipulaties beletten dat de belasting juist zou worden geheven. De rechtbank oordeelt dat [naam autobedrijf BV] met betrekking tot de handel met voornoemde bedrijven zelf btw-fraude heeft gepleegd. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag, of verderop in de keten btw-fraude is gepleegd waarvan [naam autobedrijf BV] wetenschap had.

4.3.3.4. Onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting

Uit de vaststellingen in 4.3.3.3 volgt dat [naam autobedrijf BV] in alle maanden, die in de tenlastelegging onder 1 zijn genoemd, ICL’s heeft gelist op katvangersbedrijven. Uit de aangiften omzetbelasting van [naam autobedrijf BV] blijkt voorts dat in die maanden omzet van leveringen binnen de EU is aangegeven.57 Uit het dossier blijkt daarnaast dat de eerste van deze aangiften door de Belastingdienst is ontvangen op 28 februari 201758 en de laatste is ontvangen op 20 juli 2019.59 De ICL’s aan voornoemde katvangersbedrijven liggen dus mede ten grondslag aan de opgave van omzet van leveringen binnen de EU. Het is een feit van algemene bekendheid dat met betrekking tot ICL’s het nultarief geldt. Zoals in het toetsingskader in 4.3.3.2 al is vastgesteld, mag het nultarief echter niet toegepast worden als sprake is van btw-fraude.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de aangiftebiljetten, zoals deze door [naam autobedrijf BV] zijn ingediend, feitelijk niet onjuist of onvolledig zijn ingevuld. Het aangiftebiljet biedt namelijk geen ruimte om bij leveringen binnen de EU aan te geven of het nultarief wel of niet mocht worden toegepast. Het is niet gebleken dat deze leveringen onterecht als export naar landen binnen de EU zijn aangemerkt. Rubriek 3b (omzet leveringen binnen de EU) is dan ook niet onjuist of onvolledig ingevuld, aldus de verdediging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Uit artikel 8 lid 1 onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) volgt dat een ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden die aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Uit de wet volgt niet dat deze aangifte ook naar waarheid moet worden gedaan, maar uit de parlementaire geschiedenis bij de wet blijkt dat de woorden “naar waarheid” overbodig zijn, omdat het onjuist of onvolledig doen van belastingaangifte strafbaar is.60 Het bepaalde in artikel 8 lid 1 onder a Awr, in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, Awr, brengt mee dat degene die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden is alle in het aangiftebiljet gestelde vragen naar gegevens die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te beantwoorden.61 Indien een belastingplichtige twijfelt aan de juistheid of volledigheid van (een onderdeel van) de door hem in te dienen aangifte, en deze twijfels kunnen niet door het inwinnen van nadere inlichtingen worden weggenomen, zal hij deze twijfels tot uitdrukking moeten brengen in de aangifte of anderszins kenbaar moeten maken aan de inspecteur. Doet hij dit laatste niet, dan kan er sprake zijn van persoonlijke grove schuld of zelfs voorwaardelijk opzet bij het doen van onjuiste of onvolledige aangifte.62

De rechtbank overweegt dat inderdaad niet uit het dossier blijkt dat het bedrag, dat [naam autobedrijf BV] aan leveringen binnen de EU heeft omgezet, niet strookt met het bedrag dat op het aangiftebiljet is weergegeven. Echter, het had op de weg van [naam autobedrijf BV] gelegen om in dat geval kenbaar te maken dat ten aanzien van (een gedeelte van) die leveringen het nultarief niet van toepassing was. Daarbij wijst de rechtbank op rubriek 5a van het door de verdediging bij de pleitnota gevoegde aangiftebiljet omzetbelasting. Volgens deze rubriek moet degene die de aangifte indient de verschuldigde omzetbelasting van de eerder in het biljet opgenomen rubrieken 1 tot en met 4 optellen. Bij deze optelsom dient dus ook de verschuldigde omzetbelasting over de omzet vermeld in rubriek 3b te worden meegenomen. Als [naam autobedrijf BV] van oordeel was dat zij niet anders kon dan alle ICL’s op te nemen in rubriek 3b, dan had niets eraan in de weg gelegen om de wel verschuldigde omzetbelasting over deze leveringen mee te nemen bij het invullen van rubriek 5a van het aangiftebiljet. Door dit niet te doen, maar de aangiften in te dienen zoals zij heeft gedaan, heeft [naam autobedrijf BV] onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting gedaan.

4.3.3.5. Opzet

Gelet op de vaststelling dat [naam autobedrijf BV] zelf btw-fraude heeft gepleegd en hier ook een actieve rol bij heeft gespeeld, is gegeven dat de onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting ook opzettelijk zijn gedaan.

4.3.3.6. Conclusie feit 1

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [naam autobedrijf BV] de (digitale) aangiften omzetbelasting zoals hierna in rubriek 5 genoemd, opzettelijk onjuist en/of onvolledig heeft ingediend, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Deze gedraging kan ook redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] worden toegerekend, omdat ze heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van haar als rechtspersoon. Het indienen van deze aangiften is immers gedaan door personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, deze gedraging past in de normale bedrijfsvoering van [naam autobedrijf BV] en was haar dienstig in het door haar uitgeoefende bedrijf, en [naam autobedrijf BV] vermocht erover te beschikken of deze gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

4.3.4.

Feit 2 – valsheid in geschrift (facturen en bedrijfsadministratie)

4.3.4.1. Algemene opmerkingen

De rechtbank merkt op dat uit hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht en hetgeen verder uit het dossier volgt, blijkt dat de tenlastegelegde valsheid in geschrift is gegrond op de btw-fraude die ten grondslag ligt aan de tenlastelegging van feit 1. Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] in de tenlastegelegde periode zelf btw-fraude heeft gepleegd, onder andere door facturen op naam van katvangersbedrijven op te maken. De rechtbank zal hierna vaststellen voor welke specifieke in de tenlastelegging genoemde documenten voor dit beeld voldoende steun te vinden is in het dossier. Zij komt dan tot het oordeel dat op basis hiervan valsheid in geschrift met betrekking tot de genoemde stukken, met uitzondering van twee facturen, kan worden bewezen. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.4.2. Partiële vrijspraak

De rechtbank acht valsheid in geschrift met betrekking tot de onder H en K genoemde facturen niet bewezen, spreekt [verdachte] van het feitelijke leidinggeven aan die verboden gedragingen vrij en overweegt daartoe als volgt.

4.3.4.2.1. H. [naam bedrijf 6] / [persoon 5]

In de tenlastelegging is beschreven dat de factuur voor een bepaalde auto op naam staat van [naam bedrijf 6] , terwijl deze auto eigenlijk aan [persoon 5] zou moeten worden gefactureerd. Blijkens het dossier ligt hieraan ten grondslag de verdenking dat [persoon 5] de feitelijke koper van de auto is en [naam bedrijf 6] als katvanger heeft gefungeerd. De rechtbank overweegt dat “ [persoon 5] ” niet terugkomt in de schaduwadministratie. Weliswaar staat handgeschreven “ [persoon 5] ” op de factuur, maar dit is onvoldoende om te stellen dat met [persoon 5] een feitelijke koper wordt bedoeld, laat staan dat duidelijk wordt wie dat is. Hierbij weegt de rechtbank tevens mee dat [persoon 5] ook een plaatsnaam is. Uit het dossier blijkt tot slot dat deze (plaats)naam ook terugkomt in een gesprek met [naam 12] . Het ten laste gelegde kan dan ook niet worden bewezen.

4.3.4.2.2. K. [naam bedrijf 7] / [persoon 6]

In de tenlastelegging is beschreven dat de factuur van een bepaalde auto op naam staat van [naam bedrijf 7] , terwijl deze auto eigenlijk aan [persoon 6] zou moeten worden gefactureerd. Wat hieraan blijkens het dossier ten grondslag ligt, is de verdenking dat [persoon 6] de feitelijke koper van de auto is en [naam bedrijf 7] als katvanger heeft gefungeerd. De rechtbank overweegt dat [persoon 6] niet terugkomt in de schaduwadministratie. Uit het dossier volgt dat [verdachte] in een chat over een auto die aan [naam bedrijf 7] is gefactureerd, vraagt: “Waar was die auto van?”. Hierop krijgt hij het antwoord: “ [persoon 6] ”. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om vast te stellen dat hiermee wordt bedoeld dat [persoon 6] de feitelijke koper van de auto is, laat staan dat duidelijk wordt wie dat is. Valsheid in geschrift kan met betrekking tot deze factuur dan ook niet worden bewezen.

4.3.4.3. Bewijsmotivering

4.3.4.3.1. A. [naam bedrijf Kft 2] / [naam 2]

Hiervoor heeft de rechtbank in rubriek 4.3.3.3.2.2 al vastgesteld dat de in de tenlastelegging onder A bedoelde factuur voor een auto met kenteken [kenteken 3] is gericht aan [naam bedrijf Kft 2] . Deze factuur met nummer 351046 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .63 Op de factuur is daarnaast vermeld: “T.a.v. [naam 13] [adres 3] ” en “Datum : 20-02-2019”.64

In voornoemde rubriek is ook vastgesteld dat [persoon 1] over de grens contant geld ophaalde, dat afkomstig was van [naam 2] , aan welke betaling onder andere een document met het kenteken [kenteken 3] erop ten grondslag lag. Ook is vastgesteld dat bij de handel via [naam 2] sprake was van een katvangersconstructie, waarbij [naam 2] als feitelijke koper gebruikmaakte van [naam bedrijf Kft 2] als katvanger. Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 ook vastgesteld dat de auto met voornoemd kenteken specifiek is genoemd in de schaduwadministratie, onder de naam [naam 2] . Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat [naam 2] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 2] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.2. B. [naam bedrijf SRLS] / [naam 4]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 351279 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .65 Op de factuur is vermeld: “ [naam bedrijf SRLS] [adres 4] , “Datum : 08-03-2019” en “Kenteken: [kenteken 6] ”.66

In rubriek 4.3.3.3.2.2 is vastgesteld dat [persoon 1] namens [naam autobedrijf BV] in een Volkswagen Golf geld ophaalde in Duitsland van onder andere [naam 2] . Op één van de insteekhoezen die in deze Golf zijn aangetroffen, is een post-it geplakt met daarop: “ [naam 4] ”. In deze hoes zitten documenten waarop chassisnummers zijn vermeld, die zijn te herleiden tot kentekens die te naam zijn gesteld van [naam bedrijf 4] Dit betreft onder andere het kenteken [kenteken 6] .67 Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 4] ook terugkomt in de schaduwadministratie en er onder zijn tabblad in de schaduwadministratie auto’s zijn genoemd die zijn gefactureerd aan verschillende bedrijven, waaronder [naam bedrijf 4] De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat er in het dossier voldoende steun is voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 4] sprake is van een katvangersconstructie. [naam 4] kan als feitelijke koper, die gebruikmaakte van onder andere het bedrijf [naam bedrijf 4] als katvanger, worden aangemerkt. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat kan worden vastgesteld dat [naam 4] de feitelijke koper is van de auto waarop de voornoemde factuur betrekking heeft. [naam 4] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.3. C. [klant 2] / [naam 12]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 345203 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .68 Op deze factuur is vermeld: “ [klant 2] [adres 5] ”, “Datum : 16-02-2018” en “Kenteken: [kenteken 4] ”.69

In rubriek 4.3.3.3.2.3 is vastgesteld dat met betrekking tot [klant 2] sprake is van een katvangersconstructie. In ieder geval de feitelijke koper [naam 12] kocht auto’s bij [naam autobedrijf BV] en maakte daarbij gebruik van het katvangersbedrijf [klant 2] . Ook is vastgesteld dat voornoemd kenteken in de schaduwadministratie is vermeld met daarbij de naam [naam 12] . De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam 12] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 12] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.4. D. [naam bedrijf 10] / [naam 14]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 353150 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .70 Op deze factuur is vermeld: “ [naam bedrijf 10] T.a.v. [naam 15] [adres 6] ” en “Datum : 12-06-2019”. Op de factuur is naast voornoemde bedrijfsnaam en bedrijfsadres met de hand geschreven: “ [naam 14] ”.71

Op de telefoon van [verdachte] is een Viber-gesprek aangetroffen met een persoon die als contactpersoon in de telefoon is opgeslagen onder de naam [naam 14] . Op 13 maart 2019 stuurt [naam 14] aan [verdachte] : “Hallo [verdachte] , Ich bin [naam 16] ein Partner von [naam 2] [naam bedrijf 10] ”.72 In de periode van 4 tot 16 april 2019 stuurt [naam 14] onder andere aan [verdachte] (door een verbalisant vertaald uit het Duits): “Is de Volvo al bij je?”, “Volgende week heeft [naam 17] een vrachtwagen en ik laad mee .. Als [naam 17] jouw medewerker geld geeft dan geef ik ook mee” en “is de Mondeo ook al bij jou?”. [verdachte] stuurt aan [naam 14] : “ [naam bedrijf 10] alles oke”.73 Op 10 mei 2019 stuurt [naam 14] aan [verdachte] : “Hallo will je mij niets verkopen? Of heb je wat over mij gehoord?”. Hierop stuurt [verdachte] : “ [naam bedrijf 10] werkt met 10 klanten”. [naam 14] reageert onder andere met: “Dat heeft [naam 18] ( [naam 18] ) jou gezegd”, “Die man is een grote leugenaar en nu koopt [naam 4] op zijn bedrijf”, “Ik betaal ook de belastingadviseur en Belastingdienst voor [naam bedrijf 10] ”. Hierop zegt [verdachte] : “Oke we beginnen een nieuwe samenwerking”.74

[naam 14] spreekt met [verdachte] over het laden van auto’s die zijn aangekocht. Ook wordt er gesproken over het bedrijf [naam bedrijf 10] en worden de namen [naam 2] , [naam 18] , [naam 4] en [naam 17] genoemd. Deze namen komen, zoals in 4.3.3.3.1 is vastgesteld, allemaal terug in de schaduwadministratie van [naam autobedrijf BV] . Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat [verdachte] heeft aangegeven dat hij geen zaken met [naam 14] wil doen via [naam bedrijf 10] , omdat dit bedrijf met tien klanten werkt. [naam 14] zegt vervolgens onder andere dat hij de belastingadviseur en Belastingdienst betaalt voor [naam bedrijf 10] . Vervolgens geeft [verdachte] aan dat hij in dat geval wel zaken wil doen. Dat [naam 14] een tussenhandelaar zou zijn, is niet aannemelijk, aangezien hij zegt dat hij de belastingadviseur en de Belastingdienst voor [naam bedrijf 10] betaalt. Deze chatgesprekken en de handgeschreven naam [naam 14] op de factuur aan [naam bedrijf 10] geven naar oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 14] sprake is van een katvangersconstructie.

De rechtbank overweegt voorts dat, zoals hiervoor is beschreven, de persoon wiens telefoonnummer op de telefoon van [verdachte] is opgeslagen als [naam 14] , zich lijkt voor te stellen als [naam 16] . De rechtbank kan niet vaststellen of [naam 14] of [naam 16] de naam is van degene die dit telefoonnummer gebruikt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat een ander dan [naam bedrijf 10] de feitelijke koper is van deze auto. Diegene had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn/haar adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.5. E. [persoon 2] / [naam 18]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 353084 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .75 Op deze factuur staat verder vermeld: “ [persoon 2] [adres 7] ” en “Datum : 12-06-2019”. Op de factuur is naast voornoemde bedrijfsnaam en bedrijfsadres met de hand geschreven: “ [naam 18] ”.76

Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 18] terugkomt in de schaduwadministratie. Ook is vastgesteld dat een auto, die in de schaduwadministratie onder het tabblad van [naam 18] is genoemd, is gefactureerd aan [persoon 2] . Dit en de handgeschreven naam [naam 18] op voornoemde factuur geven naar oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 18] sprake is van een katvangersconstructie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam 18] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 18] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.6. F. [naam bedrijf Kft 1] / [naam 19]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 352527 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .77 Op deze factuur is vermeld: “ [naam bedrijf Kft 1] [adres 8] ” en “Datum: 13-05-2019”. Op de factuur is naast voornoemde bedrijfsnaam en bedrijfsadres met de hand geschreven: “ [naam 19] ”.78

Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 19] terugkomt in de schaduwadministratie. Ook is vastgesteld dat een auto, die in de schaduwadministratie onder het tabblad van [naam 19] is genoemd, is gefactureerd aan [naam bedrijf Kft 1] . Dit en de handgeschreven naam [naam 19] op voornoemde factuur geven naar oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 19] sprake is van een katvangersconstructie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam 19] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 19] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.7. G. [naam bedrijf 8] / [naam 20]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 352557 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .79 Op deze factuur is vermeld: “ [naam bedrijf 8] [adres 9] ” en “Datum: 13-05-2019”. Op de factuur is naast voornoemde bedrijfsnaam en bedrijfsadres met de hand geschreven: “ [naam 20] ”.80

Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 20] terugkomt in de schaduwadministratie. Ook is vastgesteld dat een auto, die in de schaduwadministratie onder het tabblad van [naam 20] is genoemd, is gefactureerd aan [naam bedrijf 8] . Dit en de handgeschreven naam [naam 20] op voornoemde factuur geven naar oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 20] sprake is van een katvangersconstructie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam 20] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 20] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.8. I. [naam bedrijf Kft 4] / [naam 21]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 353152 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .81 Op deze factuur is vermeld: “ [naam bedrijf Kft 4] [adres 8] ” en “Datum: 12-06-2019”. Op de factuur is naast voornoemde bedrijfsnaam en bedrijfsadres met de hand geschreven: “ [naam 21] ”.82

Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 21] terugkomt in de schaduwadministratie. Ook is vastgesteld dat een auto, die in de schaduwadministratie onder het tabblad van [naam 21] is genoemd, is gefactureerd aan [naam bedrijf Kft 4] . Dit en de handgeschreven naam [naam 21] op voornoemde factuur geven naar oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat ook met betrekking tot [naam 21] sprake is van een katvangersconstructie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [naam 21] de feitelijke koper is van deze auto. [naam 21] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.9. J. [naam bedrijf 9] / [naam 4]

Uit het dossier blijkt dat een factuur met nummer 347072 is aangetroffen in de administratie van [naam autobedrijf BV] .83 Op deze factuur is vermeld: “ [naam bedrijf 9] T.a.v. [persoon 7] [adres 10] ”, “Datum : 22-06-2018” “Merk: Ford”, “Type: Focus Wagon” en “Kenteken: [kenteken 7] ”.84

Hiervoor is in rubriek 4.3.3.3.1 vastgesteld dat de naam [naam 4] terugkomt in de schaduwadministratie. In rubriek 4.3.4.3.2 heeft de rechtbank vastgesteld dat [naam 4] de feitelijke koper is van auto’s, waarbij hij gebruikmaakte van een katvangersbedrijf. In de telefoon van [verdachte] is een chatgesprek aangetroffen tussen [verdachte] en een persoon wiens telefoonnummer is opgeslagen onder de naam [naam 7] . Op 25 juli 2018 schrijft [verdachte] aan [naam 7] : “Morgen vandaag komt [naam 4] ”, waarop [naam 7] schrijft: “Morgen ok had ie nog voorkeur voor welke 8?”. Hierop stuurt [verdachte] een handgeschreven briefje. Hierop staat onder andere beschreven: “FORD FOCUS [kenteken 7] ”. Even later stuurt [verdachte] : “ [naam 4] heeft 27000 mee van [naam 4] ”.85 Het bovenstaande biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de vaststelling dat [naam 4] ook de feitelijke koper is van deze auto. [naam 4] had daarom als afnemer op de factuur moeten worden vermeld en zijn adres had als afleveradres op de factuur moeten worden opgenomen. Aangezien in plaats daarvan de naam en het adres van een katvangersbedrijf op de factuur zijn vermeld, oordeelt de rechtbank dat deze factuur vals is.

4.3.4.3.10. L. Bedrijfsadministratie

Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn de voornoemde facturen aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [naam autobedrijf BV] . Uit jurisprudentie volgt dat de bedrijfsadministratie in haar geheel als geschrift kan worden aangemerkt.86 Door valse geschriften op te nemen in de bedrijfsadministratie, heeft [naam autobedrijf BV] de bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt.

4.3.4.3.11. Opzet en conclusie feit 2

In rubriek 4.3.3.3.3 is vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] zelf btw-fraude heeft gepleegd en wetenschap had van katvangersconstructies. Omdat [naam autobedrijf BV] ondanks deze wetenschap facturen heeft opgemaakt op naam van de katvangersbedrijven en heeft opgenomen in haar bedrijfsadministratie, oordeelt de rechtbank dat ook opzet op de valsheid kan worden vastgesteld. Ook in dit kader merkt de rechtbank op dat de wetenschap van [verdachte] redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] kan worden toegerekend, omdat hij telkens opzettelijk heeft gehandeld namens en ten behoeve van [naam autobedrijf BV] .

Deze gedragingen kunnen ook redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] worden toegerekend, omdat ze hebben plaatsgevonden dan wel zijn verricht in de sfeer van haar als rechtspersoon. Het opstellen van deze documenten is immers gedaan door personen die uit hoofde van een dienstbetrekking werkzaam zijn ten behoeve van de rechtspersoon, deze gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering van [naam autobedrijf BV] en waren haar dienstig in het door haar uitgeoefende bedrijf, en [naam autobedrijf BV] vermocht erover te beschikken of deze gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat [naam autobedrijf BV] de voornoemde facturen en de bedrijfsadministratie, naar hun aard bestemd om als bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk vals heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.

4.3.5.

Feit 3 – valsheid in geschrift (CMR’s)

De rechtbank acht valsheid in geschrift bewezen met betrekking tot de in de tenlastelegging onder 3 genoemde CMR’s. In rubriek 4.3.3.3.1 heeft de rechtbank vastgesteld dat in bepaalde gevallen CMR’s bij [naam autobedrijf BV] werden afgestempeld, terwijl dit eigenlijk op de afleverlocatie diende te gebeuren. Onder andere [verdachte] heeft dit verklaard. Er zijn tevens stempels aangetroffen van een aantal bedrijven, hetgeen reeds is vastgesteld in voornoemde rubriek. De rechtbank stelt vast dat de aangetroffen stempels afkomstig zijn van bedrijven die zijn vermeld op de CMR’s die in de tenlastelegging zijn genoemd.

Uit het dossier blijkt verder dat de in de tenlastelegging genoemde CMR’s forensisch zijn onderzocht.87 Op basis van dit onderzoek concludeert de verbalisant dat de onderzochte stempelafdrukken in de vakken 24 van de onderzochte CMS (de rechtbank begrijpt: CMR’s), afkomstig zijn van de negen aangeboden bedrijfsstempels.88 De verbalisant komt tot deze conclusie, onder andere na visuele vergelijking van de inkt(overdracht) van deze zelfinktende bedrijfsstempels. Door middel van microscopie werden specifieke gedetailleerde overeenkomsten met de stempelafbeeldingen in de vakken 24 van de CMR’s aangetroffen.89

Zoals in rubriek 4.3.3.3.1 al is genoemd, heeft de verdediging verweer gevoerd met betrekking tot de bewijsbestemming van CMR’s. Dat een CMR naar haar aard bestemd is om als bewijs van enig feit te dienen, is volgens de verdediging niet voldoende om vast te stellen dat een CMR in dit geval een bewijsbestemming heeft. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat de bewijswaarde van een CMR is, dat duidelijk is wie door wie aansprakelijk gesteld kan worden, als er iets mis gaat met het vervoer. Omdat niet in geschil is dat [naam autobedrijf BV] , haar afnemer en de vervoerder het erover eens zijn dat de vervoersovereenkomst is nagekomen, is de vraag wie zou kunnen worden misleid door eventuele onjuistheden. Dit is van belang omdat artikel 225 Sr vereist dat nadeel mogelijk is als gevolg van het beoogde gebruik van een geschrift als ware het echt en onvervalst. Richting de Belastingdienst was de enige functie van de CMR het bewijs dat de auto’s Nederland hadden verlaten. Dat dit is gebeurd, staat niet ter discussie. [verdachte] kende tot slot zelf weinig waarde toe aan de CMR’s. Het oogmerk van misleiding en het opzet van het vals opmaken van CMR’s kan dan ook niet worden vastgesteld, aldus steeds de verdediging.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 9, lid 2 aanhef en onder b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968), blijkt dat de belasting nihil is voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel II, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden. Uit artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 blijkt dat dit nultarief slechts geldt als de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.

Een CMR behoort tot de vervoersadministratie en dient als bewijs waarmee kan worden aangetoond dat is voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief. Als vak 24 is ingevuld door de ontvanger van het betreffende goed in een ander EU-land, geldt dit als bewijs dat aan één van de materiële voorwaarden is voldaan, namelijk dat het goed naar een ander EU-land is vervoerd. Door vak 24 door de ontvanger te laten afstempelen bij [naam autobedrijf BV] , is dan ook wel degelijk valsheid in geschrift gepleegd. Bovendien worden CMR’s over het algemeen ook gebruikt voor de beantwoording van SCAC-verzoeken.

De rechtbank overweegt dat [verdachte] heeft verklaard, dat hij niet zelf de CMR’s stempelde, maar dat hij dit de eigenaar van het desbetreffende bedrijf liet doen. Zoals in rubriek 4.3.3.3.1 is weergegeven, vroeg [verdachte] wel aan deze personen om dit op locatie bij [naam autobedrijf BV] te doen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het vals opmaken van de CMR’s en dat [naam autobedrijf BV] zowel opzet op deze samenwerking, als op het vals opmaken van deze CMR’s heeft gehad. Hierbij merkt de rechtbank wederom op dat de wetenschap van [verdachte] redelijkerwijs aan [naam autobedrijf BV] kan worden toegerekend en dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden dan wel zijn verricht in de sfeer van [naam autobedrijf BV] als rechtspersoon.

Tot slot overweegt de rechtbank dat door het bij [naam autobedrijf BV] afstempelen van CMR’s, de valsheid van deze geschriften al genoegzaam blijkt. Gezien de voornoemde specifieke bewijsbestemming van de CMR’s, namelijk het bewijs dat een goed de grens is gepasseerd, acht de rechtbank met betrekking tot feit 3 alleen deze feitelijkheid bewezen.

4.3.6.

Feitelijke leidinggever

[verdachte] is middellijk enig aandeelhouder en bestuurder van [naam autobedrijf BV] .90 Hij heeft daarnaast verklaard dat alles binnen [naam autobedrijf BV] in overleg met hem ging.91 De verdediging heeft ook niet betwist dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan [naam autobedrijf BV] . Uit hetgeen hiervoor in de rubrieken 4.3.3 tot en met 4.3.5 is vastgesteld volgt bovendien dat [verdachte] wist van de strafbare feiten die onder 1 tot en met 3 ten laste zijn gelegd. Sterker nog, de aan [naam autobedrijf BV] toegerekende gedragingen bestaan hoofdzakelijk uit gedragingen die door [verdachte] zijn verricht. De rechtbank oordeelt dan ook dat [verdachte] als feitelijke leidinggever aansprakelijk is voor de hiervoor bedoelde door [naam autobedrijf BV] gepleegde strafbare feiten.

4.3.7.

Feit 4 – valse aangifte

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde bewezen en overweegt hiertoe als volgt.

In het dossier bevindt zich een afschrift van de aangifte van beschadiging en diefstal van onderdelen van een auto. De aangever is [verdachte] en hij doet aangifte namens [naam autobedrijf BV] . Deze feiten zouden volgens de aangifte hebben plaatsgevonden tussen 19 en 20 juli 2017 op het adres [adres 19] .92 De aangifte is opgemaakt op 21 juli 2017.93

In de telefoon van [verdachte] is een chatgesprek aangetroffen van 20 juli 2017 met een persoon wiens telefoonnummer is opgeslagen als [naam 22] . Hierin zegt [verdachte] : “Ook glas meenemen en naast de Bus van mij zetten en glas op de grond gooien dan politie bellen Voor verzekering”. Hierop schrijft [naam 22] : “Wat jij wil, maar daar zijn denk ik meer sporen”. Daarop schrijft [verdachte] : “Maakt niet uit op dat terrein krijg ik toch niks van verzekering Moet bij mij”.94

Ter terechtzitting heeft de rechtbank aan [verdachte] gevraagd of het klopt, dat [verdachte] in de aangifte heeft verklaard dat het feit op het bedrijfsterrein van [naam autobedrijf BV] heeft plaatsgevonden, terwijl hij wist dat het ergens anders was gebeurd. [verdachte] heeft die vraag bevestigend beantwoord.95

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat [verdachte] aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat het niet gepleegd was op de plek zoals vermeld in de aangifte.

De verdediging heeft als bewijsverweer gevoerd, dat niet kan worden bewezen dat de aangifte ten overstaande van een medewerker van de politie heeft plaatsgevonden, zoals in de tenlastelegging is opgenomen. Dit omdat de aangifte via internet is gedaan en [verdachte] de aangifte dus niet tegenover een medewerker van de politie heeft gedaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij overweegt allereerst dat ‘ten overstaan van een medewerker van de politie’ geen bestanddeel is van artikel 188 Sr. Dit onderdeel niet bewijzen, zou dan ook niet zonder meer tot een vrijspraak hoeven te leiden. De rechtbank overweegt daarnaast dat in de literatuur een ruime definitie van het bestanddeel ‘aangifte’ wordt verdedigd, namelijk een mededeling die is gericht aan een opsporingsinstantie die deze opsporingsinstantie tot actie zou moeten doen bewegen.96 De rechtbank is van oordeel dat een aangifte via internet onder deze definitie valt, aangezien deze gericht is aan (een medewerker van) de politie en tot actie zou moeten doen bewegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het standpunt van de verdediging, dat onder ‘ten overstaan van een medewerker van de politie’ alleen kan worden verstaan dat [verdachte] deze aangifte fysiek tegenover een medewerker van de politie heeft gedaan, een te enge uitleg van dit begrip is.

4.3.8.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het (laten) verhoren van getuigen. De verdediging heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat [naam autobedrijf BV] zich sinds 2015 hield aan een door haar opgestelde standaard voor cliëntenonderzoek. Als de rechtbank van oordeel zou zijn, dat hierover onvoldoende duidelijkheid bestaat, doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek om de eigenaren van de bedrijven waarmee [naam autobedrijf BV] heeft gehandeld te (laten) verhoren. Uit die verhoren zou duidelijk moeten worden of zij inderdaad bij [naam autobedrijf BV] zijn geweest om kennis te maken en een tussenpersoon te introduceren, en of zij bij aankopen bij [naam autobedrijf BV] aanwezig zijn geweest. Als de rechtbank een “overkoepelende bewijsconstructie” overweegt, waarmee de verdediging lijkt te bedoelen dat de rechtbank zou vaststellen dat [naam autobedrijf BV] in het algemeen op de hoogte was van katvangersconstructies, zijn voornoemde verhoren volgens de verdediging noodzakelijk.

De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe als volgt. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de Keskin-jurisprudentie niet van toepassing is op de bedoelde getuigen, omdat deze eigenaren van buitenlandse autobedrijven geen belastende verklaringen tegen [verdachte] of [naam autobedrijf BV] hebben afgelegd. Aangezien dit verzoek pas ter terechtzitting is gedaan, geldt het noodzaakscriterium en moet deze noodzaak ook worden gemotiveerd. De verdediging zou de getuigen willen vragen om te bevestigen dat zij bij [naam autobedrijf BV] zijn langsgekomen om contactpersonen te introduceren en zelf ook auto’s af te nemen. Deze feitelijke stellingen worden echter door het Openbaar Ministerie niet weersproken en de rechtbank ziet ook geen reden om deze stellingen niet aannemelijk te achten. De rechtbank acht het dan ook niet noodzakelijk om deze getuigen te verhoren.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van [verdachte] bewezen dat

1.

Autobedrijf [naam autobedrijf BV] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 juli 2019 in Nederland,

telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] over de maanden:

– in het jaar 2017:

– januari (4-DOC-069, p. 8-10) en

– februari (4-DOC-069, p. 11-13) en

– maart (4-DOC-069, p. 14-16) en

– april (4-DOC-069, p. 17-19) en

– mei (4-DOC-069, p. 20-22) en

– juni (4-DOC-069, p. 23-25) en

– juli (4-DOC-069, p. 26-28) en

– augustus (4-DOC-069, p. 29-31) en

– september (4-DOC-069, p. 32-34) en

– oktober (4-DOC-069, p. 35-37) en

– november (4-DOC-069, p. 38-40) en

– december (4-DOC-069, p. 41-43) en

– in het jaar 2018:

– januari (4-DOC-069, p. 44-46) en

– februari (4-DOC-069, p. 47-49) en

– maart (4-DOC-069, p. 50-52) en

– april (4-DOC-069, p. 53-55) en

– mei (4-DOC-069, p. 56-58) en

– juni (4-DOC-069, p. 59-61) en

– juli (4-DOC-069, p. 62-64) en

– augustus (4-DOC-069, p. 65-67) en

– september (4-DOC-069, p. 68-70) en

– oktober (4-DOC-069, p. 71-73) en

– november (4-DOC-069, p. 74-76) en

– december (4-DOC-069, p. 77-79) en

– in het jaar 2019:

– januari (4-DOC-069, p. 80-82) en

– februari (4-DOC-069, p. 83-85) en

– maart (4-DOC-069, p. 86-88) en

– april (4-DOC-069, p. 89-91) en

– mei (4-DOC-069, p. 92-94) en

– juni (4-DOC-069, p. 95-97),

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan immers heeft Autobedrijf [naam autobedrijf BV] telkens op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven waardoor het totaal te betalen/terug te vragen bedrag telkens onjuist was,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.

2.

Autobedrijf [naam autobedrijf BV] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 juli 2019 te Vaassen, geschriften, te weten:

A. een factuur met factuurnummer 351046 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf Kft 2] d.d. 20 februari 2019 (4-DOC-280, p. 2) en

B. een factuur met factuurnummer 351279 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf 4] , d.d. 8 maart 2019 (4-DOC-280, p. 5) en

C. een factuur met factuurnummer 345203 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [klant 2] , d.d. 16 februari 2018 (4-DOC-280, p. 6) en

D. een factuur met factuurnummer 353150 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf 10] , d.d. 12 juni 2019 (4-DOC-071, p. 6) en

E. een factuur met factuurnummer 353084 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [persoon 2] , d.d. 12 juni 2019 (4-DOC-071, p. 5) en

F. een factuur met factuurnummer 352527 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf Kft 1] , d.d. 13 mei 2019 (4-DOC-071, p. 2) en

G. een factuur met factuurnummer 352557 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf 8] , d.d. 13 mei 2019 (4-DOC-071, p. 3) en

I. een factuur met factuurnummer 353152 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf Kft 4] , d.d. 12 juni 2019 (4-DOC-071, p. 7) en

J. een factuur met factuurnummer 347072 van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , gericht aan [naam bedrijf 9] , d.d. 22 juni 2018 (4-DOC-280, p. 17) en

L. de bedrijfsadministratie,

die telkens bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door:

A. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf Kft 2] te [adres 11] (t.a.v. [persoon 8] ), terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 2] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

B. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf 4] te [adres 12] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 4] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

C. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [klant 2] te [adres 13] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 12] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

D. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf 10] te [adres 14] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan een ander en zijn/haar naam tezamen met zijn/haar adres op de factuur vermeld had moeten worden en

E. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [persoon 2] te [adres 15] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 18] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

F. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf Kft 1] te [adres 16] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 19] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

G. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf 8] te [adres 17] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 20] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

I. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf Kft 4] te [adres 16] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 21] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

J. op de factuur -in strijd met de waarheid- te vermelden als afnemer [naam bedrijf 9] te [adres 18] , terwijl in werkelijkheid de op de factuur vermelde auto is verkocht en geleverd aan [naam 4] en zijn naam tezamen met zijn adres op de factuur vermeld had moeten worden en

L. voornoemde valse facturen in de bedrijfsadministratie op te nemen,

met het oogmerk om deze facturen en de bedrijfsadministratie als echt en

onvervalst te gebruiken,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.

Autobedrijf [naam autobedrijf BV] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 juli 2019 te Vaassen, tezamen en in vereniging met anderen geschriften, te weten:

– 13 CMR’s met [naam bedrijf Kft 2] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-082, p. 1, 4, 7, 10, 13, 19, 22, 25, 28, 31, 34, 37 en/of 4-DOC-191, p.l) en

– een CMR met [persoon 3] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-185, p. 1) en

– een CMR met [naam bedrijf Kft 3] . vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-186, p. 1) en

– een CMR met [naam bedrijf 2] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-187, p. 1) en

– een CMR met [naam bedrijf 3] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-188, p. 1) en

– een CMR met [naam bedrijf SRLS] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-189, p. 1) en

– een CMR met [persoon 4] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-190, p. 1) en

– een CMR met [persoon 2] vermeld als geadresseerde en/of ontvanger (4-DOC-082, p. 16)

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door telkens -in strijd met de waarheid- op voornoemde CMR’s te vermelden dat de betreffende auto’s:

– in ontvangst zijn genomen door het vermelde bedrijf in vak 24 met gebruikmaking van de bedrijfsstempel van het betreffende bedrijf,

terwijl in werkelijkheid de auto’s vermeld op voornoemde CMR’s nooit op de op voornoemde CMR’s vermelde bedrijfslocaties in ontvangst zijn genomen en voor ontvangst zijn gestempeld,

met het oogmerk om voornoemde CMR’s als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

4.

op of omstreeks 20 juli 2017 in Nederland, aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit, wetende dat het niet gepleegd was op de plek zoals vermeld in de aangifte, immers heeft de verdachte toen aldaar ten overstaan van een medewerker van de politie opzettelijk in strijd met de waarheid verklaard dat een diefstal heeft plaatsgevonden op het bedrijfsterrein van Autobedrijf [naam autobedrijf BV] , te weten het terrein gelegen aan de [adres 19] , terwijl hij wist dat het feit ergens anders heeft plaatsgevonden.

6 Strafbaarheid van de feiten

6.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De feiten zijn strafbaar.

6.2.

Standpunt van de verdediging

Feit 4 kan niet worden bewezen, omdat artikel 188 Sr alleen van toepassing is in de situatie dat aangifte wordt gedaan van een strafbaar feit terwijl in het geheel geen strafbaar feit is gepleegd. In dit geval is wel degelijk een strafbaar feit gepleegd, maar heeft [verdachte] enkel een verkeerde pleegplaats opgegeven.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel de verdediging dit verweer heeft gevoerd met als conclusie, dat het feit niet kan worden bewezen, begrijpt de rechtbank dit verweer als gericht op de strafbaarheid van het feit en dus als kwalificatieverweer. Uit de tekst van de tenlastelegging en de bewezenverklaring blijkt niet dat het feit in het geheel niet zou zijn gepleegd. Als de rechtbank het verweer van de verdediging zou honoreren, zou dit dan ook leiden tot de conclusie dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is. Dit zou dan ook niet tot vrijspraak, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging leiden. De rechtbank overweegt dat de verdediging ter onderbouwing van haar verweer een arrest van de Hoge Raad heeft geciteerd:

Art. 188 Sr heeft betrekking op het geval dat aangifte of klacht is gedaan van een strafbaar feit met de wetenschap dat dit feit in het geheel niet is gepleegd (vgl. HR 3 maart 1902, W 7735) met dien verstande dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat in de aangifte opzettelijk in strijd met de waarheid, feiten worden meegedeeld in zodanige bewoordingen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd (vgl. HR 13 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2981).97

In deze overweging van de Hoge Raad is echter ook opgenomen dat degene aan wie de aangifte wordt gedaan, daaruit moet begrijpen dat op zekere tijd en plaats een bepaald strafbaar feit is gepleegd. De rechtbank begrijpt de jurisprudentie dan ook zo dat het opgeven van een onjuiste pleegplaats als zodanig wel onder artikel 188 Sr kan vallen. Dit is zeker hier het geval, aangezien deze valse aangifte gebruikt zou worden om de verzekering te misleiden, waarbij de onjuiste pleegplaatsaanduiding van wezenlijk belang was.

De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor de door hem onder 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 7 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om er bij een eventuele strafoplegging rekening mee te houden dat het fiscale nadeel veel minder is dan het bedrag waar de officier van justitie van uitgaat. Hierbij weegt onder andere mee dat [naam autobedrijf BV] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met de Belastingdienst tot een naheffing ten bedrage van € 1.600.000,00 (inclusief belastingrente en met betrekking tot een langere periode). Deze naheffing heeft ook een punitief karakter en daar zou in de strafmaat rekening mee gehouden moeten worden. Ook heeft [naam autobedrijf BV] in de periode van 2017 tot einde 2019 maar € 1.464.823,00 winst gemaakt met de export van auto’s, inclusief niet-verdachte verkoop van auto’s. Daarnaast verzoekt de verdediging de rechtbank om rekening te houden met de negatieve media-aandacht die de zaak heeft voortgebracht, de overschrijding van de redelijke termijn en met de omstandigheid dat [verdachte] onmisbaar is voor zijn bedrijf en gezin.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

[verdachte] heeft feitelijke leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift. Deze strafbare feiten vloeien voort uit btw-fraude. Feitelijke kopers kochten bij [naam autobedrijf BV] tweedehands auto’s op naam van katvangersbedrijven, zodat zij als feitelijke koper buiten beeld zouden blijven. [naam autobedrijf BV] werkte mee aan deze katvangersconstructies. Door bewijs van autoverkopen te manipuleren, was het mogelijk dat werd belet dat de belasting juist werd geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijke btw-stelsel in het gedrang is gekomen. Het vertrouwen dat de Belastingdienst moet kunnen hebben in aangiften en de onderliggende administratie is door deze gedragingen geschaad. Bovendien hebben deze feiten ertoe geleid dat te weinig btw werd afgedragen, waardoor niet alleen de Belastingdienst, maar feitelijk de hele samenleving is geschaad. Tot slot leverde deze manier van werken een nadeel op voor de concurrenten van [naam autobedrijf BV] die op reguliere wijze handelen. Daarnaast heeft [verdachte] valse aangifte gedaan van een strafbaar feit. Uit het dossier blijkt dat het doel van deze aangifte was om de verzekering te misleiden. Dit is een kwalijk feit. Echter, gezien de ernst van de feiten 1 tot en met 3, zal bij het bepalen van de straf het zwaartepunt bij die feiten liggen.

Blijkens het dossier is in de tenlastegelegde periode voor € 46.578.500,00 aan ICL’s gelist op bedrijven die door de FIOD als katvanger zijn aangemerkt. Doordat door [naam autobedrijf BV] geen btw is afgedragen over dit bedrag, terwijl dit wel had gemoeten, is een bedrag aan belastingnadeel van € 8.083.872‬,00 ontstaan. Hieronder vallen ook de bedrijven bij de handel met welke [naam autobedrijf BV] specifiek btw-fraude heeft gepleegd, zoals hiervoor in 4.3.3.3.2 is vastgesteld. De rechtbank heeft niet met betrekking tot alle in het dossier besproken bedrijven specifiek vastgesteld dat [naam autobedrijf BV] btw-fraude heeft gepleegd. Echter, de rechtbank heeft vastgesteld dat het algemene beeld van de bedrijfsvoering van [naam autobedrijf BV] laat zien dat [naam autobedrijf BV] btw-fraude heeft gepleegd en dit is nader onderbouwd bij de handel met drie van de grootste bedrijven. Bovendien is met betrekking tot andere bedrijven ten aanzien van feit 2 en feit 3 vastgesteld dat sprake is van katvangersconstructies en/of valsheid in geschrift. Daarom zal de rechtbank bij de strafmaat uitgaan van bovengenoemd benadelingsbedrag.

Dat het bedrag aan naheffingsaanslagen in de vaststellingsovereenkomst lager is, doet hier niet aan af. Uit de omstandigheid dat de Belastingdienst in de woorden van de verdediging een compromisafspraak met [naam autobedrijf BV] heeft gemaakt, blijkt al dat ook de Belastingdienst in dat verband concessies heeft gedaan. Dat het bedrag uit de vaststellingsovereenkomst het daadwerkelijke benadelingsbedrag betreft, is dan ook niet aannemelijk.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 26 februari 2024. Hieruit blijkt dat [verdachte] eerder een transactie is opgelegd voor het overtreden van de Wwft.

De rechtbank neemt aan dat de strafvervolging, het proces en de media-aandacht, die de feiten hebben opgeleverd, impact op [verdachte] en [naam autobedrijf BV] hebben gehad. Ook is het aannemelijk dat [naam autobedrijf BV] en het gezin van [verdachte] hem nodig hebben. De rechtbank is echter van oordeel dat deze omstandigheden niet zodanig uitzonderlijk of ernstig zijn, dat hier in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden. De verdediging heeft om deze reden ook verzocht om te bepalen dat [verdachte] een gevangenisstraf in het weekend of met dagverlof uit zou mogen zitten. Voor zover het al binnen de macht van de rechtbank zou vallen om dit te bepalen, ziet de rechtbank hier geen aanleiding toe.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf geen rekening houden met de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst. Uit de jurisprudentie volgt namelijk dat een naheffingsaanslag omzetbelasting na btw-fraude geen sanctie is in de zin van artikel 7 EVRM. Een naheffingsaanslag is de facto alleen het gevolg van het weigeren van een recht voortvloeiend uit het gemeenschappelijk btw-stelsel, als consequentie van het ontbreken van de daarvoor geldende voorwaarden.98 Bovendien is de vaststellingsovereenkomst gesloten met [naam autobedrijf BV] . Ook daarom zal de rechtbank hier met betrekking tot [verdachte] geen rekening mee kunnen houden in de strafmaat.

De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat de mate, waarin [naam autobedrijf BV] en [verdachte] door de strafbare feiten voordeel hebben verkregen, niet kan worden vastgesteld. De berekening, die de officier van justitie ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, vindt geen steun in het dossier. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] en [naam autobedrijf BV] de spil in de btw-fraude zijn geweest, maar dat zij juist een meer faciliterende rol hebben vervuld. De rechtbank houdt daarnaast in strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat bij vonnis van heden ook aan [naam autobedrijf BV] een straf is opgelegd.

Strafoplegging

Door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn oriëntatiepunten opgesteld voor rechtbanken. Deze oriëntatiepunten geven weer welke straffen in het algemeen voor bepaalde feiten worden opgelegd. Het oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag hoger dan € 1.000,000,00, geeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden of meer. Aan verdachten in soortgelijke zaken werden ook vaak lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Voorbeelden hiervan zijn de vonnissen die volgden op de onderzoeken 26Milltown en Trailers 2. De rechtbank heeft acht geslagen op de benadelingsbedragen in die zaken en die vergeleken met het benadelingsbedrag in deze zaak. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de uitkomst van strafzaken tegen andere personen die naar voren komen in dit onderzoek dan de Nederlandse autohandelaren. In die zaken kwam de rechtbank niet tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank komt tot het oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk passend is. Dit is een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist, met een groter voorwaardelijk deel. Naar het oordeel van de rechtbank is dat laatste vereist als stok achter de deur om niet wederom soortgelijke strafbare feiten te plegen.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van strafzaken als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat ten aanzien van een verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit strafvervolging zou worden ingesteld. In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment waarop de rechter-commissaris door de officier van justitie werd gevraagd om regie te voeren in de strafzaak tegen [verdachte] , namelijk in juni 2021. Dat [verdachte] vanaf de dag van de inval in zijn woning en bedrijf al wist dat er onderzoek tegen hem liep, maakt dit niet anders. Hieruit kon hij namelijk nog niet redelijkerwijs de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld en, zo ja, voor welke specifieke strafbare feiten. Op het moment dat de officier van justitie aan de rechter-commissaris vroeg om regie te voeren, kon [verdachte] wel in redelijkheid verwachten dat het Openbaar Ministerie hem wilde gaan vervolgen. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat de redelijke termijn langer zou moeten zijn. Weliswaar is veel onderzoek verricht, waaronder onderzoek in het buitenland, maar het meeste van dat onderzoek had al plaatsgevonden voor de aanvang van de redelijke termijn. Nu in maart 2024, twee jaar en negen maanden na aanvang van de redelijke termijn, vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met negen maanden overschreden. Blijkens jurisprudentie is bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes tot twaalf maanden een verlaging van de straf tot 10% gepast. De rechtbank ziet geen reden om daar in deze zaak van af te wijken.

De rechtbank zal aan [verdachte] een gevangenisstraf opleggen van 21 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

9 Beslag

Onder [verdachte] is in beslag genomen:

8. 1 STK Vorderingen 40302.75

(Omschrijving: Rabobank reknr.: [bankrekeningnummer] tnv [verdachte] , Rabobank)

Teruggave aan verdachte

Deze vordering is onder [verdachte] in beslag genomen en behoort hem toe. Aangezien deze vordering niet voor onttrekking aan het verkeer vatbaar is en voor verbeurdverklaring in aanmerking komt, beslist de rechtbank dat deze aan [verdachte] kan worden teruggegeven. Aangezien op deze vordering nog conservatoir beslag rust, zal deze echter niet feitelijk aan [verdachte] worden teruggegeven. De teruggave betreft dan ook enkel een juridische beslissing waarmee een einde komt aan het strafrechtelijk beslag.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 51, 57, 188 en 225 Sr en artikel 69 Awr.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

2.

feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

3.

feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

4.

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

8. 1 STK Vorderingen 40302.75

(Omschrijving: Rabobank reknr.: [bankrekeningnummer] tnv [verdachte] , Rabobank)

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Wiewel, voorzitter,

mrs. A.A. Fase en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2024.

[…]

[…]

[…]

1Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1028.

2Een SCAC-verzoek (SCAC: Standing Committie on Administrative Cooperation) is een vereenvoudigde procedure om versneld fiscale informatie vanuit een andere EU-lidstaat te verkrijgen.

3HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:456 (belastingkamer), r.o. 3.2.2.

4Vgl. HvJ EU 11 november 2021, ECLI:EU:C:2021:910 (Ferimet), punt 52.

5HvJ EU 7 december 2010, ECLI:EU:C:2010:742 (R.), punt 48 en 49.

6HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51 (belastingkamer), r.o. 3.4.1 en 3.4.2.

7Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (onderzoek Trailers) bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.

84-AMB-023, p. 1 van 47.

94-AMB-023, p. 2 van 47.

104-AMB-023, p. 3 van 47.

114-AMB-023, p. 4 en 5 van 47.

124-AMB-023, p. 6 van 47.

134-AMB-023, p. 8 van 47.

144-ABN-023, p. 10 van 47.

154-AMB-023, p. 12 van 47 en 4-DOC-073, p. 7 van 10.

164-DOC-073 t/m 4-DOC-075.

174-DOC-074, p. 1 van 23.

184-DOC-073, p. 10 van 10.

19Verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 12 december 2023.

204-AMB-023, p. 34 van 47.

214-AMB-023, p. 35 van 47.

224-DOC-298, p. 12 van 33.

23Verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 12 december 2023.

244-AMB-023, p. 1, 2 en 29 van 47.

254-AMB-023, p. 30 van 47.

264-AMB-023, p. 32 van 47.

274-AMB-023, p. 31 van 47.

284-DOC-298, p. 27 van 33.

29Verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 12 december 2023.

304-ZD-001, p. 66 van 82.

314-ZD-001, p. 56 van 82.

324-DOC-243, p. 9 van 10.

334-AMB-023, p. 16 van 47, 4-IBN-013, p. 1 en 3 van 6, en 4-DOC-078.

344-DOC-078, p. 2 van 24.

354-AMB-030, p. 55 van 79.

364-AMB-002.

374-AMB-024, p. 70.

384-ZD-001, p. 66 van 82.

394-DOC-232B.

404-DOC-232, p. 6 van 11.

414-TAP-007-21.

424-TAP-007-21.

434-TAP-007-10.

444-AMB-007, p. 1 van 3.

454-AMB-007, p. 2 van 3.

464-ZD-001, p. 73 van 82.

474-DOC-280, p. 2 van 29.

484-ZD-001, p. 66 van 82.

494-DOC-247, p. 2 van 9 en 4-DOC-247B, p. 1 van 2.

504-DOC-260, p. 2 van 13.

514-AMB-030, p. 69 van 79 en 4-DOC-167, p. 2 van 16.

524-AMB-030, p. 69 van 79 en 4-DOC-173, p. 2 van 15.

534-AMB-030, p. 69 van 79 en 4-DOC-279, p. 1 van 4.

544-DOC-078, p. 2 van 24.

554-AMB-030, p. 69 van 79.

564-AMB-023, p. 23 en 24 van 79.

574-DOC-069, p. 8 tot en met 10, 11 tot en met 13, 14 tot en met 16, 17 tot en met 19, 20 tot en met 22, 23 tot en met 25, 26 tot en met 28, 29 tot en met 31, 32 tot en met 34, 35 tot en met 37, 38 tot en met 40, 41 tot en met 43, 44 tot en met 46, 47 tot en met 49, 50 tot en met 52, 53 tot en met 55, 56 tot en met 58, 59 tot en met 61, 62 tot en met 64, 65 tot en met 67, 68 tot en met 70, 71 tot en met 73, 74 tot en met 76, 77 tot en met 79, 80 tot en met 82, 83 tot en met 85, 86 tot en met 88, 89 tot en met 91, 92 tot en met 94 en 95 tot en met 97 van 97.

584-DOC-069, p. 9 van 97.

594-DOC-069, p. 96 van 97.

60Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 15 en Kamerstukken II 1988/89, 21 058, nr. 3, p. 15.

61HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767, r.o. 4.2.2.

62Zie Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Algemeen Deel, Deventer: Wolters Kluwer, art. 8 AWR, aant. 2.4.13.

634-ZD-001, p. 73 van 82.

644-DOC-280, p. 2 van 29.

654-ZD-001, p. 73 van 82.

664-DOC-280, p. 5 van 29.

674-AMB-007, p. 1 van 3.

684-ZD-001, p. 73 van 82.

694-DOC-280, p. 6 van 29.

704-ZD-001, p. 73 van 82.

714-DOC-071, p. 6 van 17.

724-AMB-024, p. 54 van 75 en 4-DOC-115, p. 1 van 2.

734-AMB-024, p. 54 van 75 en 4-DOC-115, p. 1 van 2.

744-AMB-024, p. 55 van 75 en 4-DOC-115, p. 2 van 2.

754-ZD-001, p. 73 van 82.

764-DOC-071, p. 5 van 17.

774-ZD-001, p. 73 van 82.

784-DOC-071, p. 2 van 17.

794-ZD-001, p. 73 van 82.

804-DOC-071, p. 3 van 17.

814-ZD-001, p. 74 van 82.

824-DOC-071, p. 7 van 17.

834-ZD-001, p. 73 van 82.

844-DOC-280, p. 17 van 29.

854-AMB-024, p. 70 van 75 en 4-DOC-122 p. 16 van 32.

86Vgl. HR 2 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:AB8155.

874-ZD-001, p. 76 van 82.

884-DOC-221, p. 3 van 3.

894-DOC-221, p. 1 van 3.

904-DOC-001, p. 1 en 2 van 6, en 4-DOC-002, p. 1 en 2 van 7.

91Verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 12 december 2023.

924-DOC-135, p. 1 van 3.

934-DOC-135, p. 3 van 3.

944-AMB-024, p. 66 van 75 en 4-DOC-121, p. 1 van 51.

95Verklaring [verdachte] ter terechtzitting van 12 december 2023.

96T&C Strafrecht, art. 188 Sr, aant. 8 (actueel t/m 01-08-2023).

97HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3544, r.o. 2.3.

98Vgl. HvJ EU 18 december 2014, C‑131/13, C‑163/13 en C‑164/13, ECLI:EU:C:2014:2455 (Italmoda), punt 61.

Stuur een reactie naar de auteur