Onterechte boete wegens niet voldoen aan suppletieplicht

SAMENVATTING
X (bv; belanghebbende) is een fiscale eenheid voor de btw en doet in die hoedanigheid maandelijks
aangiften voor de heffing van omzetbelasting. Informatie op omzetbelastinggebied in de aangiften
vpb 2015 en 2016 van X heeft geleid tot een boekenonderzoek. Dit onderzoek vormt de basis voor
een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 235.458 (2014: € 127.219 en 2015: € 108.239) en bij
beschikking een vergrijpboete van € 117.729 (artikel 67f AWR). Voorts heeft het geleid tot een boete
van € 117.729 wegens schending van artikel 10a AWR. In deze procedure is laatstgenoemde boete in
geschil.
Volgens Rechtbank Den Haag is de boete terecht opgelegd, omdat X in ieder geval al eind 2016 wist dat
zij over de jaren 2014 en 2015 in totaal € 235.458 te weinig omzetbelasting op aangifte had voldaan. Zij
heeft desalniettemin (aanvankelijk) nagelaten suppletieaangiften in te dienen. X heeft opzettelijk niet
voldaan aan de verplichtingen van artikel 10a, lid 1, AWR en artikel 15, lid 1, Uitv.besl. OB 1968, aldus de
Rechtbank.
Hof Den Haag komt tot een andere afweging dan de Rechtbank. X heeft niet alleen de Inspecteur – bij
de aangiften vpb 2014 en 2015 verstrekte – precieze cijfermatige informatie verschaft die onmiskenbaar
inhoudt dat over de desbetreffende jaren nog omzetbelasting is verschuldigd, maar de Inspecteur heeft
die informatie ook als zodanig opgevat. In dat geval kan redelijkerwijs en zonder meer niet worden
volgehouden dat X niet heeft voldaan aan de bij of krachtens de in geding zijnde bepalingen opgelegde
verplichtingen. Voor het opleggen van een boete als door de Inspecteur voorgestaan is geen plaats.

NOOT
De casus en (rechts)vragen
In deze zaak had de fiscale eenheid aangiften vpb gedaan waaruit bleek dat een ‘deelnemende’ bv
in die jaren een omzetbelastingschuld had. De Inspecteur ging op basis daarvan op onderzoek uit,
hief omzetbelasting (OB) na en legde twee boetes op die tezamen 100% van de naheffingsaanslag
bedroegen. Een boete voor het niet tijdig en op de voorgeschreven wijze suppleren van OB (artikel 10a
AWR) en een boete voor het niet tijdig betalen daarvan (artikel 67f AWR). Hof Den Haag lijkt in deze
zaak niet gecharmeerd van deze beleidsmatig voorgeschreven dubbele beboeting. Zo overweegt het
onder 3 dat het boekenonderzoek ‘niet alleen’ aanleiding gaf voor een (forse) naheffingsaanslag met
vergrijpboete, ‘maar ook voor het opleggen van nog een boete’. Je kunt dat neutraal lezen, maar ik lees
daar onbegrip in. Het Hof matigt de 67f-boete tot € 20.000 en vernietigt de art.10a-boete omdat de
omzetbelastingschuld door het indienen van de aangiften vpb bij de Inspecteur werd gemeld.
Gelet op het hierna geschetste juridische raamwerk dienen zich twee vragen aan:

  1. Wanneer is een OB-schuld tijdig gesuppleerd?
  2. Wanneer is een OB-schuld op de voorgeschreven wijze gesuppleerd

Juridisch kader boete wegens niet (tijdig) suppleren OB
Zodra de belastingplichtige constateert dat hij een aangifte over een tijdvak in de afgelopen vijf
kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan waardoor te veel of te weinig belasting is betaald, is
hij verplicht alsnog bij wijze van suppletie de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen
te verstrekken. De suppletie moet gedaan worden voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs
moet vermoeden dat de Inspecteur met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal
worden. De suppletie moet zo spoedig mogelijk gebeuren op de door de Inspecteur aangegeven wijze.
Voor het opzettelijk of met grove schuld niet nakomen van deze (actieve) informatieverplichting kan een
vergrijpboete van maximaal 100% worden opgelegd. Dit volgt uit artikel 10a AWR jo. artikel 15 Uitv.besl.
OB 1968.
Een vergrijpboete wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting staat los van een verzuimof
vergrijpboete wegens het niet (tijdig) betalen van de verschuldigde omzetbelasting. Op grond van
paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) worden bij samenloop van deze
twee boetemogelijkheden twee afzonderlijke boetes opgelegd. Deze boetes mogen gezamenlijk niet
meer bedragen dan 100% van de na te heffen belasting (paragraaf 28a, lid 1, BBBB).

Tijdigheid
Zoals hiervoor is opgemerkt, zijn uit artikel 15 Uitv.besl. OB 1968 twee criteria voor de tijdigheid van
suppleties af te leiden: ‘zo spoedig mogelijk’ en ‘voordat de belastingplichtige weet of redelijkerwijs
moet vermoeden dat de Inspecteur met de te lage aangifte bekend is of zal worden’. Wat ‘zo spoedig
mogelijk’ concreet betekent, is niet uitgewerkt. Uit de jurisprudentie over het verschoonbaar te laat
aanwenden van een rechtsmiddel volgt dat dit afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en
dat ‘zo spoedig mogelijk’ – in die context – betekent dat de belanghebbende in elk geval een termijn van
ten minste veertien dagen moet worden gegund om het rechtsmiddel alsnog aan te wenden.(1) Daarbij
is het moment waarop de belanghebbende op de hoogte is geraakt bepalend voor de aanvang van de
termijn van twee weken en niet het moment waarop de belanghebbende in het bezit is gekomen van het
besluit.(2)
Ik ben geen voorstander van het toepassen van deze jurisprudentie op een boetebepaling zoals
artikel 10a AWR. Een boetebepaling hoort immers voldoende duidelijk te zijn. Daarnaast is een termijn
van twee weken in de praktijk erg krap. Ook kan het hanteren van die termijn ertoe leiden dat OB niet
wordt gesuppleerd in gevallen waarin de belastingplichtige zich pas later realiseert dat hij OB eerder
had moeten suppleren, bijvoorbeeld omdat hij de jaarstukken niet direct (goed) leest na ontvangst
daarvan. De vraag of een suppletie tijdig is gedaan zou daarom alleen moeten worden beoordeeld aan
de hand van het ‘voordat de Inspecteur het ontdekt’-criterium. Steun voor die opvatting vind ik in de
toelichting op de wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (Stb. 2011, 677). Daarin werd
opgemerkt:
‘Als de belastingplichtige weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Inspecteur met de desbetreffende
onjuistheid of onvolledigheid bekend is of zal worden, (…) hij niet of niet tijdig aan zijn informatieverplichting
[heeft] voldaan.’
Een dergelijke uitleg sluit bovendien goed aan bij de opmerking in de memorie van toelichting:
‘Onder het niet voldoen aan de informatieverplichting is begrepen de situatie waarin de Belastingdienst de
onjuistheden of onvolledigheden ontdekt vóórdat de belastingplichtige daarvan mededeling gedaan heeft.’(3)
Tenslotte is dat ook de grens van een tijdige inkeer (artikel 67n AWR).

Voorgeschreven wijze
Dan is er de kwestie van de ‘voorgeschreven wijze’ waarop suppletie moet plaatsvinden. In voornoemde
toelichting op de wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 is daarover opgemerkt:
‘Daarnaast wordt bepaald dat de inspecteur aangeeft op welke wijze suppletie gedaan moet worden. Dit kan het
digitale formulier suppletie omzetbelasting zijn. Voor bijvoorbeeld kleine(re) bedragen kan echter een andere
wijze meer passend zijn. Het in de winstaangifte opnemen van de aan het eind van een kalender- of boekjaar
verschuldigde belasting wordt in elk geval niet aangemerkt als een suppletie.’
Het andersluidende oordeel van het Hof is dus niet in overeenstemming met deze toelichting.
In de praktijk is al lang en breed bekend dat hiervoor een digitaal suppletieformulier beschikbaar is en
dat de Belastingdienst wil dat op die wijze wordt gesuppleerd. In voornoemde memorie van toelichting
is hierover opgenomen dat ‘het gebruik van het digitale formulier suppletie voor het voldoen aan de
informatieverplichting wordt voorgeschreven’. Niessen schreef hierover4 dat het onduidelijk is ‘of
de Inspecteur per geval op verzoek mededeelt hoe hij wenst te worden geïnformeerd, dan wel dat
voor het hele ambtsgebied een circulaire aan de omzetbelastingplichtigen wordt toegezonden’. Mij
is geen circulaire bekend, waardoor ik wel wat voel voor de benaderingswijze van het Hof dat als de
belastingplichtige zich voldoende kenbaar bij de Inspecteur met een OB-schuld meldt, de bal bij de
Inspecteur ligt om hem te verwijzen naar het bedoelde digitale formulier.
Een andere informatieverplichting die onder artikel 10a AWR valt, is uitgewerkt in artikel 10c Uitv.besl.
SW 1956 en gaat over het herstellen van een te lage aangifte erfbelasting waarin buitenlands vermogen
ontbrak. Daarin staat in lid 2:
‘De mededeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door het toezenden van het daartoe langs elektronische
weg ter beschikking gestelde modelformulier aan de inspecteur.’
Dat lijkt mij een voldoende concrete uitwerking van de wijze waarop een verplichte hersteloperatie moet
worden uitgevoerd.

mr. N. van den Hoek
Jaeger Advocaten-belastingkundigen


BRON ECLI:NL:GHDHA:2020:2803
Uitspraak van 12 november 2020 in het geding tussen:
te Z, belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur, op het hoger beroep van
belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 31 maart 2020, nr. SGR19/5600.


Overwegingen

  1. Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de
    omzetbelasting 1968 en bestaat uit [K B.V.] en [H B.V.] en doet in die hoedanigheid maandelijks
    aangiften voor de heffing van omzetbelasting. De bestuurder van H B.V. is vanaf 23 juni 2015 [A B.V.]
    Belanghebbende heeft op 8 juli 2016 op reguliere wijze aangifte gedaan voor de heffing van
    vennootschapsbelasting voor het jaar 2014, van welke aangifte de jaarrekening van H B.V. over het jaar
    2014 – vergezeld van een samenstellingsverklaring van de accountant – onderdeel is, die vermeldt per 31
    december 2014 de balanspost “te betalen omzetbelasting” gespecificeerd als “omzetbelasting suppletie
    2014: € 127.219″.
    Op 20 december 2016 heeft belanghebbende, wederom op reguliere wijze, aangifte gedaan voor
    de heffing van vennootschapsbelasting voor het jaar 2015, waarin is opgenomen een bedrag aan
    verschuldigde omzetbelasting van € 216.921, gespecificeerd als “Verschuldigd over dit boekjaar €
    104.856″ en “Verschuldigd over vorig boekjaar € 112.065”. De bijgevoegde jaarrekening, in een ietwat
    andere layout dan die over 2014, van H B.V. over het jaar 2015 vermeldt dat de te betalen omzetbelasting
    per 31 december 2015 € 216.921 bedraagt.
  1. De Inspecteur is vervolgens een boekenonderzoek gestart met nagenoeg geheel deze aldus verkregen
    informatie op omzetbelastinggebied tot voorwerp en resulterend in een controlerapport van 20 augustus
    2018, dat niet alleen de basis vormt voor het opleggen van een naheffingsaanslag in de omzetbelasting
    van € 235.458 (2014: € 127.219 en 2015: € 108.239) en bij beschikking een vergrijpboete van € 117.729
    en het berekenen bij beschikking van € 31.276 aan belastingrente (zaak BK-20/00495, zie punt 6), maar
    ook voor het opleggen van nog een boete. Zo heeft de Inspecteur overeenkomstig de aankondiging
    in het rapport, verwezen wordt naar het gestelde in punt 5.1 “Boete”, belanghebbende in verband met
    (zoals de Inspecteur het stelt) schending van het bij of krachtens artikel 10a van de Algemene wet
    inzake rijksbelastingen bepaalde, bij beschikking een boete opgelegd van € 117.729 (deze zaak). Bij
    uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de boetebeschikking gehandhaafd.
  2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank.
    Griffierecht is niet geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard
  3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een
    griffierecht van € 532 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
  4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof
    van 5 november 2020. Partijen zijn verschenen. Tegelijk met de behandeling van deze zaak heeft het Hof
    het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 31 maart 2020 in de zaak
    SGR 19/5599 (BK-20/00495) behandeld. Wat in de ene zaak is aangevoerd en ingebracht geldt, met
    instemming van partijen, ook voor de andere zaak.
  5. De Rechtbank heeft overwogen:
    “(…)
    Geschil

11. In geschil is of de boetebeschikking terecht aan [belanghebbende] is opgelegd.

12.[ Belanghebbende] heeft ter zitting gesteld dat er vanaf 29 juni 2012 geen sprake meer is van een fiscale
eenheid in de zin van de Wet OB, omdat vanaf dat moment K B.V. geen bestuurder meer is van H B.V. en dus
geen sprake meer is van organisatorische verwevenheid. Zij verwijst daarvoor naar een door haar ter zitting
overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel met betrekking tot H B.V. Ook is volgens [belanghebbende]
geen sprake van economische verwevenheid gezien het verschil in activiteiten tussen K B.V. en H B.V. Verder had
[de Inspecteur] uit het verbreken van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting ultimo 2014 kunnen
begrijpen dat er ook voor de omzetbelasting geen fiscale eenheid meer was. De boetebeschikking is daarom ten
onrechte op naam van de fiscale eenheid gesteld. [Belanghebbende] heeft verder ter zitting de verzending en de
ontvangst van de boetebeschikking betwist. Zij stelt noch de boetebeschikking noch een duplicaat daarvan te hebben
ontvangen. [Belanghebbende] stelt dat pas in april 2018 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB) en dat met de suppletieaangiften in april 2018 sprake is
van een vrijwillige verbetering. De boetebeschikking is daarom ten onrechte gegeven. [De Inspecteur] heeft volgens
[belanghebbende] ook geen bewijs geleverd van (voorwaardelijk) opzet. [Belanghebbende] voert daartoe aan dat de
gehele administratie, inclusief de jaarrekeningdossiers, in maart 2015 in beslag is genomen door de Inspectie SZW
en dat zij daardoor niet bekend kon worden met de bedragen waarvoor suppletieaangiften moesten worden gedaan.
Zij kon zich ook niet op de jaarrekeningen baseren omdat het de vraag was of ten behoeve van de samenstelling
daarvan wel alle informatie beschikbaar was. Nadat de digitale administratie, die ook nog eens door ransomware
geraakt was, weer deels hersteld was, zijn zo snel mogelijk de suppletieaangiften ingediend. Dat dit pas na
aankondiging van het boekenonderzoek plaatsvond, staat daar los van. [Belanghebbende] had bovendien in een
eerder stadium al aangegeven dat de administratie in beslag was genomen, waardoor de verplichtingen onduidelijk waren.

13. [ Belanghebbende] stelt verder dat de hoogte van de twee opgelegde vergrijpboeten, gelet op de hoogte van
het te corrigeren bedrag, buitenproportioneel is. [Belanghebbende] stelt dat zij niet eerder in verzuim is geweest wat
betreft het doen van aangiften omzetbelasting en het betalen daarvan. Een boete van 10% zou meer proportioneel zijn.
[Belanghebbende] wijst in dit verband op de beleidsregels van het project omzetbelastingschulden. Ook is [de Inspecteur]
niet verplicht twee afzonderlijke boeten op te leggen. [Belanghebbende] verzoekt rekening te houden met haar financiële
positie. Een boete van per saldo 100% zou, gelet op haar financiële draagkracht, onevenredige gevolgen hebben.
[Belanghebbende] stelt daarnaast dat sprake is van dubbele beboeting omdat ook een boete van 50% is opgelegd
op de voet van artikel 67f van de Awr. Die samenloop dient tot matiging van de boete te leiden

14. [ De Inspecteur] stelt dat uit de jaarrekeningen over 2014 en 2015 die in 2016 zijn uitgebracht blijkt dat
te weinig omzetbelasting was voldaan en dat [belanghebbende] dit reeds ten tijde van het indienen van de
aangiften omzetbelasting wist. [Belanghebbende] heeft echter stelselmatig geen actie ondernomen om de
onjuiste aangiften te corrigeren. Het niet tijdig doen van de suppletieaangiften terwijl zij wist dat te weinig
omzetbelasting was voldaan, is daarom aan (voorwaardelijk) opzet van [belanghebbende] te wijten. Subsidiair
stelt [de Inspecteur] dat sprake is van grove schuld.

15. Volgens [de Inspecteur] is geen sprake van een vrijwillige verbetering. [Belanghebbende] had al op het
moment van inbeslagname van de administratie door SZW op 27 maart 2015 redelijkerwijs moeten vermoeden
dat [de Inspecteur] bekend zou worden met de onjuiste aangiften omzetbelasting. In ieder geval kon vanaf het
moment van aankondiging van het boekenonderzoek geen sprake meer zijn van een vrijwillige verbetering.
Gezien de hoge omzetten in het verleden en het ontbreken van een nadere onderbouwing, betwist [de
Inspecteur] dat [belanghebbende] niet over (voldoende) financiële middelen zou beschikken. Het beleid inzake
het project omzetbelastingschulden is sinds 1 maart 2017 niet meer geldig zodat weer de uitgangspunten van
het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) gelden. Er is geen sprake van schending van het ‘ne
bis in idem beginsel’, de gezamenlijke hoogte van de boetes gaat het wettelijke maximum niet te boven en het
vastgestelde bedrag van de vergrijpboetes is passend en geboden.

Beoordeling van het geschil

De tenaamstelling van de boetebeschikking

16. Niet in geschil is dat K B.V. en H B.V. in ieder geval tot 29 juni 2012 een fiscale eenheid vormden. Gezien
het feit dat aan die fiscale eenheid een fiscaal nummer is toegekend en op dat nummer en op naam van
de fiscale eenheid steeds aangiften werden uitgereikt, volgt de rechtbank [belanghebbende] niet in haar ter
zitting ingenomen stelling dat er geen beschikking zou zijn afgegeven voor de fiscale eenheid. Gesteld noch
gebleken is dat [belanghebbende] op enig moment [de Inspecteur] heeft meegedeeld dat niet langer aan de
verwevenheidseisen werd voldaan. Ook voor de tijdvakken gelegen in de hier in geschil zijnde jaren heeft de
fiscale eenheid als zodanig aangiften omzetbelasting gedaan. De boetebeschikking ziet op het door de fiscale
eenheid niet voldoen aan de verplichting van artikel 10a Awr zodat de tenaamstelling van de boetebeschikking
juist is. Overigens heeft [belanghebbende] met wat zij heeft verklaard en overgelegd ook niet aannemelijk
gemaakt dat geen sprake is van economische en organisatorische verwevenheid. Dat de fiscale eenheid voor de
vennootschapsbelasting eind 2014 is verbroken, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de voorwaarden
voor een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting anders zijn dan die voor de omzetbelasting. De
rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting op
verzoek kan worden verbroken terwijl voor de omzetbelasting de aan- of afwezigheid van een fiscale eenheid
niet afhankelijk is van de wil van de betrokken vennootschappen.

Bekendmaking boetebeschikking

17. [ De Inspecteur] heeft ter zitting verklaard dat de boetebeschikking naar het adres op de [adres] te
[woonplaats] is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat dit adres onjuist is. De rechtbank heeft geen aanleiding
te twijfelen aan een tijdige verzending naar het juiste adres. De omstandigheid dat [belanghebbende] de
boetebeschikking niet zou hebben ontvangen, kan allerlei andere oorzaken hebben zoals de postbezorging
of het bij [belanghebbende] in het ongerede raken van post. De rechtbank neemt verder het volgende in
aanmerking. [Belanghebbende] heeft in het bezwaarschrift van 29 oktober 2018 meegedeeld dat de motivering
van het bezwaar zal volgen na ontvangst van de reeds eerder opgevraagde duplicaten. Bij brief van 15 januari
2019 heeft [belanghebbende] uitstel gevraagd voor de indiening van de motivering van het bezwaar, omdat
haar advocaat (de gemachtigde in deze procedure) die motivering nog kritisch moet doornemen. Aangezien
noch in die brief noch in de reactie van 14 mei 2019 op de uitnodiging voor het hoorgesprek noch in het
beroepschrift wordt gesteld dat nog steeds geen duplicaten zijn ontvangen, acht de rechtbank aannemelijk
dat [belanghebbende] inmiddels een duplicaat van de boetebeschikking had ontvangen dan wel inmiddels
beschikte over de originele boetebeschikking.

De vergrijpboete

18. De jaarrekeningen over de jaren 2014 en 2015 zijn in het jaar 2016 opgesteld. De aangiften
vennootschapsbelasting voor deze jaren zijn op basis van deze jaarrekeningen ook in 2016 ingediend.
Deze stukken kunnen dan ook geen deel hebben uitgemaakt van de in 2015 in beslaggenomen bescheiden.
Gesteld noch gebleken is dat [belanghebbende] niet reeds in 2016 kennis heeft genomen van die jaarstukken
en aangiften. [Belanghebbende] wist dus in ieder geval al eind 2016 dat zij over de jaren 2014 en 2015 in
totaal € 235.458 te weinig omzetbelasting op aangifte had voldaan, maar heeft desalniettemin nagelaten
suppletieaangiften in te dienen. Dat zij niet zeker wist of de bedragen die zij volgens de jaarstukken
verschuldigd was juist waren, wat daar overigens van zij, maakt niet dat zij niet verplicht was om op grond
van artikel 10a, eerste lid, Awr en artikel 15, eerste lid, van het UBOB een suppletieaangifte in te dienen. Gezien
het voorgaande is sprake van het opzettelijk niet voldoen aan de verplichtingen van voornoemde artikelen.
Aangezien op het moment dat [belanghebbende] de suppletieaangiften indiende [de Inspecteur] reeds had
aangekondigd dat er een boekenonderzoek zou gaan plaatsvinden, is geen sprake van een vrijwillige verbetering
op grond waarvan de boete achterwege zou moeten blijven of zou moeten worden gematigd. In paragraaf 25,
derde lid, van het BBBB is bepaald dat de boete in het geval van opzet 50 procent bedraagt van de nageheven
belasting. [De Inspecteur] heeft een boete van 50% opgelegd. De rechtbank acht die vergrijpboete, gelet op
alle omstandigheden, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding de boete verder te matigen.
[Belanghebbende] heeft niet weersproken dat het beleid inzake het project omzetbelastingschulden sinds 1
maart 2017 niet meer geldt. De verwijzing naar dat beleid behoeft daarom geen behandeling. [Belanghebbende]
heeft haar standpunt dat de boete gematigd dient te worden wegens financiële omstandigheden niet met enig
bewijsstuk onderbouwd. Gezien het feit dat de rechtbank bij uitspraak van heden de boetebeschikking die is
opgelegd op de voet van artikel 67f van de Awr heeft vernietigd, behoeft ook de stelling van [belanghebbende]
dat de boete moet worden gematigd wegens samenloop geen behandeling.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)”

  1. In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, de boete in geschil. Voor de standpunten van partijen
    verwijst het Hof naar de gedingstukken.
  1. Met betrekking tot de tenaamstelling en de bekendmaking van de boetebeschikking heeft de
    Rechtbank naar ’s Hofs oordeel op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld dat de door
    belanghebbende ingebrachte stellingen alle falen. De door belanghebbende in hoger beroep, grotendeels
    bij wijze van herhaling, ingebrachte stellingen leiden het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof
    gaat dus ook voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur met betrekking tot het
    boetebiljet niet heeft voldaan aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht, reeds omdat zich bij
    de gedingstukken een schermprint bevindt die de gegevens van de boete vermeldt.
  1. Met betrekking tot de boete komt het Hof tot een andere afweging dan de Rechtbank. Naar
    het oordeel van het Hof bieden de door de Inspecteur ter onderbouwing van de opgelegde boete
    ingeroepen bepalingen hier geen basis voor een boete. Bij dat oordeel is meegewogen dat, gelet
    op de bewoordingen van wat in het controlerapport – in het bijzonder onder punt 1.1 – qua opzet
    is weergegeven in een verslag van het bij belanghebbende ingestelde onderzoek, het Hof het
    gerechtvaardigd acht niet anders vast te stellen – de Inspecteur heeft dit op de zitting, daarnaar
    gevraagd, weersproken noch ontkend, maar ter beantwoording enkel aangegeven dat de datum van
    de start van de controle niet mag worden vrijgegeven om redenen van controlestrategie – dan dat de
    aanleiding voor dit zeer specifieke, gerichte onderzoek geen andere is dan de door belanghebbende
    bij de aangiften voor de heffing van vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 aan de
    Inspecteur verstrekte specifieke informatie op het terrein van de omzetbelasting en met name de
    stand van zaken rond het niet op aangiften hebben voldaan van verschuldigde omzetbelasting door
    belanghebbende over de jaren 2014 en 2015, te meer daar belanghebbende op de zitting, daarnaar
    gevraagd, de verschuldigdheid, zulks blijkt ook duidelijk uit de geraadpleegde en voor handen zijnde
    administratie en de op basis daarvan nadien verrichte suppleties, op zich niet betwist. Kortom,
    belanghebbende heeft niet alleen de Inspecteur – bij de aangiften voor de vennootschapsbelasting 2014
    en 2015 verstrekte – precieze cijfermatige informatie verschaft die onmiskenbaar inhoudt dat over de
    desbetreffende jaren nog omzetbelasting is verschuldigd, maar de Inspecteur heeft die informatie ook
    als zodanig opgevat. Onder dergelijke omstandigheden en in dat licht kan redelijkerwijs en zonder meer
    niet worden volgehouden dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bij of krachtens de in geding
    zijnde bepalingen opgelegde verplichtingen. Voor het opleggen van een boete als door de Inspecteur
    voorgestaan is geen plaats.
  1. Het hoger beroep is gegrond.
  1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De kosten
    stelt het Hof vast op € 2.100 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep:
    4 punten à € 525 x 1 (gewicht). Voor een hogere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen
    aanwezig. Niet is gebleken dat in de bezwaarfase is verzocht proceskosten te vergoeden.
  1. De Inspecteur dient het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing
Het Gerechtshof:

• vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
• vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,
• vernietigt de boetebeschikking,
• veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op €
2.100, en
• gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 532 aan belanghebbende te
vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door J.T. Sanders, U.E. Tromp en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de
griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 12 november 2020, met de nodige coronabeperkingen, in
het openbaar uitgesproken.

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur