Ook als bezwaar niet mogelijk is, moet op bezwaar beslist worden

Samenvatting

De inspecteur heeft het verzoek om toekenning van een btw-identificatienummer afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 9 juni 2020 heeft belanghebbende een formulier dwangsom aan de inspecteur verstuurd wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft op 3 juli 2020 beroep wegens niet-tijdig beslissen ingesteld. Op de zitting van 15 juli 2021 heeft de inspecteur nog niet beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond. Ter zitting hebben partijen de rechtbank verzocht zelf de beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank zal dit doen.


De rechtbank beslist dat de afwijzing op het verzoek om een btw-identificatienummer weliswaar een ingevolge een belastingwet genomen besluit is, maar geen voor bezwaar vatbare beschikking. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk. Het geschil kan enkel aan de civiele rechter worden voorgelegd. De inspecteur heeft ook na de ingebrekestelling niet beslist op het bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit
wel had moeten doen. Dat bezwaar niet mogelijk is, doet er niet aan af dat dit moet worden beslist in een uitspraak op bezwaar. In beginsel bestaat daarom recht op een dwangsom, maar omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, bestaat er toch geen recht op een dwangsom. Het verzoek is daarom, zij het op verkeerde gronden, terecht afgewezen.

Noot

In deze procedure draait het materiële geschil om de weigering een btw-identificatienummer aan belanghebbende toe te kennen. Naar analogie van HR 13 april 2018, nr. 16/02939, NTFR 2018/1048 oordeelt de rechtbank dat het besluit om geen btw-identificatienummer toe te kennen, geen voor bezwaar vatbare beschikking is en dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Om op te komen tegen de weigering moet belanghebbende zich tot de civiele rechter wenden. Hoewel de uitspraak op dit punt in lijn is met staande jurisprudentie van de Hoge Raad, zou het naar mijn mening vanuit rechtsbeschermingsperspectief wenselijk zijn dat de wetgever het besluit om een btw-identificatienummer (niet) toe te kennen of in te trekken aanmerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking, zodat beroep bij de ter zake kundige belastingrechter openstaat.


Formeel komt belanghebbende in beroep op tegen het niet-tijdig beslissen op het ingediende bezwaarschrift tegen het niet toekennen van een btw-identificatienummer alsmede het niet toekennen van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen. Partijen verzoeken de rechtbank zelf een beslissing op het ingediende bezwaarschrift te nemen.


Ten aanzien van het niet-tijdig beslissen verklaart de rechtbank het beroep terecht gegrond. Vervolgens komt de rechtbank inhoudelijk tot het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk diende te worden verklaard (zie hierboven). Omdat het in dit geval een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar betrof, kan geen aanspraak gemaakt worden op een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen (art. 4:17, lid 6, onderdeel c, Awb).


Omdat het beroep ten aanzien van het niet-tijdig beslissen gegrond was, veroordeelt de rechtbank de inspecteur in de kosten van het beroep. Voor de – op grond van de geconstateerde betalingsonmacht voor het griffierecht kennelijk onvermogende – belanghebbende en diens gemachtigde is dit natuurlijk mooi meegenomen. Echter, ik had liever gezien dat de inspecteur gewoon tijdig een niet-ontvankelijkverklaring had verzonden.

Gegevens:

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur