Op in beroep prijsgegeven stelling kan in stelling hoger beroep niet worden teruggekomen

Samenvatting


Belanghebbende maakt bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2007 van nihil, omdat het daarin vastgestelde inkomen van box 3 zijn huurtoeslag heeft verminderd tot op nihil. Belanghebbende krijgt gelijk wat de hoogte van zijn inkomen van box 3 betreft, maar het verzamelinkomen en de elementen van de aanslag worden niet bij beschikking herzien. Nadat belanghebbende beroep instelt, wordt het verzamelinkomen wel aangepast. Rechtbank Leeuwarden verklaart het beroep niet-ontvankelijk, kent aan belanghebbende een procesvergoeding toe en gelast de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Hiertegen komt de inspecteur in hoger beroep.
Hof Leeuwarden verwijst naar HR 3 december 2010, nr. 09/04397 (NTFR 2010/2833). Nu de inspecteur geheel aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen, zijn een vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding op hun plaats. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende geen belang zou hebben bij zijn beroep heeft de inspecteur ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgegeven, zodat hij volgens het hof daarop in hoger beroep niet meer terug kan komen.
(Hoger beroep ongegrond.)


Commentaar

  1. Op grond van art. 6:21 Awb kan tijdens het horen of tijdens het onderzoek ter zitting mondeling de (gedeeltelijke) intrekking van het beroep plaatsvinden. De Hoge Raad heeft op 14 augustus 2009, nr. 08/00066, NTFR 2009/1793 vuistregels gegeven hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin een belanghebbende op zo’n intrekking wenst terug te komen.
  2. In navolging van het arrest van 17 maart 2006, nr. 40.770, NTFR 2006/416 overwoog de Hoge Raad op 14 augustus 2009: ‘In verband met de mogelijkheid van misverstand of onberadenheid, en in verband met de regel dat een ingetrokken grief in beginsel niet wederom in hogere instantie mag worden opgevoerd, kan een grief slechts dan als ter zitting ingetrokken worden aangemerkt indien de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaart die grief in te trekken.’
  3. Hoewel het arrest specifiek ziet op de situatie van een belanghebbende, geldt ook voor de inspecteur dat hij niet op een dergelijke intrekking kan terugkomen.
  4. In dit geval was de inspecteur ter zitting bij de rechtbank teruggekomen op zijn stelling dat de belanghebbende geen belang (meer) zou hebben bij zijn beroep. Op deze stelling wenst de inspecteur in hoger beroep weer terug te komen. Reden hiervoor is dat doordat de belanghebbende een belang had bij zijn beroep aan hem de griffierechten en de proceskosten voor de rechtbankfase (€ 644) moesten worden vergoed. Het hof oordeelt echter dat de inspecteur op zijn stelling niet meer kan terugkomen, omdat hij dit ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven.
  5. In zijn conclusie van 7 juni 2011, nr. 10/04618, LJN BQ9061, gaat A-G Wattel in op de vraag of het juist is om ingetrokken stellingen in een hoger beroepsprocedure niet meer aan de orde te mogen stellen. De advocaat-generaal komt tot de conclusie dat het onder omstandigheden mogelijk zou moeten zijn om ingetrokken stellingen weer op te voeren. In r.o. 6.8 merkt de advocaat-generaal echter op dat hierbij wel een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen een belastingplichtige en een inspecteur.
  6. Voor een inspecteur geldt, aldus de advocaat-generaal, dat een uitdrukkelijk en ondubbelzinnige intrekking van een aanslaggrond of verweer voor de rechtbank gelijkgesteld kan worden met een toezegging of een standpuntbepaling van de overheid jegens de belastingplichtige. Daaraan is de inspecteur eenzijdig gebonden. Terugkomen op zo’n ingetrokken stelling zou dan ook niet tot de mogelijkheden behoren, aldus de advocaat-generaal.
  7. Voor een belastingplichtige geldt dat de herkansingsfunctie in hoger beroep voorop moet staan. De advocaat-generaal is dan ook van mening dat een belastingplichtige slechts dan geen ingetrokken stelling weer kan opvoeren als sprake is hij uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afziet van het instellen van hoger beroep op het desbetreffende punt (r.o. 6.8).

    [1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Hertoghs advocaten – belastingkundigen.

    Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2011-1489
    Datum: 25-4-2016 13:47:20
Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur