Openbaar gemaakte begroting van gemeente hoeft niet als 8:42-stuk aan de rechter te worden toegezonden

NTFR 2023/2182

Samenvatting

A-G Pauwels heeft conclusie genomen in de zaken met nrs. 22/00849, 22/00852 en 22/02936. De eerste twee zaken kennen een nagenoeg vergelijkbaar feitencomplex en betreffen de heffing van leges. Deze zaken betreffen uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2022:491). In de laatste zaak gaat het om de heffing van waterschapsbelasting. Deze zaak betreft een uitspraak van hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2022:1896).

In het kader van zijn verweer dat de opbrengstlimiet niet is overschreden, verwijst de heffingsambtenaar naar passages uit de begroting van het waterschap, maar zonder de begroting over te leggen. Volgens hof Amsterdam is art. 8:42 Awb daarmee niet geschonden. Aangezien de begroting is gepubliceerd op het internet en door belanghebbende niet weersproken is dat dit stuk daar eenvoudig te vinden is en bovendien vrij toegankelijk is, is er volgens het hof geen verplichting voor de heffingsambtenaar om het stuk ook fysiek in te brengen.

De A-G komt tot de opvatting (i) dat toezending van een op de zaak betrekking hebbend stuk achterwege kan blijven indien het stuk op een zodanige wijze openbaar is gemaakt dat daarmee is voldaan aan de strekking van art. 8:42 Awb, en (ii) dat dit niet beperkt hoeft te zijn tot openbaar gemaakte stukken waarvoor een wettelijk vastgelegd openbaarmakingsregime geldt.

Het middel tegen dat oordeel faalt omdat het berust op een andere opvatting. Het berust namelijk op de opvatting dat de heffingsambtenaar alleen dan in overeenstemming met art. 8:42 Awb handelt indien hij de begroting toezendt aan de bestuursrechter, ook indien de begroting openbaar is gemaakt.

De A-G geeft de Hoge Raad in overweging de beroepen in cassatie ongegrond te verklaren.

Deze samenvatting en noot zien ook op de conclusies van A-G Pauwels van 24 november 2023, nr. 22/00852, ECLI:NL:PHR:2023:934, NTFR 2023/2185 en nr. 22/02936, ECLI:NL:PHR:2023:1063, NTFR 2023/2184.

Noot

In de procespraktijk is er altijd veel te doen over de vraag of ‘alle’ op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd in de bezwaarfase (art. 7:4 Awb), dan wel aan de bestuursrechter zijn toegestuurd in de beroepsfase (art. 8:42 Awb). Reden voor A-G Pauwels om uitgebreid aandacht te besteden aan deze kwestie in een drietal zaken waarin de discussie speelde of een gemeentebegroting aan de bestuursrechter moet worden toegezonden (art. 8:42 Awb).

Art. 8:42 Awb verplicht het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter te zenden. Deze verplichting waarborgt dat een geschil over een genomen besluit wordt beslecht op basis van alle gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich over deze stukken kan uitlaten en de bestuursrechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden.

Het is van belang te noemen dat het bestuursorgaan geen selectie mag maken van de zaakstukken. Oftewel, het is een op de zaak betrekking hebbend stuk of niet. Beschikt de belanghebbende al over dit stuk? Dan wordt het bestuursorgaan niet ontslagen van zijn verplichting om het stuk (alsnog) aan de bestuursrechter toe te zenden. De bestuursrechter heeft een actieve rol en moet erop toezien dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking stukken toezendt.

Deze verplichting is echter niet absoluut. Zo kan het bestuursorgaan een beroep doen op geheimhouding (art. 8:29 Awb). Ook in het geval dat sprake is van misbruik van procesrecht is de verplichting minder rigide.

A-G Pauwels formuleert in zijn conclusie (mijns inziens terecht) het uitgangspunt dat het bestuursorgaan niet in strijdt handelt met de verplichting van art. 8:42 Awb door een stuk niet toe te zenden aan de bestuursrechter voor zover het stuk op een zodanige wijze openbaar is (gemaakt) dat daarmee aan de strekking van art. 8:42 Awb is voldaan.

Dit laat natuurlijk onverlet dat ik meen dat in dat geval wel een duidelijke verwijzing naar de vindplaats van dat stuk moet zijn opgenomen. In het hedendaagse ‘digitale’ tijdperk stel ik mij zo voor dat dit in beginsel om een verwijzing kan gaan naar een website waar dit stuk eenvoudig vindbaar en bovendien vrij toegankelijk is. Kan een stuk daarentegen slechts fysiek worden ingezien, dan wordt niet aan de strekking van art. 8:42 Awb voldaan. In dat geval is het stuk immers niet ‘eenvoudig en vrij toegankelijk’.

Deze ‘vindplaats’-methodiek is echter niet vrij van risico’s. Hoe ga je om met digitaal onhandige belanghebbenden? A-G Pauwels stelt hierbij voor ruimte te laten voor de feitenrechter om hierop in te gaan als een belanghebbende daarover klaagt. Ik meen daarentegen dat voor de bestuursrechter een meer actieve rol is weggelegd. Ik vraag me namelijk af of een digitaal onhandige belanghebbende hierover gaat klagen.

Concluderende zou mijns inziens de hoofdregel moeten zijn dat de stukken, behoudens uitzonderingen, aan de bestuursrechter worden toegezonden. In het geval het stuk openbaar en vrij toegankelijk is, zou (bij uitzondering) kunnen worden overwogen de vindplaats hiervan op te nemen in de stukken. Het is nu wachten op de Hoge Raad.

Dit bericht werd geplaatst in: Fiscale procedures

Stuur een reactie naar de auteur