Ingrijpende uitbreidingen in het fiscale straf- en boeterecht

  

Ingrijpende uitbreidingen in het fiscale straf- en boeterecht

Datum: 01-01-2014
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF



TIJDSCHRIFT ONDERNEMING & STRAFRECHT IN PRAKTIJK SDU UITGEVERS / NUMMER 1, JANUARI 201423
105. Ingrijpende uitbreidingen in het "scale straf- en boeterecht
MR. V.S. HUYGENVAN DYCK#JAGERSMA
Met de inwerkingtreding van de Wet aanpak fraude toeslagen en "scaliteit wordt het spectrum van bestuurlijke boeten aanzienlijk uitgebreid. Niet alleen komen er nieuwe gedragingen bij waarvoor een boete kan worden opgelegd, maar ook voor ‘oude’ boetebepalingen wordt het bereik uitgebreid. Niet langer kunnen alleen (functioneel) plegers, feitelijk leidinggevers en medeplegers worden beboet, per 1 januari 2014 zijn diverse andere deelnemingsvormen uit het strafrecht onder het boetebereik geplaatst. Daarnaast worden ‘vergrijpboeten’ overgeheveld uit de sfeer van overtredingen naar die van misdrijven. De Belastingdienst beschikt zo steeds meer over een volwaardig bestra$ngssysteem naast het ‘echte’ strafrecht.
Inleiding
De naam van de per 1 januari 2014 in werking getreden
dat hierin enkel maatregelen tegen toeslagenfraude worden geregeld. Dit is voor een deel het geval: geregeld wordt onder meer wanneer toeslagen niet worden uitbetaald of de betaling kan worden opgeschort. De wet brengt echter veel meer dan maatregelen op het gebied van toeslagen.
van dit artikel zal ik eerst ingaan op de uitbreiding van
feitelijke pleger – een bestuurlijke boete opgelegd kan krijgen. Vervolgens zullen de (grotendeels) per 1 januari 2014 nieuw ingevoerde strafrechtelijke strafbaarstellingen en boetebepalingen worden besproken.
Hoewel de nieuwe boetebepalingen formeel geen nieuwe strafbaarstellingen betreffen, zijn deze toch minstens even
relevant. De impact van dergelijke boeten, die met straf-
rechtelijke misdrijven en overtredingen gelijk worden
gesteld, is groot.
Uitbreiding overtredersbegrip in het boeterecht
De meest ingrijpende wijziging binnen dit wetsvoorstel betreft de invoering van een uitgebreider overtredersbe-grip binnen het gehele "scale bestuursrecht. Terwijl het
overtredersbegrip voor alle bestuurlijke boeten centraal is
geregeld binnen de Algemene wet bestuursrecht, vindt deze wijziging plaats in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).De "scale tak neemt hiermee (weer) een bijzondere
plaats in binnen het gehele bestuursrecht.
De problematiek die als ‘Bulgarenfraude’ bekendheid heeft verworven, betreft het (laten) aanvragen van toeslagen
door personen die hier geen recht op hebben. Doordat
Wet aanpak fraude toeslagen en "scaliteit doet vermoedende Belastingdienst het aanvragen van toeslagen zo
makkelijk mogelijk had gemaakt – in feite als pinautomaat fungeerde – werd hier kwistig misbruik van gemaakt. De georganiseerde vormen hiervan, in de woorden van het kabinet ‘de geraf"neerdheid van fraude met toeslagen’1, worden nu bestreden door ook alle (zijdelings) betrokken
personen die hebben bijgedragen aan overtredingen onder
het overtredersbegrip binnen het (uitsluitend) "scalede kring van beboetbaren te brengen. boeterecht, waarmee wordt bepaald wie – naast de
Het is niet zo dat andere ‘deelnemers’ dan plegers, feitelijk leidinggevers en medeplegers voorheen niet bestraft konden worden. Alleen niet binnen het boeterecht; vervolging van deze varianten was voorbehouden aan het strafrecht. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Vierde tranche Awb, ingevoerd per 1 juli 20092, is overwogen om deze deelnemingsmodaliteiten in het boeterecht in te voeren.3
Destijds is er echter expliciet voor gekozen dit niet te doen:
‘(…) Medeplichtigheid aan overtredingen is dus niet strafbaar. Gelet daarop is geen aanleiding de "guur van de medeplichtigheid in het be-stuurlijke sanctierecht te introduceren. Aan een bestuursrechtelijke rege-ling van doen plegen of uitlokking bestaat evenmin veel behoefte (…)’4
Dat in het wetsvoorstel – in eerste instantie alleen binnen
de toeslagensfeer – zonder nieuwe argumenten toch ervoor
1Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 8.
2Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht, Stb. 2009, 266. 3Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 78 e.v.
4Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 79.
INGRIJPENDE UITBREIDINGEN IN HET FISCALE STRAF" EN BOETERECHT

24SDU UITGEVERS / NUMMER 1, JANUARI 2014 TIJDSCHRIFT ONDERNEMING & STRAFRECHT IN PRAKTIJK
is gekozen om het deelnemersbegrip uit te breiden,lokte de Raad van State uit tot kritisch commentaar:
‘De toelichting maakt niet duidelijk waarom dit een voor de hand lig-
gende mogelijkheid is om tegemoet te komen aan de in de toelichting
van de behandeling en de inwerkingtreding van de vierde tranche van de Awb, waarin het begrip overtreder werd gede"nieerd, de in de toelich-ting genoemde argumenten reeds bekend waren. (…) De in de toelich-ting aangehaalde argumenten vormen in die zin geen nieuwe omstan-digheden die deze ingrijpende wijziging rechtvaardigen.’5
Dat deze keuze nu, anders dan ten tijde van invoering van de vierde tranche Awb, wél wordt gemaakt, wordt slechts onderbouwd met ‘voortschrijdend inzicht’. Destijds kon volgens de regering nog verondersteld worden dat uitlokken, doen plegen en medeplichtigheid in de sfeer van de bestuurlijke boete niet zouden voorkomen. Inmiddels is
toeslagen gebleken dat deze veronderstelling achterhaald is. Daarom heeft het argument om deze deelnemingsvor-men (toen) niet in te voeren, zijn waarde verloren, aldus
het kabinet.6
bestuurlijke boeterecht met de invoering van deze nieuwe deelnemingsvormen, is een horizonbepaling vastgesteld: uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding zal de ‘effectiviteit’ van de bepaling moeten worden geëvalueerd. Tevens moet vóór die datum een wetsvoorstel zijn ingediend inhoudende de (voortgezette) werking van deze artikelen. Zo niet, dan vervallen de extra deelnemingsvormen per 1 januari 2019.7
Invoering via de achterdeur
De uitbreiding naar het gehele "scale bestuursrecht is pas
bij amendement van 12 november 2013, dus op het laatste
Eerder noemde het kabinet de invoering voor alléén de toe-slagenfraude juist als rechtvaardiging voor de ‘ingrijpende keuze voor de uitbreiding van het overtredingsbegrip in het bestuursrecht’9 De maatregel werd gerechtvaardigd op
grond van de ‘geraf"neerdheid van fraude met toeslagen’.10
5Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 4, p. 2-3. 6Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 4, p. 3.
7Voorstel van Wet art. V (horizonbepaling): Kamerstukken I 2013/14, 33 754, nr. A, p. 10.
8Amendement Neppérus, Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 13. 9Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 4, p. 2-4.
10 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 8.
Opgemerkt wordt dat ‘juist’ omdat deze uitbreiding een ingrijpende keuze betreft, deze is ‘beperkt tot het terrein waarop daaraan feitelijk behoefte bestaat, namelijk het
terrein van de toeslagen’.11
gesignaleerde problemen. (…) Voorts wijst de Afdeling erop dat ten tijdeZonder aanvullende motivering wordt deze beperking
korte tijd later alweer verlaten.Via een achterdeur komt de uitbreiding van het overtredersbegrip net voor sluitingstijd en zonder degelijke motivering en voorbereiding zo alsnog het hele "scale boeterecht binnen.
De nieuwe deelnemingsvormen
Tot 2014 kende het "scale boeterecht drie deelnemings-vormen: de – al dan niet ‘functioneel’ – pleger, feitelijk leidinggever en medepleger. De medepleger en feitelijk leidinggever konden na invoering van de ‘vierde tranche’ per 1 juli 200912 reeds worden beboet. Met ingang van 1 januari 2014 zijn in art. 67o AWR en art. 41bis Awir (Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, oftewel toeslagen) de volgende nieuwe deelnemingsvormen in het "scale boeterecht geïntroduceerd:
r doen plegen;
r uitlokken, en
r medeplichtigheid. echter naar de mening van het kabinet op het terrein van de
Deze begrippen zijn overgenomen uit het strafrecht en volgen daarom ook de uitleg die binnen het strafrecht
daaraan gegeven wordt.13
Deze nieuwe overtredersbegrippen brengen de nodige Vanwege de ingrijpende afwijking op het overigerisico’s met zich mee voor bijvoorbeeld een belastingadvi-
seur die, achteraf beoordeeld, een onjuist belastingadvies heeft gegeven. Rechtstreekse betrokkenheid bij het doen van de aangifte is zelfs voor het zwaardere medeplegen niet nodig: voldoende is een ‘plan’ waaraan door de adviseur een ‘actieve bijdrage’ is verleend.14 Van een beperktere bijdrage in de vorm van medeplichtigheid is uiteraard (nog) sneller sprake.
Nu de Belastingdienst deze boeten kan opleggen, kan dit bovendien de nodige negatieve effecten teweegbrengen
op de relatie tussen de Belastingdienst en bijvoorbeeld
nippertje, in het wetsvoorstel opgenomen.8advieskantoren. Hierbij kan in het bijzonder worden
gedacht aan kantoren die een Horizontaal Toezicht-conve-nant hebben gesloten, dat gebaseerd is op ‘vertrouwen en transparantie’. Wanneer de convenantpartner kan dreigen met bestuurlijke boeten, zal dat het ‘wederzijdse’ karakter van dit vertrouwen niet ten goede komen.
Ten tijde van het wetsvoorstel de Vierde Tranche in 2009
werd dit negatieve effect ook al voorzien en onderkend.
11 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 7, p. 21.
12 Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht, Stb. 2009/264-266. 13 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 36 e.v.
14 Zie hiervoor de zaak tegen de adviseur Van der B., HR 6 maart 2012,
ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, NJ 2012/176.
De meest ingrijpende wijziging binnen dit wetsvoorstel betreft de invoering van een uitgebreider overtredersbegrip binnen het gehele #scale bestuursrecht

TIJDSCHRIFT ONDERNEMING & STRAFRECHT IN PRAKTIJK SDU UITGEVERS / NUMMER 1, JANUARI 201425
Thans zijn deze vragen vanuit de Eerste Kamer opnieuw aan de orde gesteld.15 Waarom de wetgever nu anders over dit onderwerp denkt dan in 2009, is niet duidelijk. Het kabinet merkt op, op zich terecht, dat alle deelnemingsva-rianten opzet vereisen bij de te beboeten persoon. Gevolg van deze modaliteiten en de gegeven uitleg is wel dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van een aangifte of advies méér bij de adviseur komt te liggen. Het mag immers ‘worden verondersteld dat hij een onderscheid kan maken tussen een standpunt waarvan redelijkerwijs gemeend kan worden dat het juist is en een standpunt
waarvan redelijkerwijs niet gemeend kan worden dat het
rechtspraak juist sprake zijn van opzet als hij géén advies heeft ingewonnen, of de kwestie aan de inspecteur heeft voorgelegd.17
Doen plegen en uitlokken
Sprake van ‘doen plegen’ is er wanneer de belastingplich-
weet van heeft en ook niet hoeft te hebben dat de aangifte zoals deze is opgesteld, onjuist is. Voor uitlokking is juist van belang dat de belastingplichtige als feitelijke dader niet straffeloos is. Met deze beide overtredersvarianten maakt het dus niet meer uit of een belastingplichtige op de hoogte is van (on)bepleitbaarheid van het gegeven advies. Een adviseur die – volgens de Belastingdienst – beter had moeten weten, loopt het risico op een bestuursrechtelijke boete.
Medeplichtigheid
Medeplichtigheid is alleen strafbaar als de beboetbare gedraging een misdrijf betreft. Hoewel in de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van bestuurlijke boeten alleen over ‘de overtreder’ wordt gesproken, kunnen de
opzetvarianten (‘vergrijpen’) volgens het kabinet worden
gelijkgesteldmetstrafrechtelijkemisdrijven.18Met
betrekking tot vergrijpen kan daarom wel medeplichtig-heid worden beboet, bij verzuimen niet.
Ook dit is (kennelijk) een gevolg van voortschrijdend inzicht. In het kader van de parlementaire behandeling van de ‘vierde tranche’ werd immers nog opgemerkt dat juist omdatmedeplichtigheid aan overtredingen niet strafbaar is, binnen het bestuurlijke sanctierecht geen behoefte bestond om deze deelnemingsvariant te introduceren.19 Bestuurlijke beboetbare feiten, ook vergrijpen, werden destijds dus nog gezien als overtredingen.
Nieuwe strafbepaling: te laat betalen aangifte
15 Kamerstukken I 2013/14, 33 752, nr. C, p. 26-27. 16 Kamerstukken I 2013/14, 33 752, nr. D, p. 44-45.
17 Zie bijvoorbeeld Rb. 18 december 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:3344 en Hof Amsterdam 7 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR0740.
18 Kamerstukken I 2013/14, 33752, nr. D, p. 45.
19 Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 79.
Art. 69a AWR betreft een nieuwe strafbepaling, naast de reeds bestaande vergrijpboete bij opzet of grove schuld in art. 67f AWR. Daarnaast kan er nu, in geval van opzet, voor worden gekozen om strafrechtelijk te vervolgen.
Strafbaar gesteld is het opzettelijk niet (geheel) betalen of niet op tijd betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan. Het gaat hierbij om aangiftebelastin-gen (of indirecte belastingen), zoals omzetbelasting en loonbelasting, die op aangifte door de belastingschuldige zelf moeten worden voldaan. De verplichting tot betaling
staat los van de verplichting tot het doen van de aangifte.
juist is.’16 Bij de belastingplichtige kan volgens lagere (straf)Het niet of onjuist voldoen aan de aangifteverplich-
ting vormt een afzonderlijk beboet- of vervolgbaar feit.20 Ook wanneer de te betalen belasting op zichzelf correct is aangegeven, vormt het niet (geheel of op tijd) betalen daarvan thans een strafrechtelijk vervolgbaar feit.
Indien sprake is van een niet (geheel) betalen van het
tige geen verwijt kan worden gemaakt doordat hij er geenverschuldigde bedrag omdát te weinig is aangegeven,
is sprake van samenloop (dubbeltelling) van deze twee bepalingen. Hoewel het één uit het ander voortvloeit is straf- of boeterechtelijk toch sprake van twee te bestraffen ‘gedragingen’.Indien voor beide feiten strafrechtelijk wordt vervolgd, wordt met deze samenloop rekening worden gehouden op grond van art. 57 lid 2 Sv. Het boeterecht kent een dergelijke samenloopregeling niet; alleen voor de situatie dat een onjuist verzoek om een voorlopige aangifte en een onjuiste aangifte samengaan, heeft het kabinet nu toegezegd dat hiermee in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst ‘rekening wordt gehouden’.21
Het kabinet gaat uitgebreid in op het type fraude waar de regeling primair tegen is gericht: carrouselfraude met btw
en fraude binnen de loonbelasting waarbij verhaalsmo-
gelijkheden worden gefrustreerd.22 Dit vormt echter geen enkele (vervolgings)beperking: op elk opzettelijk niet, niet op tijd, of niet geheel betalen staat een maximale straf van zes jaar gevangenisstraf en/of een geldboete van de vijfde categorie (€ 81.00023) of het bedrag aan te weinig betaalde belasting als dat hoger is.
Op de invoering van deze strafbepaling is tijdens de parlementaire behandeling veel kritiek geuit, mijns inziens terecht. Zowel het onderbrengen onder de strafbepalingen
als de hoge sanctie die er op is gesteld,maken de gedraging
20 Geregeld in art. 67f resp. 69 lid 1 en 2 AWR. 21 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 7, p. 37.
22 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 3, p. 12-13.
23 Art. 23 Wetboek van Strafrecht (Sr); bedragen met ingang van 1 januari
2014, Stb. 2013/420.
Gevolg is wel dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van een aangifte of advies meer bij de adviseur komt te liggen
INGRIJPENDE UITBREIDINGEN IN HET FISCALE STRAF" EN BOETERECHT

26SDU UITGEVERS / NUMMER 1, JANUARI 2014 TIJDSCHRIFT ONDERNEMING & STRAFRECHT IN PRAKTIJK
waar immers ‘slechts’ een vergrijpboete op is gesteld. In aanvulling daarop kan nog de witwasproblematiek worden genoemd. Nu het niet tijdig betalen van belasting als misdrijf wordt aangeduid, kan dan elke betaling (deels) afkomstig uit dat niet-betaalde bedrag dan als witwassen worden aangeduid?
Geen oogmerkvereiste
alleen zou worden gestraft ‘hij die het oogmerk heeft om de Belastingdienst te benadelen’.24 Dit amendement heeft
het helaas niet gehaald. Een oogmerkvereiste voor het effect van de gedraging (benadeling) naast opzet op de feitelijke gedraging (niet tijdig betalen) had wel in de rede
gelegen.Het gaat immers niet om een enkele verzuimboete,
vervolgbare handeling.
In plaats van een oogmerkeis is een derde lid aan art. 69a AWR toegevoegd, waarin is geregeld dat degene die tijdig om uitstel van betaling heeft gevraagd óf betalingsonmacht heeft gemeld op grond van art. 36 lid 4 van de Invorde-ringswet (IW), niet strafbaar is. Dat betekent dat, anders dan de bepaling beoogt, een ‘kwaadwillende’ de dans ontspringt zolang hij maar tijdig meldt of uitstel vraagt. Wie echter om een andere reden bewust niet betaald heeft,
maar zonder de bedoeling de schatkist te benadelen25, kan
niet (tijdig) betaalde bedrag als dat hoger is dan de vijfde boetecategorie.
Dit blijft onbevredigend, zo blijkt uit de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer.26 Verschillende Kamerfracties vragen naar de reden dat ervoor is gekozen
een ‘meldingsregeling’ op te nemen in plaats van een
een semantische ontkenning: er is niet voor gekozen om
een meldingsregeling op te nemen, maar om op te nemen
24 Kamerstukken II 2013/14, 33 754, nr. 12.
25 Vergelijk de eis ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schul-
deisers’ in art. 341 Sr bij faillissementsfraude, zie ook bijv. HR 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2012:BY5446, NJ 2013/228.
26 Kamerstukken I 2013/14, 33 752, nr. D, p. 43 e.v. (Memorie van Antwoord inzake de wetsvoorstellen 33 754 (Belastingplan 2014); 33 753 (Overige
#scale maatregelen 2014); 33 754 (Wet aanpak fraude toeslagen en
#scaliteit) en 33 755 (Wet wijziging percentages belasting- en invorder-
ingsrente)).
tot een zwaar strafbaar feit. Een dag te laat betalen,dat degene die tijdig meldt of uitstel vraagt, straffeloos is. wordt aldus zwaarder ingeschaald dan het frauderenIn de praktijk komt dit uiteraard neer op een verplichte met voorlopige aanslagen, herzieningen of toeslagen,melding of uitstelverzoek om strafbaarheid te voorkomen.
Evenals bij de meldingsregeling ter voorkoming van be-stuurdersaansprakelijkheid zal dit tot gevolg hebben dat kwaadwillenden die tijdig melden niets te duchten hebben, terwijl goedwillenden de dupe worden wanneer zij een dag te laat zijn met melden.
Een uitstapje: meldingsregeling bestuurdersaansprake-
lijkheid
Er is getracht kritiek om te zetten in wijziging van het Op grond van art. 36 lid 3 IW is een bestuurder wetsvoorstel. Het amendement van Omtzigt hield in dat aansprakelijk voor de niet-betaalde belastingschulden
van een rechtspersoon tot drie jaar terug, indien hem (de bestuurder) ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ kan worden verweten. Het bewijs van dat kennelijk onbehoorlijk bestuur is voor de Belastingdienst een grote opgaaf, wat zelden slaagt.
De regeling biedt voor de Belastingdienst echter een escape in art. 36 lid 4 IW: als het ‘lichaam’ (de rechtspersoon) niet tijdig – vóór a=oop van de betalingstermijn – heeft gemeld, is iedere bestuurder aansprakelijk. Ténzij deze bestuurder kan aantonen dat het niet tijdig melden niet aan hem kan worden verweten. Slaagt de bestuurder niet in dat bewijs,
dan is niet relevant of hem daadwerkelijk onbehoorlijk
waarbij opzet geen rol speelt, maar om een strafrechtelijkbestuur kan worden verweten: hij is hoe dan ook
aansprakelijk voor de openstaande schulden.In de praktijk worden dan ook vrijwel enkel procedures gevolgd over de meldingsregeling, waardoor de echte kwaadwillenden de dans ontspringen. Met de onderhavige nieuwe meldings-regeling om aan strafbare te late betaling te ontkomen, zal het effect niet anders zijn.
Ook de Adviescommissie Belastingrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten adviseert dringend om een oogmerk-vereiste in de bepaling op te nemen.27 Opgemerkt wordt dat
de nu opgenomen meldingsregeling ‘geen enkele waarborg
nu tot zes jaar cel krijgen en een boete ter hoogte van het[biedt] dat goedwillende belastingplichtigen door de
strafbepaling worden getroffen, integendeel: zij vergroot die kans alleen maar’.Waarvan akte.
Het heeft de staatssecretaris niet tot enige aanpassing kunnen bewegen.Iemand die niet tijdig betaalt,is kennelijk ‘kwaadwillend’: hij ‘benadeelt per de"nitie de schatkist.
Het toevoegen van een oogmerk is daarom mijns inziens
oogmerktoets. In reactie hierop schiet de staatssecretaris inzinledig’. Wel wil de staatssecretaris in de toekomst
monitoren of de voorgestelde strafbepaling niet gepaard
gaat met ongewenste effecten,te weten dat kwaadwillenden
hun aansprakelijkheid juist zouden kunnen ontlopen.
Ongewenste effecten voor goedwillende onoplettenden
noemt de staatssecretaris echter niet.
Vergrijpboete onjuiste informatie ter zake voor-lopige aanslag/herziening
27 Kamerstukken I 2013/14, 33752, nr. C, bijlage: brief van 27 november
2013.
Ook de Adviescommissie Belastingrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten adviseert dringend om een oogmerkvereiste in de bepaling op te nemen

TIJDSCHRIFT ONDERNEMING & STRAFRECHT IN PRAKTIJK SDU UITGEVERS / NUMMER 1, JANUARI 201427
INGRIJPENDE UITBREIDINGEN IN HET FISCALE STRAF" EN BOETERECHT
Over de auteur
Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma is advocaat bij Peek advocaten-
belastingkundigen.
betreft het opzettelijk (laten) verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie in een verzoek om een voorlopige aanslag of in een verzoek om herziening. De opzet van de belastingplichtige moet dus zijn gericht op het verstrekken
van onjuiste of onvolledige informatie, niet op het ten
echter wel gekoppeld aan de benadeling: de maximale vergrijpboete is het bedrag dat als gevolg van die onjuiste of onvolledige informatie ten onrechte is verkregen, of zou zijn verkregen als de aanvraag was gevolgd.
Na invoering van het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst28, waarin de mogelijkheid tot ‘herziening’ (verzoeken om aanpassing van de aanslag)
tot de"nitieve aanslagen wordt uitgebreid, zal ook de
Tot slot
Met de inwerkingtreding van de Wet aanpak fraude
toeslagen en "scaliteit wordt het spectrum van bestuurlijke boeten aanzienlijk uitgebreid. Niet alleen komen er nieuwe gedragingen bij waarvoor een boete kan worden opgelegd,
maar ook voor ‘oude’ boetebepalingen wordt het bereik
De beboetbaar gestelde gedraging in art. 67cc AWRuitgebreid. Niet langer kunnen alleen (functioneel) plegers,
feitelijk leidinggevers en medeplegers worden beboet, per 1 januari 2014 zijn diverse andere deelnemingsvormen uit het strafrecht onder het boetebereik geplaatst. Daarnaast worden ‘vergrijpboeten’ overgeheveld uit de sfeer van
overtredingen naar die van misdrijven. De Belastingdienst
onrechte verkrijgen van een teruggave. De sanctie isbeschikt zo steeds meer over een volwaardig bestraf"ngs-
systeem naast het ‘echte’ strafrecht.
Op diverse onderdelen uit het wetsvoorstel is stevige kritiek geuit, waar niet of deels aan is tegemoetgekomen. Dat het wetsvoorstel zo voortvarend en conform de voorstellen en aanpassingen van het kabinet is aangenomen door het parlement, hangt sterk samen met de koppeling van dit wetsvoorstel aan het Belastingplan 2014. Illustratief in
dit kader is de brief van de staatssecretaris aan de Tweede
vergrijpboete hiervoor gaan gelden. Met deze nieuweKamer, waarin hij tot spoed maant.30 Ook deze wet boete wordt een valse aanvulling gelijkgesteld met eenillustreert: haastige spoed is zelden goed.
valse initiële aangifte, waar reeds een vergrijpboete op was gesteld.29
28 Zie Kamerstukken 33 714.
29 Zie art. 67d AWR.30 Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 6.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op