Over iedere belastingteruggaaf moet rente vergoed worden

  

Over iedere belastingteruggaaf moet rente vergoed worden

Auteur(s): E.A.M. Huiskers-Stoop

Bekijk PDF



DE ARGUMENTEN om geen rente te vergoeden stammen uit 19843. In feite kwamen die erop neer dat het liquidi-teitsnadeel voor de belastingplichtige door het ontbreken van een rentever-
goeding gering was. Dat kwam door-
kon beschikken. Allereerst was de ter-mijn voor achterwaartse verliesverre-
kening in de inkomsten- en vennoot-
naar drie jaren. En daarnaast was ook de verliesverrekeningsvolgorde in het
voordeel van de belastingplichtige ge-
voortaan bij samenloop met aanloop-
verliezen (die onbeperkt voorwaarts
worden verrekend. Ook kreeg de in-specteur de bevoegdheid om vooruit-lopend op de definitieve aanslag al-vast een voorlopige verliesverrekening vast te stellen. Bovendien zouden voor het vergoeden van rente verhoudings-gewijs uitgebreide wetteksten nodig zijn, terwijl het effect ervan door het drempeltijdvak van vijftien maanden in die jaren beperkt was. En dus wordt er al sinds 1984 geen rente vergoed op de belastingteruggaaf na achterwaart-
se verliesverrekening.
Veranderd
Inmiddels zijn de tijden veranderd. Van-af het belastingjaar 2007 is de termijn voor achterwaartse verliesverrekening in de vennootschapsbelasting en het
aanmerkelijk belang (box 2) in de in-
duceerde fictieve rendement, überhaupt niet meer mogelijk. De beperking van de
achterwaartse verliesverrekening dien-
de tariefsverlaging(en) in de vennoot-schapsbelasting4. Dit gebeurde weer
om de internationale concurrentieposi-
mijn voor achterwaartse verliesverre-
kening van drie jaren is wél behouden
en woning (box 1). De reden hiervoor is dat een kleinere ondernemer met fluc-tuerende resultaten meer last heeft van de beperking van de achterwaartse ver-liesverrekening dan andere belasting-plichtigen. Al met al is echter van de verruiming van de termijn voor achter-waartse verliesverrekening uit 1984 wei-nig over.
Verrekeningstermijn van 9 jaar Aan de gunstige regeling over de verre-
keningsvolgorde van gewone en aan-
loopverliezen kwam in 1995 al een ein-de. In dat jaar werden alle verliezen onbeperkt voorwaarts verrekenbaar5. Het zal u niet ontgaan zijn dat die on-beperkte voorwaartse verliesverreke-ningsmogelijkheid inmiddels ook weer tot het verleden behoort. Vanaf het be-lastingjaar 2007 geldt zowel voor de inkomsten- als de vennootschapsbe-lasting een voorwaartse verliesverreke-ningstermijn van negen jaren6. Daar-mee heeft ook het argument uit 1984, dat de volgorde van verliesverrekening in het voordeel van belastingplichtige is
gewijzigd, zijn waarde verloren.
Verwerkingssnelheid
Bij de introductie van de voorlopige ver-liesverrekeningsbeschikking7 is de be-lastingplichtige nog altijd gebaat. De re-
geling heeft echter tot het belastingjaar
dat nieuwe maatregelen de verlies-komstenbelasting beperkt van drie ja-2006 wel een vertragende werking ge-verrekeningsmogelijkhedenhaddenren tot één jaar. Voor inkomsten uithad. Zo kon de belastingplichtige pas verruimd en de belastingplichtigesparen en beleggen (box 3) is verlies-na zes maanden na indiening van de sneller over een belastingteruggaafverrekening, sinds het in 2001 geïntro-aangifte om een beschikking verzoeken
en bovendien werd die niet altijd even vlot afgegeven. Pas vanaf het belasting-
jaar 2006 kan al bij de indiening van de
schapsbelasting verruimd van tweede ter (gedeeltelijke) financiering van(verlies)aangifte om een in het jargon als
‘carry-back beschikking’ bekend staan-de beschikking worden verzocht en zet
de Belastingdienst zich naar verluidt in
wijzigd; gewone verliezen mochtentie van Nederland te verbeteren. De ter-om die beschikking ook zo snel mogelijk
af te geven. Aangenomen dat de terug-
wenteling van een verlies vandaag de dag
verrekenbaar waren) met voorranggebleven voor de inkomsten uit werk(nog) sneller verloopt dan in 1984, moet
wel worden bedacht dat bij het vaststel-len van de (voorlopige) belastingterug-gaaf slechts rekening wordt gehouden met 80% van het vermoedelijke verlies8. Hoewel door vroegtijdige indiening van een (verlies)aangifte en de vlotte afgif-te van een (voorlopige) carry-backbe-schikking tegemoet gekomen wordt aan het liquiditeitsnadeel van de belasting-plichtige, blijft dat nadeel voor 20% van het vermoedelijke verlies bestaan. Ge-geven het feit dat de inspecteur drie jaar
mag doen over het opleggen van een
20www.accountancynieuws.nl29 augustus 2008 nr 16 Accountancynieuws
belastingen
Over iedere belastingteruggaaf moet rente vergoed worden Esther Huiskers
Over een (voorlopige) belastingteruggaaf na achterwaartse verlies-
verrekening vergoedt de Belastingdienst geen heffingsrente1. Bij een
eventuele latere terugbetaling ervan – na een correctie in de definitieve
aanslag of bij een navorderingsaanslag – moet de belastingplichtige
daarentegen wel heffingsrente betalen2. Dat is tegenstrijdig. Die te-
genstrijdigheid moet worden opgeheven door ook over de belasting-
teruggaaf na verliesverrekening rente te vergoeden.
AN_1608.indb 2027-08-2008 13:16:51

Accountancynieuws 29 augustus 2008 nr 16www.accountancynieuws.nl21
belastingen
definitieve aanslag9, kan dat bij de ver-rekening van een niet al te gering verlies aardig oplopen. Zeker gelet op de hui-dige hoge heffingsrentestand10. Boven-dien schuilt er nog een adder onder het gras als blijkt dat de verrekening onjuist is geweest en niet alleen de teruggaaf moet worden terugbetaald, maar daar-over ook nog eens heffingsrente in reke-ning wordt gebracht.
Rentetermijn direct na afloop boekjaar
Ook het argument over het drempeltijd-vak van vijftien maanden in 1984, waar-door het effect van een rentevergoeding bij verliesverrekening beperkt zou zijn, is inmiddels achterhaald. Vanaf het be-lastingjaar 1997 wordt geen drempel-tijdvak meer gehanteerd en begint de
rentetermijn meteen te lopen na af-loop van het (boek)jaar. Vanaf het be-lastingjaar 2005 wordt voor de inkom-sten- en vennootschapsbelasting zelfs al heffingsrente berekend vanaf de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting geheven wordt (meestal 1 juli van het betreffende jaar)11. Voor de verschuldigdheid van heffingsrente is het dan ook van belang om het te ver-wachten jaarresultaat zo goed mogelijk
te schatten (voor ondernemers meestal
per 1 augustus van het betreffende jaar) en daarbij gelet op de huidige rente-stand – mits liquiditeiten uiteraard aan-wezig zijn – eerder aan de hoge kant te gaan zitten dan aan de lage.
Aangifte snel indienen
Al met al lijken de argumenten uit
1984, om geen heffingsrente te vergoe-den over een teruggaaf na achterwaart-se verliesverrekening, door de tijd te zijn ingehaald. Een belastingplichti-ge helpt zichzelf voor wat betreft zijn
liquiditeitspositie nog het meest door
de aangifte over een verliesjaar zo snel mogelijk in te dienen en een voorlopige carry-backbeschikking te vragen. Hier-in schuilt wel het gevaar dat als bij de definitieve afhandeling van de aangifte blijkt dat er geen of minder verlies is (of zo dit pas na het opleggen van de defi-nitieve aanslag naar voren komt in een navorderingsaanslag) het ten onrechte verrekende verlies gecorrigeerd wordt en de belastingplichtige over die correc-tie heffingsrente moet betalen terwijl hij over de teruggaaf geen rente heeft ontvangen12. Bovendien loopt hij het ri-sico dat over een langere termijn hef-fingsrente moet worden betaald (van-af het midden van het verliesjaar) dan dat hij de teruggaaf tot zijn beschikking heeft gehad (op zijn vroegst vanaf de verliesverrekeningsbeschikking).
Beleidswijziging
Om aan ongewenste effecten tegemoet te komen, heeft de staatssecretaris van Financiën onlangs zijn beleid13 gewij-zigd ten aanzien van het in rekening brengen van heffingsrente bij herstel van een ten onrechte verrekend verlies. De wijziging heeft zowel betrekking op de situatie dat een voorlopig verrekend verlies wordt gecorrigeerd bij de defi-nitieve aanslag als dat een bij de defi-nitieve aanslag verrekend verlies wordt gecorrigeerd door oplegging van een navorderingsaanslag.
De staatssecretaris keurt goed – vooruit-lopend op nadere wetgeving – dat de hef-fingsrente bij correctie/navordering van een verrekend verlies berekend wordt over het tijdvak dat begint op de dag na de dagtekening van de (voorlopige) ver-
liesverrekeningsbeschikking en eindigt
op de dag van de (navorderings)aanslag. Dit om te voorkomen dat de belasting-plichtige heffingsrente moet betalen over een periode (vanaf het midden van het verliesjaar tot aan de verliesverreke-ningsbeschikking) waarin de belasting-plichtige de teruggaaf niet eens tot zijn
beschikking had.
Rentevergoeding over elke teruggaaf
Het gewijzigde heffingsrentebeleid haalt de scherpste kant eraf maar laat de te-
genstrijdigheid in stand; over de (voor-
lopige) teruggaaf na verliesverrekening wordt nog steeds geen heffingsrente vergoed, terwijl er bij een latere correc-tie – zij het dan vanaf de verrekeningsbe-schikking – wél heffingsrente moet wor-den betaald. De argumenten uit 1984 om geen heffingsrente te vergoeden zijn door de tijd ingehaald. Een voorlopige carry-back beschikking lijkt soelaas te bieden voor een snelle terugwenteling, maar houdt slechts rekening met 80% van het verlies en bovendien ligt het ren-terisico van een onjuiste verrekening bij de belastingplichtige. Heffingsrente is de vergoeding voor het ten onrechte ter beschikking hebben van belastinggeld. Wordt het niet eens tijd om over iede-re belastingteruggaaf – en dus ook over die na verliesverrekening – rente te ver-goeden? De belastingwetgever heeft aan-gekondigd binnenkort de AWR op de schop te zullen nemen. Een uitgelezen kans om hier wat aan te doen. Te begin-nen met het schrappen van de leden 4 en 2 van respectievelijk artikel 30g en 30h AWR. Dan blijft er ook van het laatste ar-gument uit 1984 dat er ‘verhoudingsge-wijs uitgebreide wetteksten’ nodig zijn, weinig meer over. An
Esther Huiskers,
verbonden aan Jaeger Advocaten-
Belastingkundigen te Amsterdam.
1 Art. 30g, lid 4, AWR en ook art. 30h, lid 2, AWR. 2 Art. 30f, lid 1 AWR.
3 Ivm de Wet van 8 november 1984, Stb 1984, 534. 4 Wet werken aan winst, 30 572.
5 Wet van 23 december 1994, Stb 1994, 937.
6 Art. 3.150, lid 1, Wet IB 2001 en art. 20, lid 2, Wet Vpb.
7 Zie art.3.152, lid 5 Wet IB 2001 en art. 21 lid 3, Wet Vpb.
8 Art. 23 Uitv.reg. Wet IB 2001 en art. 3 Uitv.
besch. Wet Vpb.
9 Art. 11, lid 3, AWR.
10 Van 5,15% voor het derde kwartaal van 2008. 11 Art. 30f, lid 3, onder a, AWR.
12 Art. 30h, lid 1 juncto 30f, lid 1, AWR.
13 Besluit van 7 maart 2008, nr. CPP2007/3267M,
stcrt. Nr. 55.
‘De argumenten om geen rente te vergoeden stammen nog uit 1984.’


AN_1608.indb 2127-08-2008 13:16:51



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op