Tot niet meer ziens - het weigeren van een gemachtigde door de Belastingdienst en belastingrechters

  

Tot niet meer ziens - het weigeren van een gemachtigde door de Belastingdienst en belastingrechters

Gepubliceerd in: Tijdschrift formeel belastingrecht (TFB)
Datum: 30-12-2017
Auteur(s): C.E. van Dijk

Bekijk PDF

Tot niet meer ziens
PublicatieTijdschrift formeel belastingr echt
Aflevering2017/8
Publicatiedatum30 december 2017
AuteursDijk, mr. C.E. van
Tot niet meer ziens
Het weiger en van een gemachtigde door de Belastingdienst en belastingr echters
De Belastingdienst en belastingrechters kunnen op basis van bepalingen uit de Algemene wet bestuursr echt (hierna: Awb)
de bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige be zwaren bestaan weiger en. In dit artikel ga ik
nader in op de achter grond en inhoud van de ze regelingen. W aarom zijn de r egelingen inge voerd? W at is de inhoud van
deze r egelingen? W anneer is sprake van ernstige be zwaren? W aarom is de r egeling wel van toepassing op
belastingadviseurs en niet op advocaten? En tot slot: hoe verhouden de ze regelingen zich tot art. 6 EVRM, waarin onder
ander e is bepaald dat ieder een recht heeft op een r aadsman naar eigen k euze?
1. De achtergrond van de r egelingen
Om een gemachtigde te weiger en moet het volgens de wetsgeschiedenis gaan om uitzonderlijk e gevallen, waarin de
bestuursor ganen of rechters van mening zijn dat de partijen moeten wor den beschermd tegen ernstige schade die door
het optreden van de te weiger en persoon kan worden toegebracht. In dit kader wor dt gesproken o ver e vidente en
ernstige ondeskundigheid of herhaaldelijk e verstoring van de normale gang van zaken, eventueel onder bedr eiging van
geweld. Het Besluit Fiscaal Bestuursr echt heeft het verder nog over gemachtigden tegen wie vermoedens bestaan van het
begaan van str afbare feiten. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat van bestuursor ganen mag worden verwacht dat zij zich
bewust zijn van de delicate afweging bij het weiger en van een tegenspeler en dat zij slechts in het uiterste ge val tot
weigering zullen overgaan. De r egeling is in ieder ge val allesbehalve bedoeld om bestuursor ganen een makkelijke manier
te ge ven om zich te ontdoen van bekwame en daar door lastige tegenspelers.
2. Het weigeren door de Belastingdienst
Bestuursorganen kunnen op gr ond van art. 2:2 Awb de bijstand of vertegenwoor diging door een persoon (anders dan een
advocaat) tegen wie ernstige bezwaren bestaan weiger en. Art. 2:2 Awb komt dus neer op een verbod op een bepaalde
gemachtigde. Deze weigeringsmogelijkheid k omt niet overeen met art. 45 Algemene wet inzak e rijksbelastingen (hierna:
AWR). Dat artik el regelt de be voegdheid van de inspecteur om de mogelijkheid tot vertegenwoor diging als zodanig uit te
sluiten. Als de inspecteur gebruikmaakt van art. 45 AWR, dan betekent dit dat de belastingplichtige zelf, dus persoonlijk, zijn
verplichtingen dient na te k omen. Het artikel betekent overigens niet dat er een verbod op bijstand is.
Om de dr empel tot weiger en iets te verhogen is beleidsmatig uitgemaakt dat de ze bevoegdheid uitsluitend de
(plaatsvervangende) dir ecteuren bij de Belastingdienst toek omt. In geval van een weigering dienen de cliënt en de
gemachtigde daarvan onverwijld en schriftelijk in k ennis te worden gesteld. T egen de beschikking tot weigering is op gr ond
van de Awb bezwaar mogelijk bij een landelijk dir ecteur, waarna beroep mogelijk is bij (de bestuurssector van) de
rechtbank. Zo wel de cliënt als de ge weigerde gemachtigde lijkt mij belanghebbende bij de beschikking.
3. Het weiger en door de belastingr echter
De weigeringsbevoegdheid voor de bestuursr echter, waaronder de belastingr echter, is in art. 8:25 Awb opgenomen. Op
grond van art. 8:108 Awb en art. 29 A WR geldt deze bepaling ook in hoger ber oep en in beroep in cassatie. De ze bepaling is
inhoudelijk nagenoeg gelijk aan art. 2:2 Awb. Er is wel één verschil. Daar waar de dir ecteur van de Belastingdienst de
weigering schriftelijk moet mededelen aan de belanghebbende en de (geweigerde) gemachtigde, hoeft de belastingr echter
dit niet schriftelijk te doen. Indien de belastingr echter mondeling op de zitting mededeelt dat de gemachtigde niet (meer)
welkom is, dan is dat voldoende. Indien de weigering plaatsvindt op zitting, zal dit wel schriftelijk wor den vastgelegd in het
proces-verbaal van de zitting. Indien de weigering niet op zitting plaatsvindt, maar op een ander moment, dan is het
1
2
3
4
5
6
7

gebruikelijk dat de r echter ook de wederpartij door middel van een afzonderlijk e mededeling van de weigering op de
hoogte brengt.
Er staat geen dir ect rechtsmiddel open tegen de beslissing van de belastingr echter om een gemachtigde te weigeren. De
beslissing kan wel tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak wor den aangevochten (art. 8:104,
lid 3, sub b, Awb). Het pr obleem voor de geweigerde gemachtigde is dat hij op dat moment niet meer zijn cliënt
vertegenwoor digt. De geweigerde gemachtigde is feitelijk in de eer dere fase van de pr ocedure al ‘buitenspel’ ge zet. Het
kunnen aanvechten van de beslissing in de hoofdzaak biedt voor de ge weigerde gemachtigde dan ook geen
rechtsbescherming.
4. Ernstige be zwaren
Zowel art. 2:2 Awb als art. 8:25 Awb spr eekt over ‘ernstige be zwaren’. Op het moment dat een van de pr ocespartijen
ernstige bezwaren heeft tegen de vertegenwoor diger van zijn wederpartij, zal hij concr eet moeten aangeven waaruit die
ernstige bezwaren bestaan.
Over art. 2:2 Awb en art. 8:25 Awb en de daarin genoemde ernstige be zwaren is maar weinig jurisprudentie te vinden. Het
lijkt er dan ook op dat slechts in uitzonderlijk e gevallen van de ze regeling gebruik wor dt gemaakt, precies zoals de wetge ver
voor ogen had. Hierna zal ik ingaan op de ‘ ernstige bezwaren’ zoals die de laatste twee decennia in de jurisprudentie aan de
orde zijn gek omen.
4.1. Het doen van grie vende uitlatingen
In een UWV-procedure had een gemachtigde verwe zen naar de Tweede Wereldoorlog, waarbij hij de woor den Sperrgebiet
en Ausweis bitte gebruikte. Hij ver geleek de handelingen van het bestuursor gaan met misdaden uit de Tweede
Wer eldoorlog. De Afdeling bestuursr echtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) vond dat in een der gelijk geval
het bestuursor gaan tot de conclusie k on komen dat spr ake was van ernstige be zwaren.
Het bestuursor gaan had in deze procedur e echter niet eerst een waarschuwing gege ven aan de gemachtigde. Aangezien
het weigeren van een gemachtigde zo ’n ingrijpende maatr egel is, brengt de zor gvuldigheid wel mee dat pas gebruik wor dt
gemaakt van de bevoegdheid om iemand te weiger en, indien deze persoon op geschikte wijze is ge waarschuwd. Het besluit
om de gemachtigde te weigeren was hierdoor in deze procedur e in strijd met het algemene r echtsbeginsel dat een besluit
zorgvuldig moet wor den genomen.
4.2. Het doen van beledigende en bedr eigende uitlatingen
In een procedure bij de Rechtbank Den Haag was de gemachtigde wel eerst ge waarschuwd voor het niet langer tolereren
van de handelwijze van de gemachtigde tegeno ver de medewerkers van de Belastingdienst. De gemachtigde zou zich
tegeno ver de mede werkers van de Belastingdienst discriminer end en beledigend hebben uitgelaten. Bij die waarschuwing
is gewezen op de mogelijkheid van weigering op de gr ond van art. 2:2 Awb.
Vervolgens deed zich opnieuw een incident voor, waarbij de gemachtigde een mede werker zou hebben bedr eigd met de
woorden ‘ik wur g je’ en ver der zou de gemachtigde hebben ge zegd dat de medewerker een klap k on krijgen. De
gemachtigde wer d vervolgens door de Belastingdienst voor drie maanden ge weigerd.
De gemachtigde ontk ende deze woorden te hebben ge zegd. Er waren echter wel meer dere ander e incidenten ge weest die
de gemachtigde ook op zitting had be vestigd en toegelicht. De rechtbank oordeelde dat door de waarschuwing de
gemachtigde e xtra op zijn hoede had moeten zijn in zijn contacten met (mede werkers van) de Belastingdienst. In de
‘ernstige be zwaren’ leest de r echtbank dat het oog van de wetge ver mede gericht is geweest op min of meer structur ele
tekortk omingen van een gemachtigde. De r echtbank achtte het toelaatbaar om iemand te weiger en als gemachtigde in een
ruimer kader dan dat van één dossier of één concrete bestuurlijke aangelegenheid.
4.3. Verdacht wor den van of (al dan niet onherr oepelijk) veroordeeld zijn voor fiscaal str afrechtelijk e
delicten
Op het moment dat een gemachtigde (al dan niet onherr oepelijk) is veroordeeld voor of ver dacht wordt van fiscaal
strafr echtelijk e delicten volgt uit de diverse uitspr aken dat dit als een ernstig be zwaar kan worden gezien op gr ond waarvan
een gemachtigde kan wor den geweigerd. Ook dan is het niet noodzak elijk om de weigering te beperk en tot één dossier of
één concrete bestuurlijk e aangelegenheid.
8
9
10
11

In een procedure bij het Hof Arnhem-Leeuwar den ging het om een gemachtigde die voor afgaand aan die procedure
strafr echtelijk door hetzelfde ger echtshof was veroordeeld. Aan de gemachtigde was in de str afrechtelijk e procedur e een
beroepsverbod opgelegd: voor de duur van vijf jar en mocht hij niet meer het beroep van belastingadviseur uitoefenen.
Ondanks dat de gemachtigde tegen de ze uitspraak beroep in cassatie had ingesteld en de uitspr aak op dat moment dus
nog niet onherroepelijk vaststond, nam dit naar het oor deel van het gerechtshof niet weg dat in de ze situatie sprake was
van ‘ ernstige be zwaren’. Het ger echtshof achtte de weigering geboden, gelet op de ernst van de door de str afkamer van het
gerechtshof be wezen verklaar de strafbare feiten, de eer dere ver oordeling van de gemachtigde voor soortgelijk e strafbar e
feiten, de r ecidivekans en de omstandigheid dat de gemachtigde ter ter echtzitting van de strafkamer van het gerechtshof
geen blijk ervan heeft gege ven dat hij te dezen verantwoor delijkheid neemt. De Hoge Raad heeft o verigens in de
strafpr ocedur e uiteindelijk de bestr eden uitspraak vernietigd voor wat betr eft het beroepsverbod.
In een procedure bij de Rechtbank Den Haag ging het niet om een (herr oepelijke) veroordeling, maar om een ver denking
van medeplegen van of medeplichtigheid aan belastingfr aude door de betreffende gemachtigde. De ver denkingen waren
volgens de rechter overigens wel ernstig en met voldoende feiten onderbouwd. De r echtbank achtte de weigering door de
Belastingdienst voor een bepaalde tijd onder deze omstandigheden gerechtvaardigd.
In een pr ocedure bij de Rechtbank Rotter dam ging het om een gemachtigde die tegeno ver opsporingsinstanties had
bekend verschillende malen onjuiste aangiften te hebben gedaan. De vertr ouwensrelatie met de Belastingdienst was
hierdoor ernstig geschaad. De r echtbank achtte de weigering door de Belastingdienst die niet beperkt was in tijd onder
deze omstandigheden ger echtvaardigd.
4.4. Het niet dienen van belangen van de cliënt
In een pr ocedure bij de Rechtbank Assen ging het om een gemachtigde die niet de belangen van de betr effende cliënt
diende. Hij had hoge declaraties ingediend, beslag gelegd onder de cliënt om een betaling te kunnen verkrijgen en
gesuggereerd dat r echtsbijstand door een ander was uitgesloten. De ze handelwijze is volgens de rechtbank niet zoals deze
van een goed hulpverlener mag worden verwacht. De r echtbank achtte de weigering (op het ene specifiek e dossier) om die
reden ger echtvaardigd.
5. Belastingadviseurs versus advocaten
In lid 3 van art. 2:2 Awb en art. 8:25 Awb is opgenomen dat bijstand of vertegenwoor diging door advocaten niet kan worden
geweiger d. Waarom kunnen belastingadviseurs wel door de Belastingdienst en belastingr echters worden geweigerd en
advocaten niet?
De reden hiervoor is dat tuchtr echtspraak voor belastingadviseurs in tegenstelling tot de tuchtr echtspraak voor advocaten
niet wettelijk is ger egeld. Bij belastingadviseurs die zijn aangesloten bij ber oepsorganisaties als het RB of de NOB gaat het
dus niet om wettelijk tuchtr echt, maar om ‘slechts verenigingstuchtr echt’. Bovendien zijn belastingadviseurs niet verplicht
om zich bij een or ganisatie van belastingconsulenten of belastingadviseurs aan te sluiten en derhalve zijn ze niet zonder
meer aan gedragsregels onderworpen.
Indien spr ake is van een gemachtigde die niet is aangesloten bij enige ber oepsorganisatie, zal de r echter overigens wel
toetsen of diegene handelt zoals dat van een pr ofessioneel handelende gemachtigde mag worden verlangd en dat hij zich
gedraagt naar hetgeen gebruik elijk is in de beroepsgroep waartoe hij behoort. In zoverre speelt het
verenigingstuchtr echt dus nog wel een r ol bij het weigeren van een gemachtigde.
Met het wettelijk tuchtr echt beoogt de wetgever maatschappelijke belangen te beschermen. Het wettelijk ger egelde
tuchtrecht voor advocaten wor dt als waarborg gezien voor een juist optr eden van de advocaat. Bij ‘ernstige be zwaren’
jegens een advocaat moet om die r eden de route via de tuchtr echter worden bewandeld. Ondanks dat het tuchtr echt van
zowel de RB als NOB net als de Advocatenwet ook voorziet in sancties als schorsing en schr apping, is dit niet voldoende.
Zolang een wettelijke regeling voor belastingadviseurs ontbr eekt en zolang niet vaststaat wat onder belastingadviseur moet
worden verstaan, kunnen ook de meest bekwamen onder hen in dit verband niet met advocaten wor den gelijkgesteld.
6. Art. 6 EVRM: een raadsman naar eigen k euze?
Art. 6 EVRM bepaalt dat ieder een recht heeft op een eerlijk e en openbare behandeling door een be voegde, onafhankelijke
en onpartijdige bij de wet ingestelde r echterlijke instantie, bij het bepalen van de gegr ondheid van een tegen hem
ingestelde strafvervolging of het vaststellen van zijn bur gerlijke rechten en verplichtingen in een r echtsgeding. Art. 6 EVRM
beschermt dus onder andere bij vervolging (criminal charge) het recht op een eerlijk pr oces (fair trial). In lid 3 van art. 6
12
13
14
15
16
17
18
19
20

EVRM wordt een aantal bijzonder e rechten opgesomd voor ieder een tegen wie een vervolging is ingesteld. Een van de ze
rechten is het r echt om (sub c) daarbij de bijstand te hebben van een r aadsman naar eigen keuze. Art. 48 Handvest van de
grondr echten van de Eur opese Unie biedt een ver gelijkbare bescherming als art. 6, lid 2 en 3, EVRM, zij het dat art. 6, lid 3,
EVRM de ze rechten pr eciezer uitwerkt. Bij art. 48 Handvest gebeurt dit in de toelichting.
Volgens vaste r echtspraak van het EHRM vallen belastinggeschillen in beginsel niet onder de werkingssfeer van art. 6 EVRM.
De waarbor gen van art. 6 EVRM str ekken zich echter wel uit tot belastinggeschillen waarbij een link is met een str afzaak,
alsook tot gevallen waarin spr ake is van een bestuurlijk e boete op grond van de Nederlandse belastingwetge ving. Het
gaat hierbij om zowel vergrijp- als verzuimboetes. Deze boetes zijn instrumenten die onmisk enbaar een bestraffend
karakter dr agen.
Voor belastinggeschillen waarbij geen link is met een str afzaak of een bestuurlijke boete biedt mogelijk art. 47 Handvest
nog een vergelijkbare bescherming. De k ern van art. 47 Handvest is het r echt op een doeltreffende voorziening in r echte,
een behandeling binnen een r edelijke termijn en een onpartijdig ger echt. Het artikel toont daarmee gr ote gelijkenis met art.
6, lid 1, EVRM. In art. 47 Handvest is e veneens opgenomen dat eenieder de mogelijkheid heeft om zich te laten adviser en,
verdedigen en vertegenwoor digen. Betekent dit impliciet een r aadsman naar eigen k euze? In (de toelichting op) de ze
bepaling is niet opgenomen – zoals dat in de toelichting bij art. 48 Handvest wel gebeurt – dat iemand r echt heeft op een
raadsman naar eigen k euze. Het lijkt mij voor de hand liggen, maar de e xacte vertaalslag ontbreekt helaas.
Het EHRM is van oordeel dat voor het antwoor d op de vraag of een pr oces als eerlijk (fair) kan wor den gekwalificeerd het
proces in zijn totaliteit dient te wor den beoordeeld. Indien bijvoorbeeld het r echt om bijstand te hebben van een r aadsman
naar keuze wor dt geschonden, kan dit ertoe leiden dat de pr ocedure niet meer als eerlijk wor dt gekwalificeerd. Uit de
rechtspr aak van het EHRM volgt echter niet dat door schending van een voorschrift (uit lid 2 of 3) van art. 6 EVRM een
procedur e daardoor automatisch unfair wor dt. Het proces wordt soms toch geaccepteer d. Het proces dient dan in zijn
totaliteit fair te zijn ge weest. De verdediging moet zodanig compenser ende maatregelen aangeboden krijgen, dat het
proces als geheel kan wor den aangemerkt als fair.
Naar mijn mening wordt het doel van art. 6 EVRM nagestr eefd indien de gemachtigde wordt geweiger d op de gr ond
‘e vidente en ernstige ondeskundigheid’ of ‘het niet dienen van de belangen van de cliënt ’. De positie van de cliënt zal door
de weigering van deze onkundige gemachtigde in ieder ge val niet slechter worden. Een weigering op basis van de ze twee
gronden kan dan ook geen strijd ople veren met art. 6 EVRM. Door het weiger en van een dergelijke gemachtigde lijkt mij dat
juist uitvoering wor dt gegeven aan art. 6 EVRM.
De positie van de cliënt kan naar mijn mening wel slechter wor den indien de gemachtigde wordt geweiger d om ander e
redenen. V ooropgesteld: ik k eur een gemachtigde die ander en bedreigt of zich grie vend uitlaat af. Echter, de ze gemachtigde
kan bezitten o ver grote (dossier)k ennis en een briljant vertegenwoor diger zijn. Hetzelfde geldt voor gemachtigden die
worden ver dacht van dan wel zijn ver oordeeld voor str afbare feiten. V ooral het weiger en van gemachtigden die nog niet
onherroepelijk zijn ver oordeeld voor str afbare feiten is naar mijn mening discutabel. Indien een gemachtigde met gr ote
(dossier)kennis wor dt geweiger d, kan dit een behoorlijk e aderlating zijn voor het pr oces van de cliënt. Een eventuele nieuwe
gemachtigde zal zich bovendien moeten inlezen, met alle benodigde tijd en k osten van dien. Afhankelijk van de
omstandigheden van het ge val en het al dan niet aanbieden van compenser ende maatregelen kan een weigering op basis
van deze gronden dan ook strijdig zijn met art. 6 EVRM.
7. Conclusie
De (plaatsvervangende) dir ecteur bij de Belastingdienst of de belastingr echter mag bij het weigeren van een gemachtigde
niet over één nacht ijs gaan: tegen de persoon in kwestie moeten in een der gelijk geval ernstige be zwaren bestaan. Het
moet hierbij gaan om uitzonderlijk e gevallen zoals e vidente en ernstige ondeskundigheid of het herhaaldelijk verstor en van
de normale gang van zaken. Uit de rechtspraak volgt dat spr ake kan zijn van ernstige be zwaren op het moment dat de
gemachtigde zich bedr eigend of herhaaldelijk grie vend uitlaat, de gemachtigde (al dan niet onherr oepelijk) is veroordeeld
voor dan wel wor dt verdacht van fiscaal str afrechtelijk e delicten of als de belangen van de cliënt niet wor den gediend. Voor
zover er in een belastinggeschil een link is met een str afzaak dan wel indien sprake is van een ver grijp- of verzuimboete,
dient bij het weiger en van een gemachtigde ook r ekening te wor den gehouden met (de waarbor gen van) art. 6 EVRM. Op
grond van dit artik el heeft de fiscale boeteling r echt op bijstand van een raadsman naar eigen keuze. Is er geen sprake van
een (fiscale) boeteling, dan biedt art. 47 Handvest mogelijk nog een ver gelijkbare ‘fairness’. Het weiger en van een
gemachtigde op gr ond van art. 2:2 Awb en art. 8:25 Awb maakt een inbr euk op het recht op een r aadsman naar eigen
keuze. Afhank elijk van de omstandigheden van het ge val en de compensatie die hierbij wordt geboden, kan een weigering
op deze gronden strijdig zijn met art. 6 EVRM.
21
22
23
24
25

Mr. C.E. van Dijk *
*Mr. C.E. van Dijk is werkzaam bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen.
1) Eerder schr eef C.E. van Dijk o ver dit onderwerp het hoofdstuk ‘De ge weigerde gemachtigde ’ in het boek De
belastingadviseur onder vuur, enige beschouwingen uit de pr aktijk en de wetenschap, De Bont Advocaten, Amsterdam
2015.
2) Kamerstukken II, 1988-89, 21221, nr. 3 (MvT).
3) Besluit staatssecr etaris van Financiën 9 mei 2017, nr. 2017-1209 (onder deel 5).
4) Kamerstukken II, 1988-89, 21221, nr. 3 (MvT).
5) Zie in dit kader ook Rb. Amster dam 2 juni 1998, nr. 98/3384.
6) Besluit staatssecretaris van Financiën 9 mei 2017, nr. 2017-1209 (onder deel 5).
7) Zie in dit kader Rb. Breda 31 augustus 2007, nr. 07/03351 en Rb. Br eda 29 januari 2007, nr. 07/00095.
8) Kamerstukken II, 1996-1997, 25175, nr. 3 (MvT).
9) ABRvS 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8699.
10) ABRvS 29 no vember 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3244.
11) Rb. Den Haag 6 april 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5791.
12) Hof Arnhem-Leeuwar den 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5319.
13) Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4206.
14) HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2023.
15) Rb. Den Haag 9 juli 2004, ECLI:NL:RBSGR:2004:A Q6542.
16) Rb. Rotterdam 8 april 1994, ECLI:NL:RBRO T:1994:AH5845, zie ook V-N 1994/1438, 4.
17) Rb. Assen, ECLI:NL:RBASS:1994:ZF1502.
18) Rb. Den Haag 6 april 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA5791.
19) Zie ook Kamerstukken II, 1954-1955, 3704, nr. 4 en Kamerstukk en II, 1955- 1956, 3704, nr. 5.
20) Kamerstukken II, 1955-1956, 3704, nr. 5.
21) EHRM 9 december 1994, BNB 1995, 113 (Schouten en Meldrum) en EHRM 12 juli 2001, BNB 2005, 222 (Ferr azzini versus
Italy).
22) EHRM 27 september 2011, BNB 2012, 294 (Hrdalo tegen Kroatië), EHRM 5 april 2012, AB 2012, 323 (Chambaz tegen
Zwitserland) en EHRM 21 februari 1984, NJ 1988, 937 (Öztürk).
23) Zie in dit kader M. W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijk e boetes en het recht op een behoorlijk pr oces, Kluwer, Deventer 2002,
par. 5.2.3 en EHRM 23 no vember 2006, BNB 2007, 150 ( Jussila).
24) EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96, NJ 2004, 473 (Coëme) en M. W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijk e boetes en het recht op
een eerlijk proces, Kluwer, De venter 2002.
25) EHRM 24 juni 2003 (Do wsett), EHRM 26 maart 1996 (Doorson) en M. W.C. Feteris, Fiscale bestuurlijk e boetes en het recht
op een behoorlijk pr oces, Kluwer, Deventer 2002, par. 2.4.8.

Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie