Voortvarendheidseis geldt ook bij navordering i.v.m. verzwegen bankrekeningen buiten EU

  

Voortvarendheidseis geldt ook bij navordering i.v.m. verzwegen bankrekeningen buiten EU

Datum: 10-04-2014
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF



COMMENTAARVAN DER VEGT1
Wanneer een belastingplichtige en de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst sluiten ter beëindiging van een tussen hen bestaand geschil, dan zijn beide partijen aan die overeenkomst gebonden. Uiteraard moet de overeenkomst welrechtsgeldigzijngesloten.Datwashierhetgeval.Hethof verwerpt namelijk het kennelijk niet verder onderbouwde betoog van belanghebbende dat sprake zou zijn geweest van fraude,hetgeendoorhethofisvertaaldineenberoepopeen van de ontbindingsgronden dwaling of bedrog. Het is vaste rechtspraak dat de inspecteur een primitieve aanslag die hij ten onrechte naar een te laag bedrag heeft opgelegd omdat geen rekening is gehouden met de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, met een navorderingsaanslag mag herstellen. De belastingplichtige kan dan geen beroep doen op een ambtelijk verzuim, zie HR 4 december 1991, nr. 27.589, BNB 1992/61 en HR 2 juni 1993, nr. 28.294, BNB 1993/296. Die rechtspraak is gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid tussen de partijen die de overeenkomst sluiten. Welmoetvaststaandathetbelanghebbendebijdeontvangst van de aanslag direct duidelijk moet zijn geweest dat de aanslag onjuist is omdat geen rekening is gehouden met de vaststellingsovereenkomst. Het hof oordeelt dat dit het geval is.Daarmeevalthetdoekvoorbelanghebbende.Deinspecteur mocht volgens het hof navorderen, zowel op grond van de genoemde rechtspraak als op grond van art. 16, lid 2, onder-deel c, AWR, op basis waarvan de inspecteur een fout in de aanslag binnen twee jaar mag herstellen. Bij dat laatste oor-deel wil ik nog wel een kanttekening plaatsen. Art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR is ingevoerd om onder meer de schrijf- en tikfoutenjurisprudentie te codificeren en herstel van andere fouten mogelijk te maken. In het hierboven genoemde arrest van 2 juni 1993 oordeelde de Hoge Raad nu juist dat in een dergelijk geval geen sprake is van een schrijf- of tikfout. Ik vraag me dan ook af of hier wel echt sprake is van een fout in de zin van art. 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Aan de uiteinde-lijke uitkomst doet dit echter niet af nu de inspecteur al op
grond van de genoemde rechtspraak kon navorderen.
NTFR 2014/1098 Formeel belastingrecht
Navorderingsaanslagen bekenner Amerikaan-
se effectenrekening zijn niet voortvarend op-
gelegd


Hof Den Haag 17 juli 2013, 12/00702, MK, Uitspraak Hof ECLI:NL:GHDHA:2013:5078
Belastingjaar/tijdvak: 1998-2004 Wetsartikelen: Art. 16 lid 4, AWR; Art. 57, EG-Verdrag; Art. 56, VWEU
Samenvatting
Belanghebbende heeft in 1993 en 1998 een Amerikaanse effectenrekening geopend en zij heeft die rekeningen niet in haar aangiften aangegeven. Eind 2009 is belanghebbende ingekeerd, waarna met dagtekening 29 juli 2010 aan belang-hebbende een navorderingsaanslag over 2005 is opgelegd. Hierin is onder meer de nagevorderde inkomstenbelasting over 1998 t/m 2004 en de nagevorderde vermogensbelasting over 1999 en 2000 begrepen. In geschil was onder meer of de inspecteur van de verlengde navorderingstermijn gebruik mocht maken. Het hof beslist, anders dan de rechtbank, dat de standstillbepaling van art. 57 EG-Verdrag hier niet van toepassing is. Het hof oordeelt voorts dat de inspecteur voor de jaren 2003 en 2004 niet voortvarend heeft gehan-deld. Uit de tot de gedingstukken behorende schermprints van het Renseignementen Informatie Systeem (RIS) leidt het hof af dat de renseignementen voor de jaren 2003 en 2004, op 5 november 2008 in het RIS beschikbaar waren en door de inspecteur konden worden geraadpleegd. De inspec-teur heeft dit ter zitting bevestigd. Hij heeft voorts ter zit-ting verklaard dat bij het opleggen van een aanslag voor een bepaald jaar enkel de renseignementen met betrekking tot dat jaar worden geraadpleegd en beoordeeld. Aangezien de renseignementen duidelijk betrekking hadden op belang-hebbende en daarbij de vermelde bedragen en hun specifi-catie aanleiding gaven tot nader onderzoek, is het tijdsver-loop tussen 5 november 2008 en de eerste brief van de in-specteur op 13 januari 2010 te lang om nog te kunnen spreken van voortvarend handelen van de inspecteur.
(Hoger beroep gegrond.)
COMMENTAARI.R.J. THIJSSEN 1
In het Verdrag van Rome uit 1957 is de vrijheid van kapitaal-verkeer opgenomen om (op termijn) alle beperkingen in het kapitaalverkeeropteheffen.Uiteindelijkwerdpas36jaarlater devrijheidvankapitaalverkeerverankerdin(art.73Bvan)het Verdrag van Maastricht uit 1993. Vervolgens is deze bepaling via art. 56 EU-Verdrag (Verdrag van Amsterdam uit 1999) uiteindelijk terechtgekomen in het huidige art. 63 VWEU (Verdrag van Lissabon uit 2009). De vrijheid van kapitaalver-keer is (als enige vrijheid) op grond van art. 63 VWEU ook van toepassing op het kapitaalverkeer met derde landen. Uitzonderingopdevrijheidvankapitaalverkeertussenlidsta-ten en derde landen vormt art. 64 VWEU (voorheen art. 57
1Mr. J.M. van der Vegt is werkzaam bij KPMG Meijburg & Co.1Mr. I.R.J. Thijssen is verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkun-digen.
Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht10 april 201425
FORMEEL BELASTINGRECHT2014/1098

EU-Verdragenart.73CVerdragvanMaastricht),dezogenoem-de standstillbepaling, waarin is bepaald dat belemmeringen die reeds op 1 januari 1993 bestonden op het gebied van ‘di-recteinvesteringen,metinbegripvaninvesteringeninonroe-rende goederen, vestiging, het verrichten van financiële dienstenofdetoelatingvanwaardepapierentotkapitaalmark-ten’ in het kapitaalverkeer met derde landen, gehandhaafd mogen blijven. Deverlengdenavorderingstermijnvanart.16,lid4,AWRwas reeds ingevoerd vóór 1 januari 1993. Voor het aanhouden van een bank- en/of effectenrekening in derde landen (i.c. de Verenigde Staten) is het dus de vraag of dit valt onder de in de standstillbepaling genoemde uitzondering voor ‘directe investeringen, met inbegrip van (…) het verrichten van finan-ciële diensten’ als gevolg waarvan belanghebbende zich niet kan beroepen op de uit art. 63 VWEU voortvloeiende vrijheid van kapitaalverkeer. Rechtbank Den Haag oordeelde in het onderhavige geval dat het aanhouden van een effectenreke-ning in een derde land moet worden aangemerkt als ‘financi-ële dienstverlening’ en dat de standstillbepaling van toepas-sing is. Aan de beoordeling of de inspecteur voortvarend te werkisgegaan,wordtdannietmeertoegekomen(Rechtbank Den Haag 24 juli 2012, nr. 11/00949, NTFR 2012/2240). In de onderhavige (pas laat gepubliceerde) uitspraak oordeelt Hof Den Haag evenwel onder verwijzing naar het arrest Sanz de Lera(HvJ14december1995,zaakC-163/94e.a.)integenover-gestelde zin. Uit toepassing van dat arrest volgt volgens het hof dat de verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4, AWR een te algemene (of ruime) werking heeft en daardoor niet onder de standstillbepaling van art. 64 VWEU zou vallen. Het probleem dat zich voordoet bij toepassing van de standstillbepaling is dat een definitie van ‘directe investerin-gen, met inbegrip van (…) het verrichten van financiële dien-sten’ ontbreekt. Wat betreft de invulling van art. 63 VWEU (vrijheid van kapitaalverkeer) hanteert het HvJ indicatief de nomenclatuur van het kapitaalverkeer opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 88/361/EEG (zie o.a. HvJ 12 december 2006, zaak C-446/04 (Test Claimants II), punt 179, NTFR 2007/125), maar het is de vraag of diezelfde nomenclatuur (met daarin opge-nomendertiencategorieënvankapitaalverkeer)ookindicatief kan worden gebruikt voor de invulling van art. 64 VWEU (standstillbepaling). Uit het door het hof aangehaalde arrest Sanz de Lera zou kunnen worden afgeleid dat de in de standstillbepaling opgenomen uitzonderingen op de vrijheid van kapitaal dermate nauwkeurig zijn geformuleerd dat deze zich niet lenen voor een extensieve interpretatie aan de hand van de in de nomenclatuur genoemde categorieën van kapi-taalverkeer.Daarvaltveelvoortezeggenomdatdehoofdregel toch is dat het kapitaalverkeer (ook met derde landen) zo min mogelijk moet worden beperkt en daar past bij dat eventuele uitzonderingen op deze hoofdregel zo beperkt mogelijk wor-den uitgelegd. Maar uiteindelijk zal de Hoge Raad hierover
een knoop moeten doorhakken en daartoe heeft de Hoge
Raad zich tot op heden nog niet bereid getoond. Weliswaar haddeHogeRaadin2010dekansomduidelijkheidoverdeze
kwestie te geven in zijn arrest van 9 april 2010 (nr. 07/10306,
NTFR 2010/1011), maar hij heeft daar toen geen gebruik van gemaakt. Sindsdien laat de lagere rechtspraak de meest uit-eenlopende opvattingen zien over de toepassing van de standstillbepaling (vgl. Rechtbank Noord-Holland 26 maart 2013, nr. 11/01029, NTFR 2013/1057 en met een andersluiden-
de opvatting Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2013, nr.
12/00650, NTFR 2013/1283). Allemaal zeer lezenswaardige uitspraken,waarindoordedesbetreffendehovenenrechtban-ken wordt aangegeven dat de daarin vervatte oordelen niet boven redelijke twijfel verheven zijn. De rechtseenheid is echterniethiermeegediend,nogafgezienvandeprocedures die deze rechtsonzekerheid teweegbrengt.
Voor het overige valt op het gebrek aan voortvarendheid waarmee de navorderingsaanslag is opgelegd aan een zoge-noemdeinkeerder.Aangezienhetaantalinkerendezwartspaar-ders de laatste maanden explosief is toegenomen als gevolg vandetijdelijkeverruimingvandeinkeerregeling(besluitvan 2 september 2013, nr. BLKB2013/509M, NTFR 2014/243), zou ikmijkunnenvoorstellendatdestaatssecretarisextracapaci-teit heeft vrijgemaakt om een meer voortvarende aanpak mogelijk te maken.
NTFR 2014/1099 Formeel belastingrecht
Beroepen zijn uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken
Hof Den Bosch 23 januari 2014, 13/00290,13/00291en13/001146,MK,UitspraakHof ECLI:NL:GHSHE:2014:161
Belastingjaar/tijdvak: 2003-2005 Wetsartikelen: Art. 7:900, BW
Samenvatting
Belanghebbende en de inspecteur hebben hangende een beroep in 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten betreffende de waardering van door belanghebbende ver-huurde onroerende zaken. Naar aanleiding van de gesloten vaststellingsovereenkomst trekt belanghebbende het beroep bij de rechtbank in. Twee jaar later verzoekt de gemachtigde van belanghebbende de rechtbank de zaak opnieuw in be-handeling te nemen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk omdat er geen reden is aan te nemen dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de daarmee verbonden intrekking op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. In hoger beroep oordeelt het hof dat belanghebbende het beroep uitdrukke-lijk en ondubbelzinnig heeft ingetrokken. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de vaststellingsover-eenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.
(Hoger beroep ongegrond.)
COMMENTAARH. DE JONG1
De vaststellingsovereenkomst is gedefinieerd in art. 7:900 BW. Het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is een privaatrechtelijke rechtshandeling, maar de overeenkomst heeftpubliekrechtelijketrekken.Devaststellingsovereenkomst wordt gesloten ter beëindiging of voorkoming van onzeker-
heidofgeschilomtrenthetgeentussenpartijenrechtensgeldt.
1Mr. H. de Jong is werkzaam als gerechtssecretaris bij het Gerechtshof Leeuwarden.
2610 april 2014Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
2014/1099
FORMEEL BELASTINGRECHT



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op