Deponering informatiebeschikking in brievenbus gelijk aan toezending of uitreiking

  

Deponering informatiebeschikking in brievenbus gelijk aan toezending of uitreiking

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 02-12-2016
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

HR, 2 december 2016, 16/00436, ECLI:NL:HR:2016:2731
Deponering informatiebeschikking in brievenbus gelijk aan toezending of uitreiking
SAMENVATTING
X drijft een onderneming (taxibedrijf). Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur op 13 maart 2013 ten aanzien van X een informatiebeschikking vastgesteld wegens het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen. X heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt bij brief van 6 augustus 2013, door de Inspecteur ontvangen op 8 augustus 2013. De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. X stelt dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt omdat de informatiebeschikking hem pas op 11 juli 2013 bekend is geworden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is het bezwaar echter terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het acht aannemelijk dat een medewerker van de Belastingdienst de informatiebeschikking op 19 maart 2013 persoonlijk in de brievenbus van X heeft gedeponeerd. Dit is op één lijn te stellen met toezending of uitreiking als bedoeld in artikel 3:41, lid 1, Awb. X heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond. Tot toezenden of uitreiken van een besluit in de zin van artikel 3:41 Awb moet mede worden gerekend het deponeren door (een medewerker van) de Inspecteur van een besluit in de brievenbus van het adres van de belanghebbende. Het besluit heeft in dat geval de belanghebbende op overeenkomstige wijze bereikt als bij niet-aangetekende verzending per post of per koerier. Dat de informatiebeschikking op 19 maart 2013 door een medewerker van de Belastingdienst in de brievenbus van X is gedeponeerd, staat in cassatie niet meer ter discussie.

NOOT
Met dit arrest wordt ‘uitreiking of toezending’ als bedoeld in artikel 3.41 Awb een klein beetje opgerekt omdat deponering van een besluit door een controlemedewerker van de Belastingdienst in de brievenbus van belanghebbende aan uitreiking wordt gelijkgesteld, nu daardoor op gelijke wijze kennis kan worden genomen van de inhoud van een besluit. Een begrijpelijk en pragmatisch oordeel. Je kunt je wel afvragen of ‘rekenen tot’ (gelet op de motivering van de Hoge Raad) inderdaad juister is dan ‘op één lijn stellen met’ (zoals het Hof had gedaan).
Meer vraagtekens kunnen worden gezet bij het oordeel over de aannemelijkheid van de deponering door de Inspecteur. Daar zit natuurlijk de crux in dergelijke discussies. In cassatie, zoals de Hoge Raad ook overweegt, is een oordeel over aannemelijkheid echter zozeer verweven met de aan het Hof voorbehouden keuze van de bewijswaarde van feiten, dat zo’n oordeel niet (gemakkelijk) te casseren is. Desondanks, en daarom hierover een enkel woord, acht ik de gang van zaken discutabel en een buitengewoon slechte ontwikkeling die geen verdere navolging verdient. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waar de Hoge Raad naar verwijst, waarbij het overigens niet ging om een voor bezwaar vatbare beschikking, is de feitelijke achtergrond helder: na een vermoeden van uitkeringsfraude wordt betrokkene tijdens een huisbezoek bij herhaling niet aangetroffen als gevolg waarvan de handhavingsspecialist een oproepingsbrief achterlaat. Een geloofwaardig verhaal. Waarom de controlemedewerker er in deze casus voor koos om de informatiebeschikking zelf in de brievenbus van belanghebbende te deponeren, om daar twee dagen later (vergezeld door een collega) terug te keren en vervolgens in de brievenbus te kijken (die was leeg) en er een controlerapport in achter te laten, is mij (afgezien dat de inhoud daarvan belanghebbende aanging) niet duidelijk. Ongebruikelijk lijkt het me zeker.
Uit de uitspraak van het Hof[1] blijkt jammer genoeg niet wat in de ‘agenda’ en de sms-berichten heeft gestaan, die hebben bijgedragen aan de aannemelijkheid van de gang van zaken. Waarom zijn de stukken niet gewoon toegezonden? Waarom gaat de controlemedewerker een paar dagen later zelf bezorgen? Sterker nog, waarom in twee etappes, namelijk nogmaals twee dagen later met een stuk van dezelfde datum als het eerder bezorgde stuk? En waarom kon hij zich dat niet direct herinneren en moest hij in het dossier nagaan hoe de uitreiking had plaatsgehad? Gaat de medewerker met regelmaat een luchtje scheppen met een aantal poststukken? De vraag is of het in de omgekeerde situatie tot hetzelfde resultaat leidt. De jurisprudentie over de verschoonbare termijnoverschrijding wekt de indruk dat in de gevallen dat de belastingplichtige aannemelijk heeft te maken dat hij heeft verzonden (en dat het ook is ontvangen) met regelmaat vrij formalistisch en afhoudend wordt geoordeeld. Een recent nogal formalistisch oordeel over ‘uitreiking’ is bijvoorbeeld het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 12 augustus 2016[2] waarin werd geoordeeld dat betekening van een verstekvonnis aan een receptioniste op een kantoor van de Ontvanger niet kwalificeert als betekening aan de Ontvanger. Het (formalistischer) civiele ‘betekenen’ is niet helemaal gelijk te stellen aan het wat vormvrijere ‘uitreiken’ in de Awb, maar toch. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er in dit soort bewijskwesties soms met verschillende maten wordt gemeten. Ik hou er bovendien niet van dat controlemedewerkers dit soort stukken soms in persoon uitreiken en het dan niet kunnen laten om de belastingplichtige aan de deurpost nog even wat te vragen. Maar aangeven dat stukken zijn langsgebracht en in de bus zijn gestopt, is mij een procedure die te weinig met waarborgen is omkleed.
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

Bron:
Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2015, nr. 14/01117, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/7620) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende drijft een onderneming.
2.1.2.
De Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbende op 13 maart 2013 een informatiebeschikking vastgesteld wegens het niet voldoen aan verplichtingen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.1.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 6 augustus 2013 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. De Inspecteur heeft dit bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Voor het Hof was in geschil het antwoord op de vraag of het bezwaar tegen de informatiebeschikking
terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikking op 19 maart 2013 door een medewerker van de Belastingdienst in de brievenbus van belanghebbende is gedeponeerd. Naar het oordeel van het Hof is dit op één lijn te stellen met toezending of uitreiking als bedoeld in artikel 3:41, lid 1, Awb.
2.4.
Het middel keert zich tegen deze oordelen. Het betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikking op 19 maart 2013 op de hiervoor in 2.3 vermelde wijze in de brievenbus van belanghebbende is gedeponeerd. Het middel betoogt voorts dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voormelde wijze van bekendmaken in overeenstemming is met artikel 3:41, lid 1, Awb.
2.5.1.
Tot toezenden of uitreiken van een besluit in de zin van artikel 3:41 Awb moet mede worden gerekend het deponeren door (een medewerker van) de inspecteur van een besluit in de brievenbus van het adres van de belanghebbende (vgl. CRvB 30 augustus 2011, nr. 09￿3863 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BR7001), aangezien ervan moet worden uitgegaan dat door die handeling het besluit de belanghebbende bereikt, op overeenkomstige wijze als bij niet-aangetekende verzending per post of per koerier. Indien de belanghebbende de bekendmaking door deponeren in de brievenbus betwist, is het aan de inspecteur aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de belanghebbende in de brievenbus is gedeponeerd.
2.5.2.
Gelet op het hiervoor in 2.5.1 overwogene geeft ’s Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het berust voorts op het oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de informatiebeschikking op 19 maart 2013 door een medewerker van de Belastingdienst in de brievenbus van belanghebbende is gedeponeerd. Dat oordeel is, als berustende op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen, van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.

[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, 14/01117, ECLI:NL:GHARL:2015:9639.
[2] HR 12 augustus 2016, 15/01496, ECLI:NL:HR:2016:1928.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op