nl-NLen-GB

Na intrekking cassatieberoep door staatssecretaris krijgt belanghebbende een forfaitaire en geen integrale proceskostenvergoeding voor cassatiefase

Gepubliceerd in: NTFR
Datum: 24-01-2019
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2019/165


Na intrekking cassatieberoep door staatssecretaris krijgt belanghebbende een forfaitaire en
geen integrale proceskostenvergoeding voor cassatiefase; Hoge Raad, nr. 17/03991

 

Samenvatting

Na intrekking door de staatssecretaris van Financiën van het cassatieberoep in deze zaak heeft belanghebbende de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van de werkelijke proceskosten en om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de door het hof aan belanghebbende toegekende proceskosten. De Hoge Raad kent aan belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding toe voor de cassatieprocedure. Voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten ziet de Hoge Raad geen grond. De omstandigheid dat de inspecteur bij het hof niet ermee heeft ingestemd om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad arrest zou hebben gewezen in een vergelijkbare zaak is geen bijzondere omstandigheid die een integrale vergoeding rechtvaardigt. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van wettelijke rente over de door het hof  toegekende proceskosten wordt ook niet ingewilligd. Art. 29f AWR voorziet daarin namelijk niet. Belanghebbende had het hof moeten verzoeken te beslissen dat de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan.


Feiten

De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2017, nr. 15/01368, betreffende een  beschikking op een verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. Hij heeft dat beroep ingetrokken.

Geschil

Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.

Verder heeft belanghebbende verzocht de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Rechtsoverwegingen

2.1. De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken.
Belanghebbende heeft verzocht het te vergoeden bedrag te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten.

2.2. Op grond van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt een vergoeding toegekend met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. In bijzondere omstandigheden kan daarvan op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit worden afgeweken.

2.3. De omstandigheid dat de Inspecteur, zoals belanghebbende stelt, ter zitting van het Hof niet ermee heeft ingestemd met het voorstel van belanghebbende om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad arrest zou hebben gewezen in de procedure met nr. 15/05937, is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Ook overigens is niet gebleken dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, zal de Hoge Raad de vergoeding voor de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie vaststellen met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief.

2.5. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof komt niet voor inwilliging in aanmerking. Artikel 29f AWR, waarop het verzoek is gebaseerd, strekt zich niet uit tot veroordeling van de Staatssecretaris in een dergelijke vergoeding. Belanghebbende had het Hof, dat de verplichting tot vergoeding van proceskosten heeft vastgesteld, moeten verzoeken te beslissen dat de wettelijke rente gaat
lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, rechtsoverweging 2.2.3 (red. NTFR 2019/86)).

Commentaar

De reden dat belanghebbende in deze zaak een beroep deed op een integrale proceskostenvergoeding, is dat de inspecteur er bij het hof niet mee wilde instemmen om de uitkomst van een andere zaak af te wachten voordat ‘zijn’ zaak verder werd behandeld. De zaak betrof een particulier die vanwege de aanschaf van zonnepanelen als btw-ondernemer kwalificeert (en daarmee de btw op zijn panelen zou kunnen terugkrijgen). Daarover liepen meer procedures; begrijpelijk dus dat belanghebbende uit het oogpunt van kostenbesparing liever had gezien dat een andere zaak werd afgewacht. De Hoge Raad oordeelt, niet verrassend, dat dit niet genoeg is voor aanspraak op een integrale proceskostenvergoeding. De weigering een andere procedure af te wachten valt niet onder de tot nu toe uitgekristalliseerde categorieën ‘tegen beter weten in’ of ‘vergaand onzorgvuldig’. Zie ook hierna.

Een interessante vraag is in welke gevallen wél reden bestaat om een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen, en of het aantal categorieën zou moeten worden uitgebreid.

De wettelijke grondslag voor toekenning van proceskosten door de bestuursrechter ligt in art. 8:75 Awb (zie voor een uitgebreide toelichting bij dat artikel ook het NDFR-commentaar van Lammers). Wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, is het uitgangspunt dat een proceskostenveroordeling plaatsvindt. Overigens kan ook de belanghebbende in de proceskosten van het bestuursorgaan worden veroordeeld. Een natuurlijk persoon kan op grond van art. 8:75, lid 1, derde volzin, Awb echter pas in de kosten kan worden veroordeeld als hij ‘kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht’ maakt. Dat komt vrijwel nooit voor.

De hoogte van de vergoeding is als hoofdregel een forfait: art. 2, lid 1, onderdeel a, BPB bepaalt dat een geforfaiteerde vergoeding wordt toegekend. Het forfait dekt in de meeste gevallen slechts een gering deel van de echte kosten, ‘no cure no pay’-afspraken in met name WOZ-zaken daargelaten.

In ‘bijzondere omstandigheden’ kan daarvan op grond van art. 2, lid 3, BPB worden afgeweken. Wat die bijzondere omstandigheden zijn, wordt in het BPB verder niet gedefinieerd. In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 1999-2000, 27 024, nr. 16, p. 3) is in dat kader gewezen op ‘uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt’. Gedacht werd aan ‘zeer bewerkelijke zaken’, waarin de overheid nalatig is wat betreft informatievoorziening, ‘waardoor de burger uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal’.

In de jurisprudentie zijn enkele categorieën ontwikkeld waarin een meer dan forfaitaire vergoeding wordt toegekend. Het gaat om situaties waarin het bestuursorgaan:

1) tegen beter weten in heeft gehandeld (doorprocederen in kansloze zaken): ‘indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden’ (vgl. HR 13 april 2007, nr. 41.235, NTFR 2007/711);

2) in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, NTFR 2011/629).

Wel kan ik mij voorstellen dat er nieuwe categorieën worden ontwikkeld, in lijn met de doelstelling die uit de parlementaire geschiedenis blijkt: ervoor zorgen dat belanghebbenden niet met onevenredige kosten worden geconfronteerd wanneer het bestuursorgaan daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Te denken valt aan:

3) het geval van een wanverhouding tussen het belang en de kosten die belanghebbende moet maken om zijn recht te krijgen, door toedoen van het bestuursorgaan;

4) het geval van grensverkenning door het bestuursorgaan. Ook al is het ingenomen standpunt (net) pleitbaar, zodat geen sprake is van ‘tegen beter weten in’, is het dan redelijk dat wanneer het bestuursorgaan ongelijk krijgt, de kosten toch grotendeels voor rekening van belanghebbende blijven?

 

[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie