Onverklaarbare bankstortingen vormen belaste inkomsten

  

Onverklaarbare bankstortingen vormen belaste inkomsten

Datum: 01-10-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2013/2113 Onverklaarbare bankstortingen vormen belaste inkomsten
HofArnhem-Leeuwarden01oktober2013,nr.12/00638 HofArnhem-Leeuwarden01oktober2013,nr.12/00639 HofArnhem-Leeuwarden01oktober2013,nr.12/00640 Tegendezeuitspraak is cassatieaangetekend(13/05551)
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur
2005 – 2007Brondocument AWR-art. 47
AWR-art. 27e AWR-art. 25
mr. I.R.J. Thijssen
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2013:7345
Samenvatting
De inspecteur heeft,na eenbijbelanghebbende ingesteld onderzoek,hetstandpuntingenomendatbelanghebbende over eenreeks
vanjareninkomstenheeftverzwegen.Er zijnvele contante stortingenop de bankrekeningenvanbelanghebbende gedaanener zijn verschillende auto’s ge- enverkocht,waaronder eenMaserati.De inspecteur heeftbelanghebbende op de voetvanart.47 AWR verzochtom inlichtingente verstrekken,waaronder bankafschriften.Hieraanheeftbelanghebbende inde ogenvande inspecteur nietin voldoende mate voldaan.Naar aanleiding vanhetonderzoek zijnvervolgens de onderhavige belastingaanslagenopgelegd.Hethofis, nadatheteenaantalontvankelijkheidskwesties heeftbehandeld,onder meer vanoordeeldatde bewijslastmoetwordenomgekeerd en verzwaard,omdatbelanghebbende de inlichtingenplichtheeftgeschonden.Ditgeldtoverigens niet,geletop de bedoeling vande wetgever,voor de opgelegde voorlopige aanslag IB 2007.De schatting vande inspecteur op basis vaneenvermogensvergelijking acht hethofredelijk.Metde stelling vanbelanghebbende datzijgeld vanfamilie heeftgeleend,is belanghebbende volgens hethofnietinde verzwaarde bewijslastgeslaagd.Voor watbetreftde voorlopige aanslag heeftde inspecteur aannemelijk gemaaktdatsprake is van eenredelijke schatting.Eenaanbod totgetuigenbewijs wordtdoor hethoftardiefverklaard.
(Hoger beroep gegrond.)
Commentaar Thijssen[1]
Inart.8:58,lid 1,Awb is bepaald datpartijende bevoegdheid hebbenom tottiendagenvoor de zitting nadere stukkeninte dienen.Dat betekentdatop de elfde dag vóór de zitting eventuele nadere stukkendoor de rechtbank moetenzijnontvangen.Deze tiendagenregelis bedoeld om eenbehoorlijk verloop vande procedure te waarborgen.De feitenrechter kanzichzodoende goed voorbereidenop (het onderzoek op) de zitting ende wederpartijis daardoor – inovereenstemming methetbeginselvanhoor enwederhoor – instaatom adequaatop de nadere stukkente kunnenreageren.Wanneer eenpartijinstrijd metde tiendagenregelnadere stukkenindient, bijvoorbeeld door nog op de zitting stukkenover te leggenofhetbewijsaanbod te doenom na afloop vande zitting nog stukkeninte brengen,danbrengtdatnietautomatischmetzichdatde feitenrechter deze stukkenbuitenbeschouwing laat.
Hetis vaste jurisprudentie datbijschending vande tiendagenregelde Hoge Raad vande feitenrechter verlangtdathijeenafweging maakttussenenerzijds hetbelang datde inbrengende partijheeftbijhetoverleggenvandie stukken(ende redenenwaarom hijditniet ineeneerdere fase vande beroepsprocedure heeftgedaan),enanderzijds hetalgemeenbelang vaneendoelmatige procesgang.De enkele omstandigheid dateenbelanghebbende reeds voorafgaande aande beroepsprocedure inde gelegenheid is geweestde inspecteur gegevens te verschaffen,is volgens de Hoge Raad onvoldoende redenom hem inde beroepsprocedure nietalsnog de gelegenheid te gevenbewijs te leveren(HR3 februari 2006,nr.41.329,NTFR2006/213).Daarnaastoordeelde de Hoge Raad in2012 datde feitenrechter bijzijnafweging om eenter zitting gedaanbewijsaanbod aldanniettardiefte verklarenook hetverloop vanhet processuele debatvanafde bezwaarfase kanbetrekken(HR29 juni 2012,nr.11/03523,NTFR2012/1747).
Inhetonderhavige gevalheeftbelanghebbende ter zitting hetbewijsaanbod gedaanom alsnog de bankafschriftente overleggen waarom de inspecteur inde bezwaarfase alhad verzocht.Hethofoordeeltdat– geletop de rechtsstrijd tussenpartijen– belanghebbende maar ineeneerder stadium hetter zitting aangebodenbewijs had moetenoverleggen‘nudatbewijs bankafschriften betreftwaarvanoverlegging reeds bijaanvang vanhetboekenonderzoek,alsmede inde bezwaarfase nadien,door de inspecteur is verzocht’.Hethofbetrektaldus nietalleenhetverloop vande bezwaarfase,maar ook hetverloop vanhetboekenonderzoek inzijn overweging.Hethoflaathetalgemene belang vaneendoelmatige procesgang evenwelprevalerenenpasseertdanook – mijns inziens terecht– hetdoor belanghebbende ter zitting gedane bewijsaanbod als tardief.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-2113 Datum:15-4-2016 10:53:06

Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op