Rechtsmiddel kan belanghebbende wel in betere positie brengen; geen factuur met omzetbelasting ter zake van parkeervergoeding

  

Rechtsmiddel kan belanghebbende wel in betere positie brengen; geen factuur met omzetbelasting ter zake van parkeervergoeding

Gepubliceerd in: Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
Datum: 29-03-2018
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht 2018/740
Rechtsmiddel kan belanghebbende wel in betere positie brengen; geen factuur met
omzetbelasting ter zake van parkeervergoeding; Hoge Raad, nr. 17/03850
Belastingjaar/tijdvak 2015
Brondocumenten Hoge Raad 23 maart 2018, nr. 17/03850
Beroepschrift in cassatie bij HR, nr. 17/03850
Wetsartikelen Awb
Wet OB 1968 - art. 34e
Auteur Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma [1]
Publicatiedatum NTFR 29-3-2018
Afleveringsnummer 13
Rubriek Formeel belastingrecht
ECLI ECLI:NL:HR:2018:412
Formele relaties In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2196, (Gedeeltelijke) vernietiging en
zelf afgedaan
Samenvatting
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Bij bezwaar heeft belanghebbende tevens verzocht aan hem
ter zake van de parkeervergoeding een factuur met omzetbelasting uit te reiken. Hof Den Haag (18 juli 2017, nr. 17/00296, NTFR
2017/2202) heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek om uitreiking van een factuur belanghebbende niet in
een betere positie kan brengen met betrekking tot de naheffingsaanslag. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak. Het rechtsmiddel
tegen de naheffingsaanslag had belanghebbende wel in een betere positie kunnen brengen, zodat hij daarbij wel een belang heeft. Dat
de aangevoerde grond niet slaagt, doet daaraan niet af. Het beroep is derhalve ontvankelijk. Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld
dat de heffingsambtenaar geen factuur voor de omzetbelasting hoefde uit te reiken.
Feiten
2.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd wegens het parkeren
van zijn voertuig op een openbare weg binnen de gemeente.
2.1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Hij heeft in het bezwaarschrift tevens verzocht aan hem
een factuur uit te reiken die voldoet aan de in de artikelen 34c en volgende van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet
OB 1968) neergelegde vereisten, waarop behalve de parkeervergoeding een te betalen bedrag aan omzetbelasting wordt vermeld.
2.1.3. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag verminderd en het hiervoor in 2.1.2 bedoelde verzoek afgewezen.
Geschil
2.2.1. Voor het Hof was uitsluitend nog in geschil of de heffingsambtenaar gehouden is aan belanghebbende een factuur uit te reiken
met vermelding van een van de parkeervergoeding te onderscheiden bedrag aan omzetbelasting.
2.2.2. Het Hof heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Hof moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger
beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener bij dat rechtsmiddel geen belang heeft. Daarvan is sprake als het
aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking
tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen. Naar het oordeel van het Hof kan het verzoek om
uitreiking van een factuur voor de omzetbelasting als bedoeld in de artikelen 34c en volgende van de Wet OB 1968 niet worden
aangemerkt als een verzoek om een bijkomende rechterlijke beslissing, omdat belanghebbende bij dat verzoek een buiten de
naheffingsaanslag gelegen belang pretendeert.
Rechtsoverwegingen
2.3.1. De klacht richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
2.3.2. De klacht slaagt voor zover zij inhoudt dat het hoger beroep ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. Het Hof heeft
onderzoek moeten doen naar de gronden die belanghebbende heeft aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar en is tot het oordeel
gekomen dat die gronden niet konden leiden tot vernietiging van die uitspraak (vgl. HR 11 april 2014, nr. 13/01903,
ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122 (red. NTFR 2014/1259)).
2.3.3. De klacht faalt voor zover deze ertoe strekt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende een factuur had moeten uitreiken
op de wijze die is voorgeschreven in de artikelen 34c en volgende van de Wet OB 1968. Terecht heeft het Hof over dat standpunt
geoordeeld als hiervoor in 2.2.2 is weergegeven.
2.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
(Volgt vernietiging van de hofuitspraak en ongegrondverklaring van het ingestelde beroep.)
Commentaar
Belanghebbende krijgt een beetje gelijk, maar heeft daar verder niets aan. Het hof had hem ‘niet-ontvankelijk’ verklaard omdat hij
geen belang zou hebben gehad bij zijn hoger beroep, naar het oordeel van de Hoge Raad ten onrechte. Het hof knoopte aan bij het
ontbreken van ‘belang’ in de procedure: omdat hij alleen vroeg om een btw-factuur over zijn naheffingsaanslag parkeerbelasting en
daarvoor in deze procedure geen plaats is, ontbrak een rechtsgeldig belang (een mogelijkheid om in een betere positie te komen
verkeren) en dus de ontvankelijkheid. Maar de Hoge Raad oordeelt anders: belanghebbende was het niet eens met de voorgaande
beslissing en de gronden daartegen heeft het hof moeten onderzoeken, dus belanghebbende was wél ontvankelijk. Ik lees dit zo: het
hof had eventueel ambtshalve redenen (rechtsgronden) moeten aanvullen, wat tot een geslaagd hoger beroep had kunnen leiden.
Daarmee had het hoger beroep – los van wat belanghebbende aanvoerde – hem in een betere positie kunnen brengen, dus was hij
wel degelijk ontvankelijk.
Inhoudelijk levert dit echter niets op. Wat belanghebbende eigenlijk wilde – een btw-factuur – krijgt hij niet, zijn hoger beroep is
alsnog ‘ongegrond’. Ook gaat de Hoge Raad niet mee in de conclusie van A-G Ettema, die voorstelde om (ten overvloede) op te
merken’ dat de gemeente aan belanghebbende een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur als bedoeld in artikel 15, lid 1,
onderdeel a, Wet OB moet uitreiken’. Of de gemeente dat zou moeten kan in het midden blijven, aldus de Hoge Raad, die daar niet
van overtuigd blijkt.
[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2018-740
Datum: 7-5-2018 15:09:38
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers.
Niets uit NDFR mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij
elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying,
recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie