Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in bezwaarfase leidt niet tot vernietiging van douaneheffingen omdat niet is voldaan aan 'andere afloop-criterium'

  

Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in bezwaarfase leidt niet tot vernietiging van douaneheffingen omdat niet is voldaan aan 'andere afloop-criterium'

Gepubliceerd in: NTFR 2016/753
Datum: 19-02-2016
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF





NTFR2016/753 Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginselin bezwaarfase leidtniettot vernietiging van douaneheffingen omdatnietis voldaan aan 'andere afloop-criterium'
Hoge Raad19februari2016,nr.14/06588
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur
BNB
2011Brondocument CDW-art. 220
Awb-art. 7:4 Awb-art. 8:31 Awb-art. 8:42
Europeesrechtelijk kader-art. 2
Awb-art. 3:2
Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
2016/85
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:255
Formele relatiesIn cassatie op : NTFR2014/2953, NTFR2015/336, Bekrachtiging/bevestiging
Samenvatting
Belanghebbende,douane-expediteur,heeftaangifte gedaanvoor hetinhetvrije verkeer brengenvanfietsenmetoorsprong Maleisië.
Hetantifraudebureauvande EU(OLAF) heeftonderzoek ingesteld engeconcludeerd datde fietseninwerkelijkheid de oorsprong China hebben.De inspecteur heeftbelanghebbende voorafgaand aande navordering vandouanerechtenenantidumpingrechtenwel hetOLAF-rapportverstrekt,maar zonder de daarbijbehorende annexen.Pas inhoger beroep heeftde inspecteur de annexenalsnog verstrekt,zijhetmetdiverse ‘gewitte’ passages.
HofAmsterdam (20 november 2014,nr.12/00527,NTFR2014/2953) heeftgeoordeeld dathiermee aanvankelijk nietalle op de zaak betrekking hebbende stukkenter inzage zijnverstrektendatdaarmee hetUnierechtelijke verdedigingsbeginselis geschonden,maar heefthieraangeengevolgenverbondenvoor de heffingen.Volgens hethofheeftbelanghebbende nietaannemelijk gemaaktdatbij vroegtijdige informatieverstrekking eenandere uitkomstmogelijk was geweest,onder andere als gevolg vande stelling datde Maleisische autoriteitenwistenofbehoordente wetendatde goederennietvoor preferentiële behandeling inaanmerking kwamen. De Hoge Raad herhaaltdatschending totnietigverklaring vanhetbesluitleidt,wanneer eenandere afloop mogelijk was.Hetoordeel
vanhethofdatbelanghebbende nietaannemelijk heeftgemaaktdatzijzonder schending vanhetverdedigingsbeginseleeninbreng had kunnenleverendie toteenandere uitspraak op bezwaar zouhebbenkunnenleiden,achtde Hoge Raad cassatieproof. (Cassatieberoep ongegrond.)
Feiten
2.Beoordelingvandeinhetprincipaleberoepvoorgesteldemiddelen 2.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
2.1.1.Belanghebbende,douane-expediteur,heeftop 26 februari 2008 enop 20 maart2008 inopdrachtvanD op eigennaam envoor eigenrekening aangifte gedaanvoor hetinhetvrije verkeer brengenvanfietsen(hierna:de fietsen).Inde aangiftenheeft belanghebbende vermeld datde fietseninaanmerking komenvoor toepassing vaneenpreferentieeltariefop de grond datdeze de oorsprong Maleisië hebben.Tenbewijze vande oorsprong Maleisië heeftzijbijelk vande aangifteneendoor de autoriteitenvan Maleisië afgegevencertificaatvanoorsprong,formulier A,overgelegd.De fietsenzijnmettoepassing vanhetpreferentiële tarief vrijgegevenvoor hetvrije verkeer zonder datde bijgevoegde certificatenvanoorsprong zijnonderzocht. 2.1.2.Hetantifraudebureauvande Europese Commissie (hierna:OLAF) heeftindecember 2008 inMaleisië onderzoek gedaannaar de geldigheid van– onder meer – de hiervoor in2.1.1 vermelde certificatenvanoorsprong.Op basis vande bevindingenvandat onderzoek hebbende autoriteitenvanMaleisië ende Europese Commissie vastgesteld datde fietseninwerkelijkheid de oorsprong China hebbenendatde fietsen,methetoog op ontduiking vande inde Europese Unie voor fietsenmetoorsprong China verschuldigde antidumpingrechten,via Maleisië naar de Europese Unie zijnovergebracht.
2.1.3.Bijbriefvan9 februari 2011 heeftde Inspecteur belanghebbende – onder overlegging vanhetdoor OLAF opgemaakte onderzoeksrapportmetuitzondering vanbepaalde bijdatrapportbehorende annexen(hierna:de annexen) – op de hoogte gesteld van zijnvoornemenom metbetrekking totde hiervoor in2.1.1 bedoelde invoeraangiftenover te gaantotnavordering vandouanerechtenen antidumpingrechten.Belanghebbende heeftbijbriefvan23 februari 2011 inhoudelijk gereageerd op datvoornemen.Op 24 februari 2011 heeftde Inspecteur bijde onderwerpelijke uitnodigingentotbetaling zoweldouanerechtenals antidumpingrechtenvan belanghebbende nagevorderd.
2.1.4.Tijdens de bezwaarfase heeftbelanghebbende,zowelvoorafgaand aanals tijdens hethorenvoordatde Inspecteur op de bezwarenbesliste,tevergeefs verzochtom overlegging vande annexen.Ditverzoek heeftzijtijdens de beroepsfase bijde Rechtbank, wederom tevergeefs,herhaald.Uiteindelijk heeftde Inspecteur inhoger beroep op vordering vanhetHofde annexenalsnog aan belanghebbende verstrekt,zijhetmetweglating (‘witten’) vanverschillende daarinvoorkomende passages.

Geschil
2.2.1.HetHofheeftgeoordeeld datde annexenop de zaak betrekking hebbende stukkenzijnals bedoeld inartikel8:42,lid 1,Awb.De
Inspecteur is daarom nietalleenverplichtdeze stukkeninberoep aande rechter over te leggenmaar ingevolge artikel7:4 Awb ook verplichtdeze inde bezwaarfase,voorafgaand aanhethoren,ter inzage aanbelanghebbende te verstrekken,aldus hetHof. 2.2.2.HetHofheeftvervolgens onder verwijzing naar artikel8:31 Awb enna afweging vanalle belangengeoordeeld geengevolgente verbindenaande weglating vande passages,metdienverstande dathetHofhethierna volgende inaanmerking heeftgenomenen beslist.Door tijdens de bezwaarfase inzage inde annexente weigerenheeftde Inspecteur,aldus hetHof,nietalleenartikel7:4 Awb geschondenmaar ook hetUnierechtelijke beginselvaneerbiediging vande rechtenvande verdediging.Onder verwijzing naar hetarrest vanhetHofvanJustitie vande Europese Unie van3 juli 2014,gevoegde zakenKamino InternationalLogistics B.V.enDatema Hellman Worldwide Logistics B.V.,C-129/13 enC-130/13,ECLI:EU:C:2014:2041,BNB 2014/231 (red.NTFR2016/8) (hierna:hetarrest Kamino),heefthetHofaandeze schending (hierna:de schending) geengevolgenverbondenvoor de onderhavige uitnodigingentot betaling,omdatbelanghebbende naar ’s Hofs oordeelnietaannemelijk heeftgemaaktdatde procedure zonder de schending een andere afloop had kunnenhebben.Daarbijachtte hetHofvanbelang datbelanghebbende onvoldoende heeftgeconcretiseerd watzij nader had willenonderzoekenindienzijde annexeneerder tothaar beschikking had gehad,enwaarom zijdatonderzoek zonder de niet verstrekte informatie nietheeftkunnenuitvoeren.Welvormde de schending voor hetHofaanleiding de Inspecteur te veroordeleninde kostenvanberoepsmatige rechtsbijstand die is verleend ter zake vanhetgemaakte bezwaar,hetingestelde beroep enhethoger beroep alsmede de door belanghebbende betaalde griffierechten.
2.2.3.HetHofheeftvervolgens geoordeeld datde Inspecteur nietwas gehoudenop grond vanartikel220,lid 2,letter b,vanhet Communautair douanewetboek afte zienvande navordering.Indatkader heefthetHof– voor zover incassatie vanbelang – geoordeeld datbelanghebbende haar stelling datde voor de afgifte vande certificatenvanoorsprong bevoegde autoriteitenvan Maleisië klaarblijkelijk wistenofhaddenmoetenwetendatde fietsennietvoor preferentiële behandeling inaanmerking kwamen, tegenover de door de Inspecteur gemotiveerde betwisting,nietaannemelijk heeftgemaakt.
Rechtsoverwegingen
2.3.1.MiddelIrichtzichtegende beslissing vanhetHofom inde te late verstrekking vande annexengeengrond voor vernietiging van
de uitnodigingentotbetaling te zien.Hetmiddelbetoogtdatde onderzoekingenvanbelanghebbende steeds gerichtzijngeweestop de rolvande betrokkenoverhedenwaaronder metname die vanMaleisië endatzonder de schending enmetbekendmaking van(de gewitte passages in) de annexende procedure eenandere afloop had kunnenhebbengehad.Wanneer de ontbrekende informatie tijdig was verstrekt,had belanghebbende kunnenbewijzendatde autoriteitenvanMaleisië klaarblijkelijk wistenofbehoordente wetendatde fietsennietvoor preferentiële behandeling inaanmerking kwamen.Hetlangdurig uitstellenvanverplichte informatieverstrekking brengt voorts hetrisico metzichdatgegevens nietmeer te verifiërenzijn,zodatbelanghebbende onherstelbaar inhaar procespositie is geschaad.HetHofhad daarom,geletop hetarrestKamino,de schending nietzonder gevolgenmogenlaten.Voortbouwend op middelI betoogtmiddelIIdathetHofbelanghebbende niethad mogentegenwerpendatzijnietheeftvoldaanaande lastte bewijzendatde autoriteitenvanMaleisië klaarblijkelijk wistenofbehoordente wetendatde fietsennietvoor preferentiële behandeling inaanmerking kwamen.
2.3.2.HetHofheeftvastgesteld datde Inspecteur door hetnietoverleggenvande annexenvoorafgaand aanhetdoenvande uitspraak op bezwaar nietalle op de zaak betrekking hebbende stukkenaanbelanghebbende ter inzage heeftverstrekt.HetHofheeftgeoordeeld datde Inspecteur daarmee hetUnierechtelijke beginselvaneerbiediging vande rechtenvande verdediging heeftgeschonden.Dat oordeelwordtincassatie terechtnietbestreden.
Schending vande rechtenvande verdediging bijde totstandkoming vaneen(bezwarend) besluitleidttotnietigverklaring vanhetna afloop vande betrokkenadministratieve procedure genomenbesluit,wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid eenandere afloop zoukunnenhebbengehad.De rechter dienteenenander te beoordelenaande hand vande specifieke feitelijke enjuridische omstandighedenvanhetgeval(vgl.HR26 juni 2015,nr.10/02774bis,ECLI:NL:HR:2015:1666,BNB 2015/186 (red.NTFR2015/1928), onderdelen2.3.2 en2.3.3).
In’s Hofs hiervoor in2.2.2 weergegevenoordelenligtbeslotenhetoordeeldatbelanghebbende nietaannemelijk heeftgemaaktdat wanneer zijtijdens de bezwaarfase wel(volledig) inzage zouhebbengehad inde annexen,zijeeninbreng had kunnenleveren (waaronder eeninbreng over de rolvande autoriteitenvanMaleisië) die voor hetvaststellenvande uitspraak op bezwaar vanbelang was entoteenandere uitspraak op bezwaar zouhebbenkunnenleidendande uitspraak op bezwaar die de Inspecteur heeftgedaan. Datoordeelis – mede inhetlichtvande bevindingenvanhetdoor OLAF opgemaakte onderzoeksrapportzoals datdoor de Inspecteur aanhetHofis overgelegd – nietonbegrijpelijk.HetHofwas derhalve nietgehoudentotvernietiging vande uitspraak op bezwaar over te gaan.MiddelIenmiddelIIinzoverre falenmitsdien.
2.4.MiddelIIvoor hetoverige enmiddelIIIkunnenniettotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie,geennadere motivering,nude middeleninzoverre nietnopentotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
3.Hetincidenteleberoep
AangezienhetHofde inzijnuitspraak van20 november 2014 voorkomende misslag inde berekening vande proceskostenheeft
hersteld bijuitspraak van12 maart2015,behoefthetincidentele beroep geenbehandeling.
Commentaar
De Hoge Raad herhaaltonder verwijzing naar zijnarrestvan26 juni 2015,nr.10/02774bis,NTFR2015/1928 datschending vanhet
Unierechtelijk verdedigingsbeginselalleendantotvernietiging vanhet(bezwarende) besluitleidtwanneer (door belanghebbende) aannemelijk is gemaaktdatanders eenander besluitmogelijk was geweest.Belanghebbende had onder meer aangevoerd datzij zonder schending vanhetverdedigingsbeginselaannemelijk had kunnenmakendatde navordering vernietigd zoumoetenwordenin verband metde (corrupte) rolvande autoriteitenvanMaleisië.
Ingenoemd arrestciteerde de Hoge Raad uitde prejudiciële antwoordenvanhetHvJ inde zaak-Kamino (HvJ 3 juli 2014,zakenC-129/13 enC-130/13,NTFR2015/1928) onder meer datde ‘nationale rechter (...) bijde beoordeling vande gevolgenvaneenschending vande rechtenvande verdediging,inhetbijzonder vanhetrechtom te wordengehoord,rekening ermee (kan) houdendateen dergelijke schending pas totnietigverklaring vanhetna afloop vande betrokkenadministratieve procedure genomenbesluitleidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid eenandere afloop zoukunnenhebbengehad.’ Deze uitkomstis begrijpelijk: wanneer eenbelanghebbende is doorkruistinzijnmogelijkhedenom aante tonendateenaanslag ofander besluitonjuistis,moethet bewijsrisico nietvoor zijnrekening blijven.
Hetverdedigingsbeginselloopthetrisico metde huidige uitleg eencatch-22 te worden.Als de belanghebbende laatziendater een ‘andere afloop’ had kunnenzijnvanhetbesluit,dankanhijdatkennelijk alsnog aantonenendaarmee hetbesluit– zonder eenberoep op hetverdedigingsbeginsel– inbezwaar ofberoep vantafelkrijgen.Hijis dandus nietgeschaad inzijnverdedigingsbelangen.Kanhij die andere afloop nietaannemelijk maken,danis hijevenmingeschaad – daarmee kanimmers nietwordenvastgesteld dathet
ontbrekenvanvroegtijdige verdediging bewijsproblemenheeftveroorzaakt.
De situatie doetzichnietsnelvoor datde onjuistheid vanhetbesluitweliswaar nietkanwordenaangetoond,maar datwelaannemelijk
kanwordengemaaktdat– zonder de bewijsproblemendoor de te late informatievoorziening – die onjuistheid had kunnenworden

aangetoond.
Wellijkter nog enige ruimte te zittentussende uitleg door hetHvJ (‘wanneer ...zoukunnenhebbengemaakt’) ende Hoge Raad (‘belanghebbende nietaannemelijk heeftgemaaktdat...’).Die ruimte zitinde bewijslastverdeling.HetHvJ legtdie last,anders dande Hoge Raad,nietuitdrukkelijk bijde belanghebbende.
Indeze casus achtde Hoge Raad ‘nietonbegrijpelijk’ dateenandere afloop niettotde mogelijkhedenheeftbehoord endathet beoogde resultaat(vernietiging vande heffingen) dus uitblijft.Die begrijpelijkheid koppeltde Hoge Raad ‘mede’ aande inhoud vanhet OLAF-rapport.Inhoeverre daaruitnietalleenblijktdatde conclusies begrijpelijk waren,maar bovendienblijktdat(vroegtijdiger) tegenbewijs over de oorsprong enover de wetenschap vande Maleisische autoriteitenniettoteenander resultaathad kunnenleiden, zalvoor ons ongewis blijven.
[1]Vanessa HuygenvanDyck-Jagersma is verbondenaanJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2016-753 Datum:27-9-2016 10:41:38
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op