Stukken uit Curaçao en interne e-mails Belastingdienst mogen geheim blijven

  

Stukken uit Curaçao en interne e-mails Belastingdienst mogen geheim blijven

Gepubliceerd in: NL Fiscaal
Datum: 06-06-2017
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

Kijk op NLFiscaal voor online versiePagina 1 van 6Rechtbank Gelderland, 6 juni 2017, 17/256, ECLI:NL:RBGEL:2017:3241
Stukken uit Curaçao en interne e-mails Belastingdienst mogen geheim blijven (1)
SAMENVATTING
In 2010 heeft de Inspecteur aan de broer van X vragen gesteld over zijn aangifte IB/PVV 2007. De vragen
zijn niet tot tevredenheid van de Inspecteur beantwoord. Daarop zijn door de Inspecteur inlichtingen
gevraagd bij de autoriteiten van Curaçao. De ontvangen informatie is voor de Inspecteur aanleiding
geweest vragen aan X te stellen. X heeft veel vragen niet beantwoord. Dit heeft uiteindelijk geleid tot
een informatiebeschikking ten aanzien van X. Deze heeft betrekking op de aangiften IB/PVV 2011,
2012 en 2013. De vragen in de informatiebeschikking zijn gericht op de mogelijke betrokkenheid
van X bij een stichting. In geschil is of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29
Awb die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de stukken van de buitenlandse autoriteiten en
(grotendeels interne) e-mails openbaar te maken. De geheimhoudingskamer van Rechtbank Gelderland
oordeelt dat de Inspecteur niet gehouden is een brief met bijlagen over te leggen die slechts betrekking
heeft op de positie van de broer van X. Het feit dat de zaken van de broer (vooralsnog) gezamenlijk
behandeld worden met de zaken van X maakt niet dat de brief met bijlagen een op de zaken van X
betrekking hebbend stuk is. De Rechtbank bepaalt verder dat beperkte kennisneming respectievelijk
geheimhouding van de met een beroep op artikel 8:29 Awb overgelegde stukken voor het overige
gerechtvaardigd is. De Rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de uit Curaçao ontvangen stukken
vermoedelijk niet compleet zijn en mogelijk geen volledig (en juist) beeld geven. Inzage in de stukken
door X brengt het risico mee dat geen andere stukken meer boven water zullen komen, omdat gesteld
zal worden dat deze compleet zijn. Interne e-mails van de Belastingdienst beschouwt de Rechtbank als
één stuk. De e-mails vormen volgens de Rechtbank een op de zaak betrekking hebbend stuk. Ter zake
van de e-mails is volgens de Rechtbank eveneens een beroep op geheimhouding gerechtvaardigd.

.................................................................................................................................................................
NOOT
Deze noot heeft tevens betrekking op de gelijkluidende uitspraak van dezelfde datum, die achterin deze
aflevering in het overzicht Overige rechtspraak en actualiteiten is opgenomen (NLF 2017/1796).
Inleiding
In deze procedure bij de geheimhoudingskamer van Rechtbank Gelderland is in geschil of het resultaat
van een verzoek om inlichtingen door de Inspecteur aan de autoriteiten van Curaçao geheim mag
blijven, vanwege ‘gewichtige redenen’ als bedoeld in artikel 8:29 Awb. Eveneens in geschil is of hiervan
sprake is ten aanzien van interne e-mails (tussen de Inspecteur en diens collega’s), alsmede de daaraan
voorafgaande vraag of sprake is van op de zaak betrekking hebben de stukken ex artikel 8:42 Awb.
‘Gewichtige redenen’
De Rechtbank vangt de beantwoording van het geschil aan met de overweging dat zij tot
geheimhouding van de stukken zal gelasten als de door de Inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk
zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij (onbeperkte) kennisneming. De Rechtbank
komt vervolgens aarzelend tot de conclusie dat belanghebbende een belang heeft bij overlegging van
de stukken uit Curaçao. Omdat belanghebbende zich in de procedure over de informatiebeschikking
op het standpunt heeft gesteld niet over de gevraagde informatie te (kunnen) beschikken, voegen de
stukken uit Curaçao niet direct iets toe, zo meent de Rechtbank. De Rechtbank overweegt vervolgens

Pagina 2 van 6dat de Inspecteur een zwaarwegend belang heeft bij geheimhouding omdat inzage in de stukken door
belanghebbende het risico meebrengt dat geen andere stukken meer boven water zullen komen, ‘omdat
gesteld zal worden dat deze compleet zijn’. De Rechtbank vervolgt:
 
‘Het opsporings- en controlebelang verzet zich ook tegen het gedeeltelijk verstrekken van de stukken,
omdat niet ondenkbaar is dat eiser op basis daarvan zal kunnen herleiden welke stukken verweerder
nog meer in zijn bezit heeft, waardoor nog steeds het risico bestaat dat eiser alleen die stukken zal
overleggen.’
 
Het kennelijk zwaarwegend belang is dus volgens de geheimhoudingskamer het voorkomen van
‘strategisch procederen’.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Inspecteur heeft ook om geheimhouding verzocht van een brief die volgens de Rechtbank geen op
de zaak betrekking hebbend stuk is, omdat deze brief slechts betrekking heeft op de positie van de broer
van belanghebbende. De Rechtbank hanteert op dit punt een onjuiste maatstaf. Niet de vraag waarop
de brief betrekking heeft, maar of de brief een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de Inspecteur
met betrekking tot het opleggen van de informatiebeschikking aan belanghebbende, is het te hanteren
criterium.[1] De Inspecteur meende kennelijk van wel, gelet op het verzoek om geheimhouding.
Interne e-mails
Ten aanzien van een reeks interne e-mails oordeelt de Rechtbank dat sprake is van een op de zaak
betrekking hebbend stuk. Het zwaarwegend belang van de Inspecteur dat geheimhouding rechtvaardigt
is dus zijn procespositie. Het oordeel van de Rechtbank komt erop neer dat slechts een van beide
partijen recht heeft op een processtrategie. Het oordeel verhoudt zich slecht met het genoemde arrest
van 18 december 2015, waaruit volgt dat de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken
in het geding te brengen onverkort geldt in een procedure over een informatiebeschikking.
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

.................................................................................................................................................................
Bron:
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
 
Belastingrecht
 
zaaknummers: AWB 17/256, 17/257 en 17/258
 
beslissing van de geheimhoudingskamer als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) van 6 juni 2017
 
in de zaken tussen
 
[1]HR 18 december 2015, 14/04143, ECLI:NL:HR:2015:3602.

Pagina 3 van 6[X] , te [Z] , eiser
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
 
en
 
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Breda, verweerder.
 
 
Procesverloop
 
Verweerder heeft aan eiser een informatiebeschikking opgelegd.
 
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2016 de beschikking gehandhaafd.
 
Eiser heeft daartegen bij brief van 16 januari 2017, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum,
beroep ingesteld.
 
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift overgelegd.
Daarbij heeft hij voor een aantal stukken een beroep op geheimhouding gedaan. Bij brief van 9 maart
2017 heeft eiser daarop gereageerd. Hij berust niet in de geheimhouding.
 
Het verzoek van verweerder uit hoofde van artikel 8:29 van de Awb is behandeld ter zitting op 9 mei
2017.
 
Namens eiser is de gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn drs. [gemachtigde] en mr. [A]
verschenen.
 
 
Overwegingen
 
Feiten
1. In 2010 heeft verweerder aan de broer van eiser, [B] , vragen gesteld over zijn aangifte
inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2007. Nadat de desbetreffende vragen niet tot
tevredenheid van verweerder werden beantwoord, heeft verweerder inlichtingen gevraagd bij de
autoriteiten van Curaçao. Op 10 maart 2014 heeft verweerder inlichtingen ontvangen. Hieruit kwam
naar voren dat eiser een bedrag van € 1.003.300 heeft geschonken aan een Stichting [C] (hierna: [C] ),
genaamd [D] . Ook bleek eiser een vordering aan de [C] te hebben geschonken. Verweerder heeft nadere
inlichtingen gevraagd bij de autoriteiten van Curaçao en deze op 5 januari 2015 ontvangen.
 
2. De ontvangen informatie is voor verweerder aanleiding geweest vragen aan eiser te stellen. Eiser
heeft daarop bij brief van 3 maart 2016 geantwoord, waarbij op veel vragen is gereageerd is dat hem
het antwoord niet bekend is. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de informatiebeschikking. Deze heeft
betrekking op de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2011, 2012 en 2013. De vragen in de
informatiebeschikking zijn gericht op de mogelijke betrokkenheid van eiser bij de [C] .
 

Pagina 4 van 6Geschil
3. In geschil is of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb die
rechtvaardigen dat verweerder weigert de stukken van de buitenlandse autoriteiten en (grotendeels
interne) e-mails openbaar te maken. Met betrekking tot de interne e-mails gaat daaraan nog de vraag
vooraf of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb.
 
Beoordeling van het geschil
4. Ten behoeve van het nemen van deze tussenbeslissing heeft de rechtbank kennis genomen van
het gehele procesdossier. Uitdrukkelijk wijst de rechtbank erop dat met de beslissing ter zake van de
geheimhouding geen voorschot wordt genomen op de inhoud van de onderliggende zaak en de vraag of
al dan niet terecht een informatiebeschikking is afgegeven door verweerder.
 
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb
gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Uit de arresten
van de Hoge Raad van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en BB5868 en van 23 mei 2014,
ECLI:NL:HR:2014:1182, volgt dat dit stukken zijn die verweerder ter beschikking hebben gestaan en
die bij de besluitvorming van verweerder een rol hebben gespeeld dan wel daarbij van enig belang
kunnen zijn geweest. De vraag of een stuk een op de zaak betrekking hebbend stuk is, dient op grond
van dat stuk in zijn geheel en met inachtneming van het overheersende karakter van dat stuk te worden
beantwoord. Een op de zaak betrekking hebbend stuk kan dus niet gedeeltelijk als een zodanig stuk
worden bestempeld.
 
6. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien
daarvoor gewichtige redenen zijn, op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb het geven van
inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat
uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. Het tweede lid
van dit artikel bepaalt dat gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig zijn
voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB) de verplichting zou bestaan een
verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
 
7. De rechtbank heeft kennis genomen van alle door verweerder overgelegde stukken en heeft deze
onderworpen aan een afweging van het belang van eiser bij (onbeperkte) kennisneming tegenover de
door verweerder aangevoerde redenen om aan die kennisneming beperkingen te stellen. Slechts indien
naar het oordeel van de rechtbank de door verweerder aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen
dan het belang van eiser, is sprake van een gerechtvaardigd belang van verweerder bij geheimhouding.
 
Verzoeken om inlichtingen aan de autoriteiten van Curaçao van 12 februari 2013 en 8 mei 2014 en de
antwoorden daarop inclusief overzicht
8. Verweerder heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat de verzoeken aan de autoriteiten
van Curaçao en de daarop ontvangen antwoorden niet aan eiser ter beschikking dienen te worden
gesteld, omdat hij een zwaarwegend belang heeft bij geheimhouding. Dit belang is gelegen in inspectie,
controle en toezicht als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de WOB. Om een
effectieve controle te kunnen uitoefenen heeft verweerder de mogelijkheid bij buitenlandse autoriteiten
stukken en inlichtingen op te vragen. Bij de ontvangen stukken kunnen stukken zitten die eiser zelf
op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient te verstrekken. Het risico
bestaat dat eiser precies die stukken zal verstrekken aan verweerder die verweerder uit anderen hoofde
heeft ontvangen. Controle op volledigheid en juistheid van die stukken is dan niet meer mogelijk.
 
9. Eiser heeft zich - samengevat - beroepen op de beginselen van fair play en equality of arms en het
verdedigingsbeginsel. Juist in het kader van een procedure ter zake van een informatiebeschikking

Pagina 5 van 6dient hij te kunnen beschikken over de gegevens die verweerder al heeft. Alleen op die manier kan
immers gecontroleerd worden of terecht een informatiebeschikking is afgegeven. Als verweerder naar
de bekende weg vraagt, is een informatiebeschikking - en de daaruit mogelijk voortvloeiende sanctie van
omkering van de bewijslast - niet gerechtvaardigd, aldus eiser.
 
10. Tot de stukken uit Curaçao waarvan thans geheimhouding wordt verzocht behoren twee stukken die
verweerder al heeft overgelegd in de procedure, te weten de schenkingsakten van 21 december 2011.
Aangezien daarmee een deel van het dossier waarvan geheimhouding wordt gevraagd al is ingebracht
in de procedure, kan geen sprake meer zijn van een beroep op geheimhouding. De rechtbank zal het
verzoek daarom in zoverre opvatten als een verzoek om beperkte kennisneming, in die zin dat het
resterende deel van de informatie uit Curaçao volledig geanonimiseerd blijft.
 
11. De rechtbank weegt mee dat eiser zich in de inhoudelijke procedure op het standpunt stelt dat hij
alle informatie heeft verstrekt waarover hij beschikt en kan beschikken en dat hij dus de vragen uit de
informatiebeschikking in voldoende mate heeft beantwoord. Ter onderbouwing van die stelling voegen
de stukken waarop verweerder zich beroept niet direct iets toe. Eisers stelling impliceert immers dat
hij deze stukken niet heeft en dus ook niet had kunnen overleggen aan verweerder. Niettemin kan
een belang bij die stukken eiser niet geheel ontzegd worden. In de eerste plaats is het uitgangspunt
dat er recht bestaat op kennisneming van alle stukken en dat van de mogelijkheid een beroep op
geheimhouding te doen terughoudend gebruik dient te worden gemaakt. Daarnaast is voorstelbaar dat
wanneer verweerder bepaalde concrete feiten benoemt waaruit hij de betrokkenheid van eiser bij de
[C] afleidt, eiser daarop beter kan reageren. Voor de procespositie van eiser heeft dit dus wel degelijk
gevolgen.
 
12. Niettemin acht de rechtbank het belang van verweerder bij beperkte kennisneming van de stukken
aanzienlijk zwaarwegender. Dit laat zich naar zijn aard in beperkte mate motiveren. Van belang acht de
rechtbank met name het feit dat verweerder heeft aangevoerd dat de uit Curaçao ontvangen stukken
vermoedelijk niet compleet zijn en mogelijk geen volledig (en juist) beeld geven. Eiser en zijn broer
hebben tot nu toe een proceshouding ingenomen die erop neerkomt dat zij zo weinig mogelijk informatie
verstrekken en zo min mogelijk meewerken, aldus verweerder. Inzage in de stukken door eiser brengt het
risico mee dat geen andere stukken meer boven water zullen komen, omdat gesteld zal worden dat deze
compleet zijn. Het opsporings- en controlebelang verzet zich ook tegen het gedeeltelijk verstrekken van
de stukken, omdat niet ondenkbaar is dat eiser op basis daarvan zal kunnen herleiden welke stukken
verweerder nog meer in zijn bezit heeft, waardoor nog steeds het risico bestaat dat eiser alleen die
stukken zal overleggen.
 
13. Gelet op het voorgaande is het beroep op beperkte kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd.
 
Brief met bijlagen
14. Tot de stukken waarvan geheimhouding is verzocht behoort voorts een brief met bijlagen van 4
augustus 2015 van verweerder. Deze heeft slechts betrekking op de positie van de broer van eiser.
Het feit dat de zaken van de broer (vooralsnog) gezamenlijk behandeld worden met de zaken van eiser
maakt niet dat de brief met bijlagen een op de zaken van eiser betrekking hebbend stuk is. Verweerder
is reeds om die reden niet gehouden het stuk over te leggen. Aan het verzoek om geheimhouding van dit
stuk wordt niet toegekomen.
 
(Interne) e-mails
15. De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of elke e-mail die verweerder heeft
overgelegd als afzonderlijk stuk dient te worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat
niet het geval en dient het geheel als één stuk te worden beschouwd. Het zou kunstmatig zijn deze

Pagina 6 van 6e-mails als afzonderlijke, deelbare stukken te beschouwen, omdat het meer dan eens om reacties op
eerdere mails gaat en als het ware een gesprek in schriftelijke vorm is gevoerd.
 
16. Verweerder heeft aangevoerd dat geen sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk.
Hoewel interne correspondentie onder omstandigheden geen stuk in de zin van artikel 8:42 van de Awb
vormt, is dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9850 wel
mogelijk. Van belang is met name of de informatiebeschikking mede is gebaseerd op informatie uit de
interne correspondentie.
 
17. De rechtbank dient ter beoordeling van de stelling van verweerder vast te stellen wat het
overwegende karakter van de e-mails is. Voor een groot deel gaat het daarbij om de tactische en
procedurele invulling van de zaak. Nu de informatiebeschikking daar een uitvloeisel van is (ook het
opleggen daarvan is in wezen een procedurele keuze), is de rechtbank van oordeel dat de e-mails wel
een op de zaak betrekking hebbend stuk vormen.
 
18. Het belang van eiser om kennis te nemen van alle stukken weegt echter niet op tegen het belang
van verweerder zijn procedurele afweging in vrijheid te doen zonder de verplichting eiser daarvan op de
hoogte te stellen (vergelijk Gerechtshof ’s￿Hertogenbosch 6 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:4728).
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verweerder aanmerkelijk zwaarder te wegen.
 
19. Op grond van het voorgaande is ook ter zake van de e-mails een beroep op geheimhouding
gerechtvaardigd.
 
20. De rechtbank zal bepalen dat de zaken worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevinden.
Gelet op de procesafspraken die bij de behandeling van de voorlopige voorziening zijn gemaakt, en die
per e-mail van 20 januari 2017 zijn bevestigd, wordt eiser in de gelegenheid gesteld thans binnen vier
weken te reageren op het verweerschrift.
 
 
Beslissing
 
De rechtbank:
·stelt vast dat de brief van 4 augustus 2015 met bijlagen geen op de zaken betrekking hebbend stuk
is;
·bepaalt dat beperkte kennisneming respectievelijk geheimhouding van de met een beroep op
artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken voor het overige gerechtvaardigd is;
·gelast dat de zaken worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevinden;
·stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken schriftelijk te reageren op de inhoud van het
verweerschrift.
  Deze beslissing is genomen door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.   de griffier is buiten staat deze beslissing
te ondertekenen   griffier     rechter
   
Afschrift verzonden aan partijen op:  
   
Rechtsmiddel Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld dan tegelijk met het
hoger beroep tegen de einduitspraak.
 

Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie