Rechtbank gaat voorbij aan bevoegdheidsgebrek opleggen beschikking

Samenvatting


De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) heeft op 31 maart 2016 aan belanghebbende een WOZbeschikking ter zake van een woning afgegeven. Daarvoor, te weten per 1 januari 2016, is de gemeente waarin de woning staat uit het BWB getreden en is het aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar ingetrokken. Bij uitspraak op bezwaar van 28 juni 2016 is de waarde eveneens door de heffingsambtenaar van BWB verminderd. Op 30 juni 2016 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente het BWB gemandateerd om namens hem onder meer besluiten te nemen en juridisch verweer te voeren in beroepszaken. Bij mandaatbesluit van 21 december 2011 is behandeling en afdoen van bezwaarschriften en beroepszaken gemandateerd aan de heffingsambtenaar van het BWB. Ambtshalve vraagt de rechtbank zich af of de heffingsambtenaar van BWB wel bevoegd was de beschikking te nemen. De rechtbank oordeelt dat deze heffingsambtenaar onbevoegd de beschikking en aanslag heeft opgelegd. Omdat het aanwijzingsbesluit per 1 januari 2016 is ingetrokken, is het BWB niet meer bevoegd besluiten te nemen. Ook kan dit niet worden geheeld met het mandaatbesluit. Omdat de heffingsambtenaar van het BWB niet bevoegd was (primaire) beschikkingen te nemen, verzet art. 7:11 Awb zich ertegen uitspraken op bezwaar te doen. Er is een bevoegdheidsgebrek, maar de rechtbank gaat aan het bevoegdheidsgebrek voorbij. Belanghebbende is niet in haar belangen geschaad en de bevoegde heffingsambtenaar heeft inmiddels de besluiten bekrachtigd. Het beroep wordt ook overigens ongegrond verklaard.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar


Tot 1 januari 2013 kon de rechtbank alleen in de situatie dat er sprake was van een schending van een vormvoorschrift daaraan voorbijgaan met toepassing van art. 6:22 Awb. Onder vormvoorschriften vielen voorschriften die zien op de procedure van de totstandkoming, de wijze van de beslissing of de wijze van vastlegging van het besluit. Het ging dus niet om de inhoudelijke eisen aan het besluit. Per 1 januari 2013 heeft de wetgever de toepassingsmogelijkheden van art. 6:22 Awb verruimd. Vanaf die datum kan ook voorbij worden gegaan aan de schending van geschreven of ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen. De belangrijkste overweging om tot deze verruiming te komen, is dat de bestuursrechter slagvaardig moet kunnen zijn en dat de procedure ook met de nodige voortgang kan worden behandeld. Aldus wordt gesteld dat beslissend zou moeten zijn of een belastingplichtige/burger door de schending van het voorschrift is benadeeld en niet langer of er sprake is van een geschonden voorschrift.

Art. 6:22 Awb biedt de rechtbank de mogelijkheid om een normschending te passeren. Dat is dus een ‘kan’-bepaling en geen automatisme. Van belang bij de beoordeling is of de belastingplichtige is geschaad in zijn belangen als de rechtbank aan de schending voorbij zou gaan.

In dit geval had de gemeente zich in eerste instantie aangesloten bij de Belastingsamenwerking West-Brabant. Nadien, per 1 januari 2016, heeft de gemeente de samenwerking beëindigd. Daarbij zijn echter niet alle stappen op de juiste wijze doorlopen. De Belastingsamenwerking heeft namelijk nog op 31 maart 2016, dus drie maanden na de opzegging, de WOZ-beschikking afgegeven. De rechtbank concludeert dat die beschikking onbevoegd is genomen omdat de samenwerking per 1 januari 2016 al was beëindigd. Aan dat bevoegdheidsgebrek gaat de rechtbank echter, met toepassing van art. 6:22 Awb, voorbij. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat (i) de belastingplichtige heeft verklaard niet in zijn belangen te zijn geschaad en dat de rechtbank aan het bevoegdheidsgebrek voorbij kan gaan, (ii) de bevoegde heffingsambtenaar ter zitting de WOZ-beschikking, de aanslag OZB en de uitspraken op bezwaar heeft bekrachtigd en (iii) de bevoegde heffingsambtenaar bij vernietiging wegens het bevoegdheidsgebrek een nieuwe WOZ-beschikking en aanslag zou nemen naar eenzelfde waarde.

In de beroepsprocedure stelde de heffingsambtenaar nog dat het bevoegdheidsgebrek in de uitspraken op bezwaar is hersteld. Vermoedelijk doelt de heffingsambtenaar hierbij op de ‘way out’ die de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2011, nr. 10/00154, NTFR 2011/181 heeft geboden. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat een bevoegdheidsgebrek, eruit bestaande dat de belasting in rekening is gebracht door een niet tot heffing bevoegd bestuursorgaan, niet voortvloeit uit de schending van een vormvoorschrift. Dit gebrek kon niet met toepassing van het toen geldende art. 6:22 Awb worden gerepareerd. De Hoge Raad ging hier vervolgens toch praktisch mee om omdat het wel bevoegde bestuursorgaan de kwestie in de bezwaarfase inhoudelijk had beoordeeld en uitspraak op bezwaar had gedaan. Daarmee was, aldus de Hoge Raad, het bevoegdheidsgebrek hersteld.

[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur