Stukken verstrekken die er niet zijn

Aanslagen moeten gebaseerd zijn op feiten. Feiten behoeven bewijs en in de fiscaliteit is bewijs vaak een schriftelijk stuk. Niet voor niets heeft de inspecteur een ruimhartige bevoegdheid om informatie en stukken op te vragen bij belastingplichtigen en derden. Maar wat nou als die stukken er niet zijn? Een ieder is gehouden om de inspecteur desgevraagd te informeren , mits het relevant kan zijn voor de belastingheffing. Privé is het niet verplicht om een administratie bij te houden of te bewaren, dus de ge vraagde informatie kan er niet (meer) zijn. Maar stel nu dat de inspecteur die wel wil hebben, hoe ver gaat dan de plicht om deze informatie (nogmaals) te bemachtigen?
Uitgangspunt bij het verstrekken van informatie aan de inspecteur is vanzelfsprekend dat er geen verplichting bestaat om inlichtingen te verstrekken waarover iemand niet beschikt en ook niet kan beschikken. Er bestaat geen plicht iets te fabriceren wat er niet is , ook al kan dat nog zo dienstig zijn aan het onderzoek van de inspecteur. Bij twijfel aan de betrouwbaarheid van de informatie, omdat manipulatie mogelijk is, is druk uitoefenen op verstrekking ook al snel uit den boze. Zoals het criterium ‘niet kunnen beschikken’ impliceert, bestaat er wel een zekere inspanningsverplichting om stukken te bemachtigen. Het ‘niet beschikken’ is daarmee vooral een praktisch en geen formeel criterium. Een ieder heeft die inspanningen te getroosten die in redelijkheid van hem kunnen worden gevergd, om te verkrijgen waar hij niet over beschikt. Anders gezegd: je moet er wel wat moeite voor doen.

Bij het verstrekken van informatie hebben bankafschriften altijd al een wat bijzondere rol ingenomen. Het verstrekken van bankgegevens heeft van oudsher behoord tot de categorie stukken die een belastingplichtige maar had te leveren. Daar speelde bij mee dat het voor de inspecteur een stuk lastiger was om deze stukken te bemachtigen. Wat redelijk is, hangt echter niet alleen af van de mogelijkheden van de belastingplichtige. Het gaat ook om een redelijke verdeling van wat om welke reden van wie kan worden verlangd. Daarom spelen de mogelijkheden van de inspecteur in de afweging eveneens een rol. Het bankgeheim is niet meer wat het was; banken le veren inmiddels alle informatie uit en ook steeds vaker zelfs automatisch. Als er aanwijzingen zijn, kan de Staat eenvoudig zelf aan verlangde (ook buitenlandse) informatie van banken komen.

Daarnaast berekenen de banken flinke kosten voor het alsnog aanleveren van gevraagde informatie. De ‘kleine’ administratieve bijdrage die wordt gevraagd, is inmiddels al zo’n vijf- à zesduizend euro. Een dergelijke kostenpost valt – zeker bij een wan verhouding ten opzichte van het fiscaal belang – niet langer onder een redelijke inspanning. Conclusie: tijden zijn veranderd. Het op vragen van bankafschriften is kostbaar geworden. Banken verstrekken minder gemakkelijk informatie aan ( voormalige) cliënten, terwijl de inspecteur veel gemakkelijker zelf aan informatie kan komen. Onder die omstandigheden is het niet langer redelijk om van de belastingplichtige te vergen dat hij informatie aanlevert, waar de inspecteur ook zelf aan kan komen. Het uitgangspunt dat van de belastingplichtige wel de inspanning kan worden gevergd om bankafschriften te verstrekken, moet daarom worden ver vangen door het uitgangspunt dat de inspecteur minder gemakzuchtig moet zijn. Hij moet die informatie zelf vergaren in plaats van iemand anders voor zijn karretje te spannen.

Gepubliceerd in: Accountancy Vanmorgen

Dit bericht werd geplaatst in: Artikelen

Stuur een reactie naar de auteur