Voor belanghebbende was het voldoende duidelijk dat hij uitgenodigd was tot doen van aangifte

Samenvatting

Bij uitblijven van een aangifte is aan belanghebbende een ambtshalve aanslag opgelegd. Niet in geschil is dat de uitnodiging tot het doen van aangifte naar het verkeerde adres is gestuurd. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat de herinnering en de aanmaning door belanghebbende zijn ontvangen. Nu uit de herinneringsbrief blijkt dat belanghebbende voor 1 juli 2011 aangifte had moeten doen, acht de rechtbank het voor belanghebbende voldoende duidelijk dat de inspecteur hem uitnodigde tot het doen van aangifte. De andere stellingen met betrekking tot de aangifteplicht worden verworpen en de rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft vervolgens niet doen blijken dat zijn woonplaats niet in Nederland was gelegen. De rechtbank vermindert nog wel de redelijke schatting van de inspecteur.
(Beroep gegrond.)

Commentaar

Art. 27c AWR bepaalt dat als de vereiste aangifte niet is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Om tot deze sanctie over te kunnen gaan, is het van belang dat vastgesteld wordt dat de belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte. De Hoge Raad oordeelde immers op 21 oktober 1998 (nr. 33.716) dat geen sprake kan zijn van omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte als de belastingplichtige daartoe niet is uitgenodigd.
De inspecteur kan op grond van art. 6 AWR de belastingplichtige uitnodigen tot het doen van aangifte. Een ieder die zo’n verzoek tot het doen van aangifte krijgt, is gehouden daaraan gehoor te geven (art. 8 AWR). De bewijslast dat de uitnodiging tot het doen van aangifte is verzonden, rust op de inspecteur. In deze zaak staat vast dat die uitnodiging naar een onjuist adres is verzonden. Daarmee staat dus ook vast dat deze uitnodiging de belastingplichtige niet heeft bereikt. Daaruit zou dan de conclusie getrokken kunnen worden dat de belastingplichtige dus niet op de juiste wijze is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Die conclusie is in deze zaak te kort door de bocht.
De inspecteur heeft aan de belastingplichtige namelijk ook een herinneringsbrief en een aanmaning gezonden. Die brieven zijn kennelijk wel naar het verplichte toezendadres van de belastingplichtige gezonden. De belastingplichtige heeft zich over de bezorging van deze brieven niet, al dan niet bewust, uitgelaten. Daaruit trekt de rechtbank vervolgens de conclusie dat deze brieven de belastingplichtige wel hebben bereikt en dat hij als gevolg daarvan op de hoogte was van het feit dat hij door de inspecteur was uitgenodigd tot het doen van aangifte. Dat hij de primaire uitnodiging tot het doen van aangifte niet heeft gekregen, doet daar – aldus het oordeel van de rechtbank – niet aan af.
Zoals hiervoor is opgemerkt, heeft de belastingplichtige zich niet uitgelaten, en dus geen standpunt ingenomen, over de bezorging van de herinneringsbrief en de aanmaningsbrief. Dit ‘nalaten’ heeft een grote impact op de uiteindelijke beslissing van de rechtbank, namelijk dat de belastingplichtige overtuigend moet aantonen dat de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag niet juist zijn.
Uit HR 13 januari 2006, nr. 41.679, NTFR 2006/86 volgt dat indien de rechter overweegt te beslissen dat de vereiste aangifte niet is gedaan – hetgeen volgens de wet moet leiden tot omkering van de bewijslast – en de inspecteur heeft zich op deze omstandigheid niet beroepen, de goede procesorde met zich brengt dat de rechter die beslissing niet neemt dan nadat hij de belastingplichtige in de gelegenheid heeft gesteld zich daaromtrent uit te laten. Hoewel deze situatie niet één op één vergelijkbaar is met de onderhavige casus, vraag ik me af of de rechtbank in deze zaak de belastingplichtige niet had moeten vragen naar de bezorging c.q. ontvangst van de brieven. De belastingplichtige werd, zoals blijkt uit de uitspraak, niet bijgestaan door een professionele gemachtigde en realiseerde zich mogelijkerwijs niet dat hij er met alleen het standpunt dat de uitnodigingsbrief naar het verkeerde adres was gestuurd, nog niet was. De rechtbank ‘hangt’ de belastingplichtige nu op aan het feit dat hij niets heeft gezegd over de bezorging van de herinneringsbrief en de aanmaningsbrief. Daarmee overvalt de rechtbank de belastingplichtige in feite. Hij leest dit pas in de uitspraak en kan er dan niets meer tegen inbrengen. De goede procesorde zou mijns inziens dan ook moeten meebrengen dat de rechtbank hierover vragen stelt aan de belastingplichtige ter zitting, zodat hij daarop zijn reactie kan geven. Die reactie moet dan vervolgens de basis zijn voor het oordeel van de rechtbank of de belastingplichtige uitgenodigd is tot het doen van aangifte.

[1] Mr. M.H.W.N. Lammers is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-518
Datum: 28-4-2016 11:58:25

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur