Witwassen en fiscaliteit anno 2012

De Hoge Raad heeft in enkele min of meer recente strafrechtelijke arresten beperkingen aangebracht op de toepassing van de witwasbepalingen. Deze beperkingen zijn van belang voor de fiscale praktijk nu de Hoge Raad in 2008 heeft geoordeeld dat ook opbrengsten uit fiscale misdrijven kunnen worden witgewassen. Hierna ga ik in op de verschillende aspecten van deze jurisprudentie. De eerste paragraaf gaat over het vereiste verhullende element bij het witwassen van opbrengst uit (eigen) misdrijf. De tweede paragraaf betreft de besmetting van vermogen, wanneer daarin niet te identificeren vermogen uit (al dan niet fiscaal) misdrijf aanwezig is. De derde paragraaf gaat over de mogelijkheid van ontneming van uit fiscaal misdrijf verkregen voordeel. Het artikel sluit af met een conclusie.
TFB-7 P28-32 Artikel 4.indd 28 10/24/12 3:00:01 PM
Witwassen en fiscaliteit anno 2012 nr. 7 – oktober 2012 29
Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht kon worden vervolgd, wordt onder meer opgemerkt (nog steeds uit het citaat door de Hoge Raad): ‘c.De heler-steler-regel (…) In veel gevallen zal het de drugshandelaar of fraudeur zélf zijn die (een deel van de) witwashandelingen pleegt, namelijk
om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. In andere gevallen gaat het om de meer georganiseerde vormen van criminaliteit,
waarbij vele personen zijn betrokken en waarbij uiteenlopende
criminele handelingen (zowel gronddelicten als witwashandelingen) worden gepleegd. In zo’n geval is minder relevant wie precies de witwassers zijn en wie de plegers van de gronddelicten (…).’8
In zijn centrale rechtsoverwegingen grijpt de Hoge Raad
terug op laatstgenoemd citaat:
‘2.4.2
(…) Uit de wetsgeschiedenis volgt (…) dat ook [onderstreping VD] in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”.’9 Gelet daarop, zo vervolgt de Hoge Raad, kan voorhanden
hebben uit eigen misdrijf geen witwassen opleveren wanneer dat niet kan hebben bijgedragen aan de verhulling van de criminele herkomst.
Cruciaal is mijns inziens dat de Hoge Raad overweegt dat
‘ook’ in geval van witwassen van eigen opbrengsten, in
beginsel een handeling is vereist ‘die erop is gericht “om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen”’. Dit lijkt derhalve een basisvereiste te vormen, niet alleen voor ‘voorhanden hebben’ uit eigen misdrijf en zelfs niet alleen voor witwassen uit eigen misdrijf, maar voor álle witwasvarianten.10
Deze beperkende uitleg van witwassen kon de verdachte in
de voorliggende strafzaak echter niet baten: de aanwending
van de op valse gronden verkregen lening (het voorwerp)
voor de aankoop van een woning, kon volgens de Hoge
Raad wél als witwassen worden gekwalificeerd. Teruglezing van de bewezenverklaring roept de vraag op of, waar de Hoge Raad zo veel overwegingen wijdt aan ‘voorhanden
hebben’, de bewezen verklaarde handelingen wel op die
witwasvariant zien. De bewezenverklaring van het hof luidt
dat de verdachte het geld van de lening c.q. de woning heeft
verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet of
daarvan gebruik heeft gemaakt. Concreter over de bewezen
verklaarde handeling merkte het hof op:11
‘Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een geldbedrag als lening onder hypothecair verband heeft verkregen door valsheid in geschrifte en oplichting (mede) te plegen en het geldbedrag heeft aangewend om de koopsom van een woning te betalen. Vervolgens heeft verdachte deze woning als eigenaar gebruikt.’ De bewezenverklaring ziet dus feitelijk op het betalen van
de koopsom (overdragen of omzetten) en het gebruikmaken van de woning, niet op het voorhanden hebben van het bedrag van de lening (of woning).
Daarmee wordt niet duidelijk wat de reikwijdte is van de
overwegingen van de Hoge Raad omtrent de vereiste verhullende handeling, althans een handeling die erop is gericht ‘criminele opbrengsten veilig te stellen’. De Hoge Raad
noemt expliciet ‘voorhanden hebben’ uit eigen misdrijf,
maar lijkt hiermee alleen een voorbeeld te willen geven: ‘Zo kan ingeval … het “voorhanden hebben” daarvan wordt verweten …’. Niet duidelijk wordt echter of de verdachte in deze zaak ‘nat gaat’ omdat het niet de variant ‘voorhanden hebben’ betrof, of omdat de Hoge Raad van mening is dat door aanwending voor de aankoop van een woning, de handeling
van verdachte wel ‘kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst’. Gelet op de nadruk die de Hoge Raad legt op de eis dat de handeling aan het verhullen heeft moeten kunnen bijdragen, direct voorafgaande aan de conclusie dat ‘gelet op het voorgaande’ wél van witwassen kan worden gesproken, is aannemelijk dat in dit geval de ‘aanwending’ van de lening voor de aankoop van
een woning als voldoende verhullend is aangemerkt.
Recent heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar het hiervoor besproken arrest, opnieuw overwogen dat van witwassen door het voorhanden hebben van voordeel uit eigen misdrijf pas sprake kan zijn wanneer er daadwerkelijk wordt
verhuld.12 In die laatste zaak was sprake van mede door verdachte gepleegde feiten (het valselijk aanvragen van provisiebedragen bij verzekeraars), waarbij de verdachte niet elke aanvraag zelf had verricht. Ook in die situatie had het hof
moeten motiveren waarom het voorhanden hebben van de
aldus verkregen geldbedragen aan het verhullen van de criminele herkomst heeft kunnen bijdragen.13 Met vorenstaand arrest lijkt de Hoge Raad een extra ‘element’ te hebben toegevoegd aan de delictsomschrijving van witwassen. Voor zover het verhullende karakter niet reeds
als bestanddeel is opgenomen waar de opzet op dient te zijn
gericht, zoals in de witwasdelicten uit de ‘a-categorie’,14 moet de handeling in ieder geval (objectief) hebben kunnen
bijdragen aan het veiligstellen van de opbrengst en derhalve
een verhullend karakter kennen.

Besmet vermogen


Het arrest van de Hoge Raad 23 november 2010, NJ
2011/44 betreft de vraag in hoeverre ‘wit’ vermogen wordt
besmet door de aanwezigheid daarin van ‘zwart’ vermogen.
De Hoge Raad komt tot de conclusie dat die besmetting in
beginsel plaatsvindt, maar brengt vanwege de verstrekkende
gevolgen van die conclusie tegelijkertijd beperkingen aan
op de reikwijdte daarvan. Wanneer gezien het tijdsverloop
of de verhouding ten opzichte van het legale deel sprake is
van ‘minder zwart’ vermogen, dan is het aldus vermengde
TFB-7 P28-32 Artikel 4.indd 29 10/24/12 3:00:01 PM
Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht
30 nr. 7 – oktober 2012 Witwassen en fiscaliteit anno 2012
vermogen niet meer ‘van misdrijf afkomstig’, aldus de Hoge Raad. Dit speelt ook wanneer vermogen fiscaal niet wordt
opgegeven en de ten onrechte niet betaalde belastingen het
vermogen ‘vergrijzen’. Zie hierover ook de volgende paragraaf.
De casus van dit arrest betreft de verkoop van aandelen door
de ex-vriendin van Holleeder aan Endstra. Het verwijt is
dat zij had moeten weten dat de koopprijs van de aandelen
werd betaald uit vermogen met criminele herkomst. De ontvangst van de opbrengst en het voorhanden hebben daarvan is aangemerkt als witwassen.
Het gehele vermogen van de BV van Endstra, waaruit de
aandelen werden aangekocht en betaald, is in beginsel
besmet, want dit was deels of middellijk uit misdrijf afkomstig. De Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met legale vermogensbestanddelen, het aldus vermengde vermogen als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig moet worden aangemerkt.
De beperkingen ziet de Hoge Raad met name in de verhouding van het illegale ten opzichte van het legale deel van het vermogen en het tijdsverloop dat zich sinds de vermenging
heeft voorgedaan. Heel ‘licht grijs’ is volgens de Hoge Raad dus niet van misdrijf afkomstig, terwijl ‘zwart’ geld na verloop van tijd van kleur verschiet.
De vraag is of de basisaanname van de Hoge Raad juist is,
dat het voegen van uit illegale bron afkomstig vermogen bij
voor het overige legaal vermogen, er in beginsel toe leidt dat het hele vermogen ‘deels’ uit misdrijf afkomstig is. Cruciaal in dit kader is mijns inziens dat de – ook door de Hoge Raad aangehaalde – parlementaire geschiedenis niet spreekt van
‘vermogen waaruit’ een betaling is verricht, maar van een
‘voorwerp (het geld) waarmee’ een handeling is verricht:
‘3.4
(…) Uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken dat het geld – deels – uit enig misdrijf afkomstig is. Dat geldt ook voor het hier voorgelegde geval. Dit neemt niet weg dat het rond krijgen van het bewijs lastiger zal worden, naarmate het illegale deel van de
geldmiddelen geringer is ten opzichte van het legale deel.’
15
De opmerking omtrent de bewijskwestie trekt de aandacht.
Waarom zou het bewijs van de (gedeeltelijk) illegale herkomst lastiger worden als het illegale deel een relatief kleiner aandeel uitmaakt? Van een lastige bewijspositie zou geen sprake zijn in het geval van de door de Hoge Raad
gehanteerde lijn: als immers een beetje zwart bij wit wordt
gevoegd is dat witte vermogen besmet en vormt iedere betaling, enzovoort, daarmee het delict witwassen.
Kennelijk wordt in de wetsgeschiedenis een andere gedachtelijn gevolgd: als een betaling wordt gedaan vanuit een vermogen waar tevens een illegaal deel in aanwezig is, dient te worden bewezen dat die betaling (deels) uit dat illegale deel
afkomstig is. Dat leidt tot (in de parlementaire geschiedenis
gesignaleerde) lastige bewijskwesties. Met andere woorden
dient bewezen te worden niet dat het vermogen waaruit de
betaling is verricht, maar het vermogen waarmee de handeling is verricht, uit misdrijf afkomstig is.

Ontnemen bij fiscale delicten


In zijn arrest van 7 oktober 200816 heeft de Hoge Raad
bepaald dat ook een fiscaal delict een gronddelict voor witwassen kan vormen. Dit arrest betreft de ex-echtgenote van de ‘hasjkoning van Venlo’, die werd vervolgd voor het witwassen van opbrengsten van de verdiensten van haar man. Het hof had haar vrijgesproken, omdat niet bewezen kon worden dat zij afwist van de illegale handel van haar man, terwijl hij (daarnaast) ook legale handel dreef. Deze vrijspraak is door de Hoge Raad gecasseerd, omdat, anders dan het
hof had overwogen, ook een fiscaal delict als gronddelict
voor witwassen kan dienen.17 Het ten laste gelegde witwassen betrof namelijk mede het buiten het zicht van de fiscus houden van vermogen door dit te plaatsen op buitenlandse
bankrekeningen.
De centrale overweging van het verwijzingsarrest luidt:
‘3.8. Aan zijn hiervoor onder 3.3 weergegeven oordeel dat de verdachte van het haar tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, heeft het Hof kennelijk ten grondslag gelegd dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, niet kunnen worden aangemerkt als voorwerpen
“afkomstig (…) van enig misdrijf” in de zin van de art. 420bis en 420quater Sr. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Die vermogensbestanddelen kunnen in zoverre worden aangemerkt als van misdrijf afkomstig in de zin van voormelde
bepalingen.’
In zijn noot onder voormeld arrest stelde Borgers zich op
het standpunt dat de Hoge Raad hiermee alleen iets zou
hebben gezegd over het bestanddeel ‘enig misdrijf’, maar
nog niet over het aspect ‘afkomstig uit’. Voor het antwoord op de vraag of geld tevens ‘afkomstig’ is uit een misdrijf zijn volgens Borgers twee mogelijke benaderingen, een enge en
een ruime interpretatie, te onderkennen. De enge interpretatie, die Borgers bepleit, houdt in dat hier alleen concrete opbrengsten en niet besparingen van kosten of belasting
onder vallen. De ruime interpretatie sluit deze besparingen
wel in, voor een bewezenverklaring is via die route alleen
enige vorm van ‘verrijking’ vereist. Een door Borgers gesignaleerd nadeel van de ruime interpretatie betreft de besmetting van het gehele vermogen van de betrokkene, aangezien niet een concreet vermogensbestanddeel valt aan te wijzen
van waaruit de besparing van kosten is genoten. Zoals hiervoor onder paragraaf 2 is opgenomen, heeft de Hoge Raad met enige beperkingen wel voor die ruime variant gekozen.
TFB-7 P28-32 Artikel 4.indd 30 10/24/12 3:00:02 PM
Witwassen en fiscaliteit anno 2012 nr. 7 – oktober 2012 31
Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht
Recent heeft het hof arrest gewezen na voormelde terugwijzing door de Hoge Raad.18 Alsof het een volledige herkansing betreft, behandelt het hof eerst de vraag of kan worden bewezen dat de verdachte kennis had van de door haar echtgenoot gepleegde drugsdelicten. Nu dit niet kan worden
vastgesteld, wordt zij van de meeste witwasfeiten vrijgesproken. Het plaatsen van gelden op buitenlandse bankrekeningen leidt echter wel tot een veroordeling. Het hof overweegt hierover dat op die bankrekeningen ‘gelden zijn gestort [onderstreping VD] die onmiddellijk of middellijk afkomstig
zijn uit enig misdrijf, zulks teneinde deze gelden aan het zicht van de fiscus te (blijven) onttrekken.’
Dit strookt niet met hetgeen het hof daarvóór overweegt
over vrijspraak op de overige onderdelen, te weten dat verdachte wist dat haar ex-echtgenoot problemen had met de Belastingdienst en dat zij daarom niet met haar gsm met
de buitenlandse bank mocht bellen, hetgeen volgens het
hof een verhullend karakter heeft. Het hof heeft hiermee
enkel vastgesteld dat de vindplaats van geld buiten het zicht
van de fiscus werd gehouden, wat een potentieel strafbaar
karakter heeft wanneer ook het bezit van deze gelden ten
opzichte van de fiscus wordt verhuld en daarmee belasting
wordt ontdoken. Het enkele verhullen van geld brengt nog
geen witwassen met zich mee wanneer niet wordt vastgesteld dat de herkomst een criminele bron betreft. Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte geen kennis had
van een criminele herkomst voorafgaande aan de storting.
Tegen dit hofarrest is namens de verdachte wederom cassatie ingesteld.
Wat daar ook van zij, bij de vaststelling dat een fiscaal delict kan kwalificeren als een brondelict voor witwassen, kan de
vraag worden gesteld hoe dit zijn uitwerking heeft ten aanzien van de ontneming van opbrengsten uit fiscale misdrijven. De ontneming van opbrengsten uit fiscale misdrijven is immers expliciet uitgesloten in art. 74 Algemene wet
inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), terwijl opbrengsten
uit andere misdrijven, zoals witwassen, gewoon via art. 36e
Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kunnen worden ontnomen. Kan nu door het in geval van fiscale delicten aanvullend ten laste leggen van witwassen de werking van art. 74 AWR worden doorbroken?
De Hoge Raad geeft het antwoord hierop in een arrest van
29 maart 2011.19 Het hof had de verdachte veroordeeld
voor het witwassen van gelden die ‘afkomstig waren uit de
opbrengst van fiscale strafbare feiten, in elk geval afkomstig van enig misdrijf’ en betrokkene veroordeeld tot betaling van een ontnemingsvordering van € 2,85 miljoen. De verdachte had
naast zijn cassatie in de hoofdzaak – waarin op dezelfde
dag arrest is gewezen20 – tevens cassatie ingesteld tegen de veroordeling tot betaling van de ontnemingsvordering. De
Hoge Raad overwoog:
‘2.3. Het middel berust blijkens de toelichting op de stelling dat het Hof “het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend
(heeft) gebaseerd op fiscale strafbare feiten”. Die stelling geeft evenwel blijk van een verkeerde lezing, niet alleen van het bestreden arrest maar ook van het arrest van het Hof in de strafzaak.
Immers, eraan wordt voorbijgezien dat het Hof in de strafzaak
heeft geoordeeld dat de op de Duitse bankrekeningen gestorte
gelden ten bedrage van in totaal (afgerond) € 2,85 mln mede
“van enig misdrijf afkomstig waren” en aldus tot uitdrukking heeft gebracht dat het bij die stortingen niet zozeer ging om de opbrengsten van fiscale delicten, maar om die van andere misdrijven. Art. 74 AWR staat daarom [onderstreping VD] niet aan de ontneming van genoemd bedrag van € 2,85 mln in de
weg.’
De Hoge Raad lijkt hiermee tot uitdrukking te brengen dat
ontneming niet mogelijk was geweest indien deze was gebaseerd op voordeel verkregen uit fiscale misdrijven.
In dezelfde zin concludeerde onlangs A-G Knigge:21
‘Als bijvoorbeeld de “witwas” enkel zou hebben bestaan uit het feit dat de belastingfraudeur het verkregen zwarte geld voorhanden had en de “heling” enkel uit het feit dat zijn echtgenote daarvan had meegeprofiteerd, was vermoedelijk wel sprake geweest van een zuiver fiscaal delict.[14.] De verpakking als commuun
delict doet daaraan dan dus niet af.’
In de voetnoot merkt de A-G daarbij nog op dat feiten die
wel als witwassen kunnen worden gekwalificeerd, mogelijk
toch zuiver fiscale delicten zijn in de zin van art. 74 AWR,
zodat ontneming voor die feiten is (blijft) uitgesloten.
Hof Amsterdam oordeelde recent in andere zin.22 Volgens
het hof was de omstandigheid dat betrokkene was veroordeeld voor het witwassen van de betreffende bedragen door deze niet aan de fiscus op te geven, voldoende om tot ontneming van die volledige bedragen over te gaan. Het hof oordeelt: ‘Dat deze bedragen voordat zij aan het oog van de fiscus werden onttrokken mogelijk een legale herkomst hadden – hetgeen overigens geenszins aannemelijk is geworden – maakt dit niet anders.’
Deze overweging van het hof strookt niet met de hiervoor
verwoorde opvatting van de Hoge Raad. In deze casus zal
dat echter vermoedelijk geen gevolgen hebben, gezien de
overweging dat ‘geenszins aannemelijk is’ dat van een legale herkomst sprake was.
Concluderend kan worden gesteld dat opbrengsten uit fiscale misdrijven niet ‘van kleur verschieten’ wanneer het witwassen hiervan (mede) ten laste wordt gelegd. Wanneer
het gronddelict een fiscaal delict betreft, kunnen de voordelen daaruit dus (ook) niet als voordeel uit witwassen worden ontnomen. Voornoemd hofarrest illustreert in dat kader
echter wel dat daarvoor onder omstandigheden actief aanTFB-7 P28-32 Artikel 4.indd 31 10/24/12 3:00:02 PM Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht
32 nr. 7 – oktober 2012 Witwassen en fiscaliteit anno 2012
nemelijk zal moeten worden gemaakt dat het witgewassen
bedrag slechts uit fiscaal misdrijf afkomstig is.

Conclusie


Met de hiervoor besproken arresten heeft de Hoge Raad
verduidelijking aangebracht op de reikwijdte van het delict
witwassen.
In de eerste plaats heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26
oktober 2010 een extra element toegevoegd aan de delictsomschrijving van witwassen. De witwashandeling, met name wanneer de variant ‘voorhanden hebben’ is ten laste
gelegd, moet een verhullend karakter hebben om te hebben
kunnen bijdragen aan het ‘veiligstellen van de opbrengst’.
Of dit vereist is voor alle witwashandelingen en wat dat verhullende karakter in de praktijk dient in te houden, is echter nog niet duidelijk.
Het tweede arrest, van 23 november 2010, betreft de besmetting van wit met zwart vermogen. De Hoge Raad overweegt dat de aanwezigheid van zwarte vermogensbestanddelen het
hele vermogen besmet en dus (deels) uit misdrijf afkomstig
maakt. Hierop wordt direct tevens de beperking aangebracht dat wanneer gezien het tijdsverloop of de verhouding ten opzichte van het legale deel sprake is van ‘minder zwart’ vermogen, het aldus vermengde vermogen niet meer ‘van
misdrijf afkomstig’ is. De vraag is echter of de conclusie van de Hoge Raad dat het hele vermogen besmet wordt juist is
in het licht van de parlementaire geschiedenis. Daarin wordt
juist overwogen dat het bewijs lastiger zal worden, naarmate
het illegale deel van de geldmiddelen geringer is ten opzichte van het legale deel. Een bewijsprobleem wat in de visie van de Hoge Raad nimmer zal optreden.
Tot slot het arrest van de Hoge Raad van 29 maart 2011 met
betrekking tot de ontneming van witgewassen voordelen uit
fiscale misdrijven. Na het arrest van 7 oktober 2008, waarin
de Hoge Raad uitmaakte dat ook fiscale delicten als brondelict voor witwassen kwalificeren, kon onduidelijkheid bestaan over de vraag of deze opbrengst kon worden ontnomen. De hoofdregel luidt immers voor fiscale misdrijven dat voordelen hieruit op grond van art. 74 AWR niet kunnen
worden ontnomen. In een ontnemingsarrest van 29 maart
2011 overweegt de Hoge Raad dat het feitelijk niet ging om
fiscale misdrijven. Daarom staat, aldus de Hoge Raad, art.
74 AWR niet aan ontneming in de weg. Het aanvullend ten
laste leggen van witwassen vormt dus geen shortcut tot het
plukken van opbrengsten uit fiscale misdrijven.
Hoewel met het arrest van 7 oktober 2008 de deur van de
toch al ruime strafbaarstelling van witwassen nog verder
werd opengezet dan daarvoor, door ook fiscale delicten als
gronddelict aan te wijzen, brengt de Hoge Raad recentelijk weer wat meer beperkingen aan. Tegen het gevaar dat automatisch verdubbeling zou optreden van strafbare feiten (belastingontduiking = witwassen) heeft de Hoge Raad de dam van het ‘verhullende element’ opgeworpen, terwijl
ook ontneming niet kan worden uitgesproken voor zover
de herkomst van het vermogen een fiscaal delict betreft. De
besmettingstheorie van de Hoge Raad is minder gunstig te
noemen, ondanks de (toch zeer vage) beperkingen daarop
als het gaat om relatief geringe delen of wanneer de besmetting te ver verwijderd in tijd heeft plaatsgevonden. Het is te hopen dat de Hoge Raad hierop nadere beperkingen aanbrengt, ook in het licht van de in de parlementaire geschiedenis gesignaleerde bewijskwestie.
To be continued …

  • De auteur is als advocaat werkzaam bij Peek advocaten-belastingkundigen te Utrecht.
    1 HR 26 oktober 2010, 09/01423, NJ 2010/655.
    2 T.a.p., r.o. 2.4.2.
    3 T.a.p., r.o. 2.3.4.
    4 Citaat afkomstig uit Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 2-7.
    5 De a- en b-categorieën slaan op de onderdelen a en b van art. 420bis c.q. art.
    420quater, lid 1, Sr (witwassen resp. schuldwitwassen).
    6 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 2. Anders: noot Keijzer onder ‘verhullend element’ HR 26 oktober 2010, NJ 2010/655.
    7 G.J.M.E. de Bont en J.M. Sitsen, ‘Tour d’Horizon fiscaal strafrecht anno 2010’, TFB 2010/08.
    8 Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 6-7.
    9 HR 26 oktober 2010, NJ 2010/655.
    10 Zo ook: R.A. Fibbe, ‘Witwassen, waar is de oever van oeverloos?’, Strafblad december 2011 p. 47-53.
    11 Hof Arnhem 18 maart 2009, nr. 21/003311-08 (niet gepubliceerd). Bewezenverklaring afkomstig uit arrest Hoge Raad, t.a.p., r.o. 2.2.1.
    12 HR 17 april 2012, nr. 2672.10, LJN: WB1481, NS 2012/234. In een eerder gewezen arrest met een vergelijkbare casus (het namens verschillende rechtspersonen doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en het – na uitbetaling – voorhanden hebben daarvan) stond de aanwezigheid van een verhullende handeling kennelijk niet ter discussie. Zie HR 5 april 2011, nr. 09/00492, LJN: BP0294, NJ 2011, 171.
    13 T.a.p., r.o 3.2.3.
    14 De handelingen uit onderdeel a van art. 420bis c.q. art. 420quater, lid 1, Sr, waarin wordt gesproken van ‘hij die … verbergt of verhult’.
    15 Kamerstukken I, 2000-2001, 27 159, nr. 288a, p. 8.
    16 HR 7 oktober 2008, NJ 2009, 94 m.nt. Borgers.
    17 Uitgebreider over de gevolgen van dit arrest zie J.H. Peek, ‘Zwart geld hebben is witwassen maar zwart geld “witten” niet’, TFB 2009/5.
    18 Hof Den Bosch 12 oktober 2011, 20-004311-08 (nog niet gepubliceerd).
    19 HR 29 maart 2011, nr. 09/00747, NJ 2011/159.
    20 HR 29 maart 2011, nr. 09/01255, LJN: BO2639.
    21 Conclusie voor HR 6 maart 2012, nr. S 11/00259 B, LJN: BU5353, NJ 2012/180, NS 2012/178. De zaak betreft een (ontnemings)beslag op grond van een Belgisch bevriezingsbevel.
    22 Hof Amsterdam 23 maart 2012, nr. 23-003183-10, LJN: BW4282.
Dit bericht werd geplaatst in: Artikelen

Stuur een reactie naar de auteur