Wordt nieuwe identificatieplicht voor MKB de ‘rising star’ van de ergernissen-topdrie?

Hoofdredacteur Frans Heitling plaatste in AN 19 een oproep om uw ergernissentopdrie (met oplossingen) aan hem te melden. In zijn inleiding schetste hij een aantal rituelen waarmee administratieve diensten zijn omgeven. Daarin ligt de suggestie besloten dat het identificeren van nieuwe cliënten en het moeten melden van ongebruikelijke transacties wel eens een hoop ergernis zou kunnen wekken. De naderende wetswijziging overziende, kan ik dit artikel wel verder inluiden met de heugelijke mededeling: ‘you ain’t seen nothing yet!’

In het korte bestaan – althans voor de administratieve beroepen – van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties is er al een aantal keer aan de Wet zelf alsook aan de wijze van uitvoering geschaafd. Afgelopen mei zijn de laatste redelijk ingrijpende wijzigingen doorgevoerd. De doelstelling van beide wetten is, naast het bemoeilijken van witwassen, uitgebreid met het opwerpen van een belemmering voor de financiering van terrorisme. Afgezien van tegenwerpingen ten aanzien van het opleggen van de plicht aan dienstverleners tot het melden van zaken die hen in vertrouwen zijn verteld, kan er weinig bezwaar bestaan tegen deze uitbreiding. Zorgelijker is dat het bereik van de wet is verplaatst naar een algemene maatregel van bestuur, waardoor eventuele verdere uitbreidingen van de doelstelling het parlement niet meer hoeven te passeren.

Scheve verhouding
Ter compensatie van dit zuur bracht de wetswijziging als zoet een vrijstelling van de identificatieverplichting voor het invullen van (eenvoudige) belastingaan-giften van particulieren. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het zoet niet tegen het zuur opweegt. Indien het Bft net zo kwistig boetes uit gaat delen als de Belastingdienst dat doet, dan zal al snel de primaire bezorgdheid over deze wetten niet de administratieve las-tendruk (meer) zijn, maar de punitieve elementen erin.


Zoals gezegd ligt de komende wijziging van beide wetten al in het verschiet: vóór 15 december 2007 dient de nieuwste Europese richtlijn op dit gebied te zijn geïmplementeerd. Het vooralsnog als praatstuk bedoelde concept van de komende wetswijzigingen rouleert al. Het wetsvoorstel introduceert de ‘politiek prominente persoon’, de ‘uiteindelijk belanghebbende’, een dynamische identificatieverplichting en de (uitdrukkelijke) plicht om werknemers te scholen in het kennen van de beide wetten en het herkennen van witwassen of terrorismefinanciering.

Corruptie nieuw speerpunt
Naast witwassen en terrorismefinanciering wordt – kennelijk – het tegengaan van corruptie de komende uitbreiding van de doelstellingen van het wettenduo. Aangezien de ‘politiek prominente persoon’ een verhoogd risico loopt corrupt te zijn, is een striktere cliëntidentificatie- en cliëntverificatieprocedure gerechtvaardigd. Wat strikter identificeren overigens toevoegt aan gewoon (goed) identificeren is mij onduidelijk.
Daarover laten tekst noch toelichting bij de wetswijzigingen zich (vooralsnog) uit. Wel is duidelijk dat met deze PEP’s (Politically Exposed Persons)
staatshoofden, regeringsleiders, ministers, staatssecretarissen, parlementsleden, rechters die arresten wijzen in laatste instantie, leden van rekenkamers en centrale banken, ambassadeurs, zaakgelastigden, hoge legerofficieren en hoge functionarissen bij overheidsbedrijven bedoeld worden. En natuurlijk vallen ook de naaste familieleden van deze PEP’s onder de verhoogde ‘Customer Due Diligence’, alsmede nauwe zakelijke relaties daarvan en rechtspersonen waarvan de PEP gebruikmaakt.

Uitvoerbaarheid lastig
In risicovolle gevallen moet de identificatieprocedure erin voorzien dat naast het verzamelen van de juiste gegevens over de rechtspersoon en de
bestuurder(s) daarvan, tevens de ‘uiteindelijk belanghebbende’ (ultimate beneficial owner) wordt achterhaald en dat de structuur van de groep waartoe de cliënt behoort wordt blootgelegd. Hoewel ik het waarom van de geplande wetswijziging op dit onderdeel wel begrijp, heb ik zo mijn twijfels bij de uitvoerbaarheid daarvan. Op dit moment is één van de belangrijkste knelpunten bij de uitvoering van de WID dat het uitermate lastig is buitenlanders en buitenlandse rechtspersonen goed, op basis van betrouwbare documenten, te identificeren. De, zo al mogelijk, administratieve last van het achterhalen van de hele structuur waarin een rechtspersoon is verweven is in internationale verhoudingen, zonder een via het internet raadpleegbare KvK, immens.

Voortdurende toetsing
Om te voldoen aan de WID volstaat het straks niet meer om louter te identificeren. Elke instelling wordt verplicht een adequaat, op de praktijkvoering afgestemd beleid te voeren ter bestrijding en voorkoming van witwassen en
terrorismefinanciering (en corruptie). Het vaststellen van de identiteit wordt dus slechts stap 1 in het dynamisch proces dat identificeren heet. De normen in de wetgeving worden open en de acties moeten worden gebaseerd op risicoprofielen. Naast het – zo nodig – achterhalen van de uiteindelijk belanghebbende en het inwinnen van informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie (hetgeen voor een dienstverlener een betrekkelijke open deur is), moet voortdurend worden getoetst of het risicoprofiel van de cliënt niet wijzigt, inzicht worden verkregen in de herkomst van gelden en moeten gegevens worden geactualiseerd. Ga er maar aan staan!

Opleiding verplicht
Ook een novum is de komende (uitdrukkelijke) verplichting om werknemers bekend te maken met de bepalingen van deze wetgeving en de werknemers (allemaal?) op te leiden in het herkennen van witwassen of terrorismefinanciering. Daarnaast zullen ze moeten leren hoe te handelen bij vermoedens. Het lijkt erop dat het opstellen van een identificatieprotocol en het aanstellen van een ‘compliance officer’ binnenkort niet meer volstaat.

De positieve kant
En dan, in de goede traditie van dit kabinet, ook nog wat zoet. Hoewel het lastig is op te maken uit de tekst van de wijzigingen, vermeldt de toelichting vrij prominent dat daar waar nu ook geïdentificeerd (en gemeld) moet worden bij het invullen van belastingaangiften, het opstellen van jaarrekeningen en het voeren van administraties, na de wetswijziging alleen fiscale advisering nog onder de vigeur van de wetgeving valt. Kijkend
naar de letterlijke tekst lijkt het er een beetje op dat identificatie in dergelijke gevallen niet hoeft plaats te vinden, maar een (zonder identificatie wat zinloze) melding wel dient te geschieden. De nadere uitwerking (en de tijd) zullen het wel leren, maar deze aanpassing zou toch zowaar een aanzienlijke verlichting kunnen opleveren.

Vak blijft boeiend
Het in de inleiding bedoelde commentaar van de hoofdredacteur sluit af met de vraag of er dan niets meer leuk is, alsmede met een voorschot op het antwoord, namelijk dat het – zijns inziens – wel meevalt. Als ik de vraag voor mezelf mag beantwoorden (en op mij is niet half zoveel ‘toezicht’ van toepassing, als op de accountant), dan meen ik dat het vak van dienstverlener onverkort boeiend en uitdagend blijft, maar dat de hoeveelheid regelgeving die op ons neerdaalt (en voortdurend wijzigt) daar wel bar weinig aan bijdraagt. Over het algemeen blijft het echter zo dat we ons voornamelijk op ons vak kunnen blijven concentreren en beroepsorganisaties en allerhande ‘officers’ en wat dies meer zij, invulling geven aan veel van deze ballast.

Mr. B.J.G.L. (Ludwijn) Jaeger, als fiscaal advocaat verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam

Dit bericht werd geplaatst in: Artikelen

Stuur een reactie naar de auteur